Site icoon Brieven Constantijn Huygens Online

Trouw en tegenslag: de vriendschap tussen Constantijn Huygens en Johan Brosterhuisen

Met rode lijnen heb ik een haag van hulst aangegeven die ik rondom de perken van de kruidentuin heb geplant, en welke goed zijn gegroeid. Langs de smalle binnenpaden staat buxus. Het midden van de grote paden, die 29 voet breed zijn, zou ik gaarne (als Zijne Hoogheid dat wil) afwisselend met mastbomen en hulst beplanten. Deze altijd groene bomen zouden niet alleen het hele jaar een sieraad zijn, maar ook een beschutting tegen zon en wind; er blijft dan aan weerskanten nog genoeg plaats om met een koets te rijden.1

Dit citaat is afkomstig van Johan Brosterhuisen (ca. 1596-1650), een Noord-Nederlandse dichter, kunstenaar, botanicus en muziekkenner. In 1646 werd hij, mede door toedoen van Constantijn Huygens, benoemd tot hoogleraar in de Griekse taal aan de Illustere School te Breda en directeur van de daar opgezette hortus botanicus. Voor Brosterhuisen, die lange tijd zonder inkomsten had gezeten, leek dit het begin van een succesvolle nieuwe fase, maar al snel bleek het tegendeel waar.

Johan Brosterhuisen werd op 14-jarige leeftijd ingeschreven aan de Universiteit van Leiden, waar hij botanie studeerde. De vriendschap tussen hem en Constantijn Huygens ontstond waarschijnlijk tijdens hun studietijd in Leiden. Beide veelzijdige leeftijdsgenoten waren actief in intellectuele en artistieke kringen en deelden een passie voor poëzie en muziek. Naast zijn muzikale en wetenschappelijke activiteiten was Brosterhuisen ook actief als tekenaar en etser. Een belangrijk aspect van zijn relatie met Huygens is hun correspondentie, waarin ze hun interesses, experimenten en persoonlijke zaken bespreken. Van hun brieven zijn er 58 bewaard gebleven, vooral van Brosterhuisen aan Huygens, die een waardevolle bron vormen voor het begrip van hun vriendschap en intellectuele samenwerking.

Muziek

Brosterhuisen was een bekwaam klavecimbelspeler met een fraaie zangstem en vormde in zijn Leidse jaren een muzikaal duo met Jacob van der Burgh (1600-1659), jurist en dichter. Beiden ondertekenden het verzoek dat in 1619 aan de Leidse Universiteit werd aangeboden om Caspar Percovius uit Sachsen als muziekmeester aan te stellen.2 Samen met Huygens verdiepten ze zich in Italiaanse muziek en bewonderden ze componisten als Pomponio Nenna en Carlo Gesualdo, prins van Venosa. Brosterhuisen en zijn vrienden vormden een muziekcollege in Leiden, en tijdens zijn tijd in Breda richtte hij opnieuw een dergelijk college op.

Dubbelportret van Johan Brosterhuisen (links) en Jacob van der Burg (rechts) door David Bailly, 1624, Teylers Museum Haarlem.

Net als Huygens was Brosterhuisen een graag geziene gast op het Muiderslot. Hij nam daar deel aan muzikale bijeenkomsten met prominente figuren zoals Anna en Tesselschade Roemers Visscher, Francisca Duarte, Caspar Barlaeus en Pieter Cornelisz. Hooft. Brosterhuisen beschreef Huygens hoe drost Hooft op een samenzijn in augustus 1633 ‘de kunst had gedagvaard om de duivel een been af te zingen en te rijmen, terwijl Tesselschade en Francisca er al vrolijk zaten te kwinkeleren’. Na afloop schreef Hooft aan Tesselschade dat ‘Brosjen en Burgjen’ [Brosterhuisen en Van den Burgh] meteen waren vertrokken na haar vertrek, en dat de liederen van Fransje [Francisca Duarte] een diepe indruk hadden achtergelaten, alsof hij het zoete geluid nog met zich meedroeg. Hij merkte daarbij ook op dat Tesselschade haar schoenen had laten staan.

In 1639 solliciteerde Brosterhuisen, vermoedelijk op aanraden van Huygens, naar een positie als organist in Den Haag. Hoewel hij goed kon improviseren, was hij technisch niet sterk genoeg om de concurrentie met ervaren beroepsmusici aan te gaan. Hij weigerde een proefspel en werd niet benoemd. De keuze voor zo’n bescheiden functie, met een salaris van hooguit 400 gulden per jaar, wijst op financiële problemen.3

Poëzie

Johan Brosterhuisen en Constantijn Huygens deelden ook hun liefde voor poëzie, wat duidelijk naar voren komt in hun correspondentie en ook in hun samenwerking rond Huygens’ bundel Otiorum libri sex, kortweg de Otia uit 1625. Deze bundel, met de betekenis ‘ledige uren’, weerspiegelt Huygens’ veelzijdigheid en zijn toewijding aan de poëzie, ondanks zijn drukke werkzaamheden als diplomaat. De Otia bevat gedichten in verschillende talen, waaronder Nederlands, Latijn en Frans, en behandelt diverse thema’s zoals religie en satire, wat Huygens’ reputatie als een van de grootste dichters van zijn tijd bevestigt.

Titelgravure uit Otiorum libri sex (1625). Koninklijke Bibliotheek, 759 C 17.

In de Otia reageert Huygens met het gedicht ‘Aen J. van Brosterhuijsen op sijn verlang naer ’t uytkomen mijner dichten‘ op een brief van Brosterhuisen van 28 januari 1625 waarin deze lof uitspreekt over Huygens’ dichtkunst en zijn verlangen uit naar de publicatie van diens werk. Brosterhuisen gebruikt kleurrijke beeldspraak, zoals de ‘Hippocrene-bron’ en ‘de grote Atlas’ om zijn bewondering en hunkering naar Huygens’ poëzie te verwoorden. Huygens’ gedicht speelt speels in op deze bewondering, met humoristische verwijzingen naar de haast die nodig zou zijn om de gedichten te drukken en bezorgen.4 In het voorwerk van de Otia nam Huygens veel lofdichten op van prominente tijdgenoten zoals Hooft, Vondel, Westerbaen en Barlaeus. Ook Brosterhuisen droeg bij met zijn lofdicht ‘Gaet nae den Haech mijn rouw gedicht’. Huygens en Brosterhuisen zouden ook later nog gedichten naar elkaar sturen. Toen Huygens hem zijn vertalingen van de gedichten van John Donne opstuurde, waar Brosterhuisen meermaals om gevraagd had, stuurde hij hem als dank zijn gedicht ‘Lepelblad’, waarin hij de geneeskrachtige eigenschappen van het lepelblad prijst, een plant die bekend staat om zijn hoge gehalte aan vitamine C en vroeger werd gebruikt ter bestrijding van scheurbuik bij zeelieden.

Lepelblad, bijlage bij de brief van Johan Brosterhuisen aan Constantijn Huygens van 22 april 1634, UB Leiden, Cod. Hug. 37 (Brosterhuizen) 36 https://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/903.

Simplicia en chemica

Brosterhuisen en Huygens deelden ook een fascinatie voor wetenschap, in het bijzonder voor botanie en scheikunde. Vanaf 1625 wisselden ze ideeën uit over experimenten zoals het distilleren van oliën en chemische processen. Brosterhuisen adviseerde Huygens een simplicia-verzameling te beginnen: onbewerkte natuurlijke materialen zoals planten, dierlijke stoffen en mineralen, destijds de basis voor medicijnen en chemische bereidingen. Hij verwees naar apotheker/arts Jean de Renou’s Dispensatorium medicum (1608) als leidraad voor het ordenen van simplicia.5 Brosterhuisen stelde een systeem van zes kisten voor: zaden, wortels, extracten, dierlijke materialen, fossielen en oliën, met duidelijke naametiketten en afgesloten potten voor zouten.

Simpliciakast van het Collegium Medico-Pharmaceuticum te Delft, 1730.

In zijn brieven aan Huygens sprak Brosterhuisen ook geregeld over zijn fascinatie voor chemische experimenten en de bijbehorende apparatuur. Hij vroeg Huygens om een tekening en beschrijving van diens draagbare oven, zodat hij deze kon nabouwen of verbeteren. Zelf beschikte Brosterhuisen ook over een oven waarmee hij succesvol oliën destilleerde. Hij vermeldde zelfs dat hij er vlees in had gekookt, maar dat deze niet geschikt was om taarten te bakken, iets wat Huygens zich had afgevraagd. Daarnaast stuurde hij Huygens een lampoven en adviseerde een ronde vorm met drie lichten om voldoende warmte te genereren. Voor distillaties gebruikte Brosterhuisen een eenvoudige methode: hij plaatste een glazen bol boven een vuurtje in een aardewerken potje, wat volgens hem efficiënter en schoner werkte.

Het is pas recent bekend geworden hoe intensief Constantijn Huygens zich bezighield met parfumerierecepten. Deze ontwikkelde hij door chemische experimenten te combineren met uitgebreide botanische kennis. Hierbij maakte hij ongetwijfeld gebruik van de expertise van Brosterhuisen.

Wederzijdse hulp

Brosterhuisen voorzag Huygens van boeken over scheikunde en botanie, waaronder de Exoticorum libri decem: quibus animalium, plantarum van Carolus Clusius. In 1627 hielp hij Huygens bij het inrichten van diens tuin aan de Lange Houtstraat in Den Haag, waar Huygens net met zijn kersverse bruid Suzanna van Baerle was gaan wonen. Brosterhuisen stuurde hem een lijst met altijd groene planten, die de tuin zelfs in de winter een aangenaam aanzien zouden geven. Hij voorspelde een overvloed aan bloemen tijdens zachte winters. Die plantenlijst is verloren gegaan, maar Huygens sprak zijn dankbaarheid uit in een Latijns gedicht: Ad J. Brosterhusium, cum hortum floridum perennem praescripsisset (‘Aan J. Brosterhuisen, toen hij een altijd bloeiende tuin had voorgeschreven’).

Poort van de Hortus Medicus te Amsterdam, Jan Goeree, 1680-1731, Rijksmuseum.

Huygens speelde een belangrijke rol in Brosterhuisens poging om aangesteld te worden als hortulanus bij de geplande Hortus Botanicus in Amsterdam. Brosterhuisen diende op 20 februari 1631, met steun van Huygens, een plan in bij de curatoren van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Dit plan was al beoordeeld door hun gemeenschappelijke vriend Jacob van der Burgh, die zijn bevindingen doorspeelde aan de curatoren. Hoewel het voorstel zorgvuldig werd overwogen, meldde Van der Burgh Huygens vier dagen later dat de kansen op een positief resultaat klein waren. Huygens zette zich vervolgens in om invloedrijke stadsbestuurders zoals Laurens Reael, Pieter Hasselaer en P.C. Hooft voor Brosterhuisen te winnen. Ondanks die inspanningen verliepen de beraadslagingen traag, mede doordat ook Augerius Clutius – iemand met veel connecties – naar voren werd geschoven als kandidaat. De zaak bleef onbeslist, en op 14 maart 1633 moedigde Huygens Hooft nogmaals aan om Brosterhuisen te blijven steunen. Uiteindelijk kreeg geen van beiden de positie. Pas in 1646 werd de hortus botanicus in Amsterdam gerealiseerd, met Johannes Snippendal als eerste directeur.6 In dezelfde periode toonde Brosterhuisen ook serieuze interesse in een positie bij een mogelijke hortus van Utrecht, maar omdat de daadwerkelijke oprichting en invulling van functies daar enige tijd op zich lieten wachten, kwam hij niet voor een aanstelling in aanmerking.

Jacob van Campen

‘Wat doet Brosterhuisen op de Veluwse zandvlakten? Niets’, schreef Caspar Barlaeus aan Constantijn Huygens. Brosterhuisen verbleef op dat moment op Randenbroek, het landgoed van Jacob van Campen (1596–1657) bij Amersfoort. Van Campen, bekend als architect en schilder, was al bevriend met Brosterhuisen voordat deze Huygens leerde kennen. Brosterhuisen introduceerde Van Campen bij Huygens, waarbij hij een schilderij van Van Campen aanprees en Huygens vroeg te bemiddelen voor jachtrechten voor Van Campen in Gelderland en Utrecht. In 1633 schreef Brosterhuisen dat Van Campen een licht portret van Huygens wilde schilderen, als tegenhanger van het donkere portret van Jan Lievens. Hij regelde dat dit portret via Amsterdam naar Van Campen werd gestuurd om als voorbeeld te dienen. Een jaar later zond Brosterhuisen het schilderij van Van Campen naar Huygens, met excuses van Van Campen voor de vertraging. Het betreffende werk is verloren gegaan, tenzij dit het duoportret betreft dat Van Campen rond 1635 maakte van Huygens en zijn vrouw Susanna van Baerle.

Susanna van Baerle en Constantijn Huygens, Jacob van Campen, ca. 1635, Mauritshuis.

Tijdens zijn verblijf in Amersfoort kampte Brosterhuisen met grote financiële zorgen. Zijn vaderlijk erfdeel was uitgeput, en hij had moeite om in zijn levensonderhoud te voorzien. Van Campen probeerde hem hierin te ondersteunen door hem opdrachten te geven, voornamelijk op het gebied van vertaalwerk. Een van deze opdrachten was de vertaling van Henry Wotton’s The Elements of Architecture (1624).7 Huygens maakte op 1 september 1639 in Rhijnberck een synopsius uit dit boek.

Synopsis door Constantijn Huygens van Henry Wotton’s The Elements of Architecture (1624), 1 september 1639, KB, KA 48, fol.753v-754r.

Daarnaast kreeg Brosterhuisen de opdracht Vitruvius’ werk over architectuur te vertalen. Met goedkeuring van Huygens zouden enkele delen uit het boek van Andrea Palladio aan deze vertaling worden toegevoegd, met de bedoeling om het gezamenlijk in druk uit te brengen. Van Campen wilde hier een eigen studie over de oorsprong van de bouwkunst aan toevoegen, maar door ziekte werd dit vertraagd. Om onbekende redenen is geen van deze vertalingen uiteindelijk gepubliceerd. Toch boden deze opdrachten Brosterhuisen tijdelijk een broodnodige inkomstenbron waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien.

De man in de maan

Hoewel Huygens steeds meer aanzien verwierf en Brosterhuisen worstelde om een stabiele positie te vinden, bleef hun vriendschap standhouden. In 1639 was hij korte tijd werkzaam als secretaris van Jacob van Wassenaar Obdam, die op dat moment gouverneur van Heusden was, vermoedelijk dankzij bemiddeling van Huygens. Hij had het goed, want hij verdreef er zijn tijd door in zijn ‘warme sevenhoeckighe onghelijcksijdighe cabinetje op een fraey clavicymbel te mijmeren’, zo schreef hij Huygens. Tijdens zijn verblijf op het kasteel van Heusden werkte Brosterhuisen aan een vertaling van The Man in the Moone (1638) van Francis Godwin, een vroege sciencefictionroman waarin Domingo Gonsales met behulp van vogels naar de maan reist en daar een utopische samenleving ontdekt. In een brief aan Huygens van 22 november 1639 stuurde hij het manuscript en gaf toe dat zijn vertaling, door het ontbreken van een woordenboek en de invloed van het Engels, niet perfect was. Hij vergeleek de hoofdpersoon humoristisch met de vertaling zelf: bij terugkeer op aarde zou Gonsales een Hollands kostuum nodig hebben, net zoals de vertaling aanpassing vergde.

Hoewel Brosterhuisen in 1639 aan de vertaling werkte, wordt betwijfeld of hij verantwoordelijk was voor de eerste Nederlandse uitgave van De man in de maen. Deze bevat fouten en een voorrede met blunders die niet passen bij Brosterhuisens geleerdheid. Mogelijk verkocht hij zijn manuscript tijdens zijn moeilijke jaren in Amersfoort, waarna het door een ander werd bewerkt en gepubliceerd. Interessant is dat Constantijn Huygens junior een exemplaar van deze uitgave bezat, vermoedelijk afkomstig uit de bibliotheek van zijn vader, wat wijst op een mogelijke link tussen Brosterhuisens werk en deze publicatie.8

Kunst

In Amersfoort legde hij zich behalve vertalingen ook toe op de totstandkoming van illustraties in het boek Rerum per octennium in Brasilia gestarum historia van Caspar Barlaeus. Dit werk, dat in 1647 door Joannes Blaeu in Amsterdam werd uitgegeven, documenteerde de verwezenlijkingen van Johan Maurits van Nassau-Siegen in Brazilië. Brosterhuisen leverde een aantal prenten voor het boek, die hij etste op basis van tekeningen van Frans Post, gemaakt tijdens diens verblijf in het door Johan Maurits bestuurde gebied.9

Ook uit zijn brieven aan Huygens blijkt dat Brosterhuisen actief bezig was met tekenen, schilderen en etsen, met een focus op landschappen. Brosterhuisen stuurde Huygens een landschapje en had plannen om hem meer en betere werken te leveren zodra zijn gemoed het toeliet. Zo maakte hij de Iani Brosterhusi Praedia, een reeks etsen van landschapjes. Deze etsen zijn niet ondertekend, met uitzondering van de eerste, die de genoemde titel draagt. Het lijkt erop dat hij er weinig belang aan hechtte om als maker herkend te worden, wat volledig in lijn was met zijn karakter.10 Zijn schil­derijen zijn niet meer bekend, maar ze komen wel voor in de nalatenschap van Willem Nicolaesz. van Campen, een broer van Jacob.

Landschap, Johan Brosterhuisen, ca. 1640 © The Trustees of the British Museum. Shared under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International (CC BY-NC-SA 4.0) licence.

Brosterhuisen kampte met depressies en een zwakke gezondheid, terwijl zijn werk hem nauwelijks iets opleverde. Toch veranderde zijn situatie ten goede. Belangrijk hierbij was de steun van Huygens, die zich actief bleef inzetten om zijn vriend een betere positie te bieden. Barlaeus schreef op 15 april 1646 aan Huygens dat hij verheugd was te vernemen dat Brosterhuisen zijn penseel en tekenbord zou gaan neerleggen.

De Illustere School te Breda

Concept benoeming Johan Brosterhuisen tot professor in de botanie en Griekse Taal bij de Illustere School in Breda, 30 juni 1646, Nationaal Archief, Nassause Domeinraad 1.08.11, 7989.

In 1646 speelde Huygens een sleutelrol in het verbeteren van Brosterhuisens situatie door hem als curator van de Illustere School te Breda een professoraat in de Griekse taal en botanie te bezorgen.11 Deze school, opgericht op initiatief van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, moest Breda tot een centrum van kunst en wetenschap maken. De officiële opening vond plaats op 17 september 1646 in de Grote Kerk van Breda, gevolgd door festiviteiten op het kasteel. Frederik Hendrik en Huygens waren afwezig vanwege militaire verplichtingen, wat verbazing wekt gezien Huygens’ rol als curator van de school. In de dagen erna werden de inaugurele redevoeringen van de zes professoren gehouden in het klooster St. Catharinadal dat als locatie voor de school was aangewezen. Het gevolg van Amalia van Solms, die de opening bijwoonde, was zo groot dat in de stad kamers moesten worden gehuurd voor haar personeel.12

Kaart van gebouwen en omliggende terreinen van het klooster van St. Catharinadal. Plattegrond van klooster en bijgebouwen. Overgenomen van een oude kaart uit het archief van het klooster te Oosterhout, 1646 fecit. Breda, 12 Januari 1878. Stedelijk Museum Breda, ST00495.

André Rivet (1672-1651), theoloog en rector van de school, hield de openingsrede. De redevoeringen waren erg lang, maar Amalia heeft ze allemaal aangehoord.13 De Engelse miniatuurschilder Edward Norgate was erbij aanwezig en dankzij hem hebben we een rechtstreeks ooggetuigenverslag. Alle professoren kregen hun beurt: de langste rede was van theoloog en predikant Ludovicus Gerardus van Renesse – ‘long, leane and drie as the Speaker’ – en besloeg maar liefst 39 pagina’s , terwijl die van de anderen varieerden van 11 tot 25 pagina’s. Brosterhuisen hield twee korte redevoeringen ’the honestest appeared as yet, and of laudable brevitie’, aldus Norgate. In zijn eerste rede over botanie riep Brosterhuisen op planten te onderzoeken, te waarderen, te proeven en te ruiken, en zag daarin de zoetheid van Gods goedheid. Hij benadrukte hun schoonheid en nut voor lichaam en geest, met voorbeelden uit verleden en heden. In zijn tweede rede betreurde hij het verval van de Griekse taal, die hij beschouwde als onmisbaar voor het begrijpen van de Bijbel, de wetenschap en de filosofie. Hij illustreerde bovendien hoe de Griekse taal een cruciale rol had gespeeld in de vorming van de Romeinse literatuur en cultuur.

Adolphus Vorstius, Paulus Pontius naar Gerard Petri, 1616-1657.

Adolphus Vorstius, directeur van de Leidse Hortus, beschuldigde Brosterhuisen van plagiaat en weigerde naar Breda te komen om ‘zijn eigen rede’ bij te wonen. Huygens’ zwager David De Wilhem suggereerde dat Brosterhuisen mogelijk delen van Vorstius’ oratie had overgenomen, maar betitelde tegelijkertijd Vorstius’ houding als kwaadaardig. Er werd ook verder geen werk van gemaakt. Aangezien de oratie van Vorstius verloren is gegaan, is een vergelijking niet meer mogelijk.

De taak van Brosterhuisen als professor in de botanica en Grieks werd vastgelegd in het reglement van de Illustere School te Breda waarin stond dat hij ’s zomers studenten buiten in de hortus zou onderwijzen over planten, hun namen, eigenschappen en toepassingen, en ’s winters binnen lessen zou geven over medicijnen en Griekse auteurs. De tuin werd aangelegd op het terrein van het voormalige klooster St. Catharinadal, waar van oudsher een boomgaard en hopveld lagen. Onder leiding van Brosterhuisen en hovenier Michiel Coenraets werd de grond geëgaliseerd en voorbereid. Op 8 november 1646 meldde Brosterhuisen aan Huygens dat de tuinstructuur met perken en paden al zichtbaar begon te worden. De tuin was vergelijkbaar met die van de Leidse hortus, met grote perken, brede paden en plannen voor decoratieve beplanting zoals hulst en mastbomen, die beschutting tegen zon en wind zouden bieden. De tuin bevatte niet alleen geneeskrachtige kruiden maar ook groenten, fruitbomen en sierplanten, waardoor deze meer leek op een botanische tuin dan een traditionele kruidentuin. Een innovatief aspect van zijn ontwerp was een kanaal voor waterplanten, dat zijn botanische expertise onderstreepte.

Titelblad van de Catalogus Plantarum, 1647.

Met zijn lessen in de tuin wist Brosterhuisen veel belangstelling te trekken, wat bijdroeg aan het prestige van de Illustere School. Dit moest echter met grote zuinigheid worden gerealiseerd, omdat na de dood van Frederik Hendrik in maart 1647 de belangstelling en financiële steun van de nieuwe stadhouder, prins Willem II, afnam. In 1647 publiceerde hij de Catalogus Plantarum Horti Medici Illustris Scholae Auriaceae, een overzicht van de collectie planten die hij in de tuin had aangelegd. De catalogus bevat 823 plantennamen, waaronder geneeskrachtige kruiden, exotische soorten en lokale flora. Deze publicatie benadrukt zijn ambitie om de hortus medicus tot een toonaangevende botanische tuin te maken. Brosterhuisen stuurde in september 1647 een exemplaar van zijn Catalogus Plantarum naar Huygens, met het voorstel om dit aan de prins te presenteren, in de hoop zijn interesse voor het project te wekken.

Schandaal

Een controverse ontstond in 1648 toen bleek dat Brosterhuisen samenwoonde met de 35-jarige Emilia de Rhoda, weduwe van Johan de Wit (geen familie van de raadpensionaris), een vrouw van goede afkomst die hij als huishoudster had aangenomen. Dit leidde tot geruchten over ongepaste omgang en klachten van curator André Rivet en de kerkeraden. Rivet schreef Huygens (vrij vertaald):

Blijft over Monsieur Brosterhuisen, over wie ik u in detail moet spreken. Ik hoorde van Monsieur de Zuylichem [IH: Christiaan], toen hij hier was, dat Brosterhuisen in zijn woonruimte een vrouw van 35 jaar heeft die hem volledig bestuurt, zowel zijn huishouden als zijn portemonnee. Men zegt dat zij al lange tijd samenleven alsof ze man en vrouw zijn, en zelfs zijn familie heeft hierover geklaagd. Hij beweert weliswaar dat hij haar de leiding over zijn huishouden heeft gegeven, maar dat dit niet betekent dat zij een intieme relatie hebben, hoewel zij onder hetzelfde dak wonen. Niemand gelooft echter dat er geen concubinaat is.

Ik heb hem daarom onder vier ogen aangespoord het schandaal op te lossen door deze vrouw weg te sturen. Na veel uitvluchten en tegenwerpingen beloofde hij dit. […] Hij beweerde dat er veel ongetrouwde predikanten zijn die door dienstmeiden worden bediend en verwees zelfs naar dat van u, die zijn huishouden laat beheren door een nicht. [IH: Huygens’ nicht Catharina Zuerius]. Deze vrouw [IH: Emilia de Rhoda] pronkt ermee dat hij haar niet weg kan sturen. Hij heeft intussen de gemeenschap van de Vlaamse en Franse kerken verlaten. In plaats daarvan sluit hij zich aan bij de Engelsen, die geen discipline kennen. Met hen rookt hij tabak, wat zijn voornaamste bezigheid lijkt te zijn. Ondertussen geeft zij jaarlijks grote sommen uit aan wijn en tabak, naar verluidt wel 400 gulden, terwijl Brosterhuisen zelf weinig doet, behalve wat kruiden zaaien in de tuin. Aan het Grieks doet hij niets en zegt dat hij geen leerlingen heeft, wat deels aan hemzelf ligt. In plaats van de taal te onderwijzen, spreekt hij over Achilleus en dergelijke. Ook over zijn beloofde lessen over medicijnen is niets meer vernomen. […]

André Rivet, Jonas Suyderhoef, ca. 1645, UB Leiden.

Brosterhuisen werd de keuze gesteld: of hij moest Emilia wegsturen of met haar trouwen. Huygens, die zich verantwoordelijk voelde voor Brosterhuisens aanstelling en natuurlijk ook met hem bevriend was, stuurde hem een vermanende brief, zo liet hij Rivet weten; en hij had Van Campen had gevraagd dit ook te doen. Hij liet weten dat bij verdere ongehoorzaamheid alle steun aan Brosterhuisen zou worden stopgezet. In reactie hierop schreef Brosterhuisen aan Huygens [vrij vertaald]:

Bovenaan de inschrijving van Johan Brosterhuisen en Emilia de Rhoda, Stadsarchief Breda, DTB Trouwen
Collectie DTB Breda, Bron: boek, Deel: 35, Periode: 1646-1656, Breda, 1649, Trouwen nh Grote kerk 1646-1656, folio 58.

Mijnheer,

Ik dank u zeer voor die scherpe en gunstige vermaning, maar het deed mij verdriet dat ik in mijn onschuld bij u zo in twijfel ben getrokken. Wat betreft de Griekse professie: die heb ik door gebrek aan toehoorders enige tijd niet kunnen uitoefenen; desalniettemin heb ik mij altijd bereid gehouden om te lezen, al was er maar één toehoorder gekomen. Ja, ik heb meerdere keren voor slechts één toehoorder [IH: dat was Huygens’ zoon Lodewijk] lesgegeven – terwijl niemand van mijn collega’s dat zou willen doen voor minder dan drie. Toen er daarna echter niemand meer verscheen, was ik genoodzaakt om tijdelijk te stoppen, tot nu, dat ik door uw bevel weer toehoorders heb gekregen.

Wat betreft de geruchten over mijn huishouden: die zijn alleen gebaseerd op ongegronde achterdocht, verspreid door enkele mensen die mij of mijn huishoudster kwaad willen doen en afgunstig zijn. Er zijn vele predikanten die ongetrouwd zijn en op deze manier een huishouden voeren, en niemand zegt daar iets van. Toch heeft de heer Rivet mij aangespoord haar te laten gaan, of haar te trouwen. Zij heeft anderhalf jaar bij mij gewoond, in welke tijd ik volledig heb kunnen leren dat zij zeer eerbaar, oprecht godvruchtig, verstandig en zuinig in het huishouden is. Daardoor kan ik elk jaar een aanzienlijk bedrag van mijn traktement apart zetten om mijn schuld af te lossen. Haar wegsturen zou mij schade berokkenen en haar in diskrediet brengen, wat – omdat ik de schijn zou wekken daartoe aanleiding te hebben gegeven – mijn gemoed voor eeuwig in onrust zou brengen. Daarom heb ik met haar afgesproken te trouwen.

Zij komt uit een net zo goede familie als ik en kan zichzelf onderhouden; bovendien heeft zij meer te erven. Zij is bescheiden en rustig van aard. Ik ben oud en heb, gezien de normale gang van sterfelijkheid, maar weinig jaren meer te leven. Ik word soms getroffen door nierstenen, waardoor ik voortaan niets anders nodig heb dan in rust, stilte en eerlijkheid te leven. Ik ben ervan overtuigd dat God, in wie ik van jongs af aan mijn vertrouwen heb gesteld, mij op mijn oude dag niet in de steek zal laten. En naast God, dat u mij in mijn onschuld zult verdedigen en mij in Zijn gunst en die van Hare Hoogheden zult behouden. Graag verzoek ik u dit de heer Van Campen te laten lezen, aan wie ik mijn nederige groeten doe. Ik weet zeker dat ik u hier in persoon volledig zal kunnen overtuigen van mijn doen en laten.

Uw ootmoedige en onderdanige dienaar,

J. Brosterhuisen

In Breda, 2 maart 1648

Op 7 maart 1648 werd het huwelijk ingeschreven in de registers van de Gereformeerde Kerk. Hiermee waren de geruchten gesust, maar ook andere de spanningen binnen de Illustere School kwamen bloot te liggen. Zo schreef Huygens in dezelfde brief aan Rivet dat het de spuigaten uitliep met de dronken schermmeester van de Illustere School tegen wie opgetreden moest worden.

Nalatenschap

Ondanks zijn botanische kennis en bijdrage aan de Hortus Medicus slaagde Brosterhuisen er niet in zich als docent te handhaven. Toch bleef Huygens hem steunen, ook na het huishoudsterschandaal. Op 5 augustus 1650 vroeg Brosterhuisen hem nog om hulp bij de benoeming van een familielid tot secretaris van Rijnland en grapte dat Huygens, ‘hoewel niet Rooms, daarmee een plaats in de hemel zou verdienen’. Een maand later overleed hij op 10 september 1650, vermoedelijk aan een kwaadaardige koorts. Volgens Rivet was hij slechts acht dagen ziek, maar vanaf het begin zwak en moedeloos. Brosterhuisen werd op 14 september met alle eer begraven in het Hoogkoor van de Grote Kerk in Breda, en de medicus Albertus Kyperus sprak enkele dagen later een herdenkingsrede uit. Rivet meldde Huygens spottend dat Brosterhuisen diep in de schulden was overleden, zijn bibliotheek voor duizend gulden verpand was, en dat zijn vrouw dankzij hun tussenkomst uiteindelijk van minnares tot echtgenote was opgeklommen.

Na de dood van Brosterhuisen verloor de Bredase Hortus zijn functie als onderwijsinstrument. De tuin bleef nog enkele jaren bestaan als kruidentuin, maar verdween toen in 1669 de Illustere School definitief werd opgeheven.14 Toch getuigt zijn vriendschap met Huygens, evenals die met tijdgenoten als Hooft, Van Campen en Barlaeus, van de waardering die zijn intellect en persoonlijkheid opriepen. Ondanks zijn neerslachtige aard en gebrek aan zelfdiscipline werd hij gezien als een veelzijdig Renaissancemens, gedreven door een liefde voor kennis, kunst, muziek en poëzie. Huygens bleef hem steunen, niet alleen vanwege hun gedeelde idealen, maar ook omdat Brosterhuisen, bovenal, een beminnelijk en innemend mens was die zijn vrienden wist te inspireren.

Ineke Huysman, 24 december 202415

  1. Johan Brosterhuisen aan Constantijn Huygens, 12 september 1647. ↩︎
  2. W.H. van Seters, ‘Prof. Johannes Brosterhuisen, Stichter en Opziener van de Medicinale Hof te Breda’, in Jaarboek De Oranjeboom 6 (1953) 110 ↩︎
  3. W.H. van Seters, Prof. Johannes Brosterhuisen, 119. ↩︎
  4. Ad Leerintveld, Constantijn Huygens, Nederlandse gedichten 1614-1625. Deel 2. Apparaat en commentaar: [117] Aen J. van Brosterhuijsen op sijn verlang. ↩︎
  5. Het boek van Renou komt voor in de catalogus van Huygens’ bibliotheek: nr. 313, p. 48: https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/varia/catal3.html ↩︎
  6. W.H. van Seters, Prof. Johannes Brosterhuisen, 112-117. ↩︎
  7. Ibidem, 120. Het komt voor in de catalogus van Constantijn Huygens jr: nr. 714 p. 128: https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/varia/biblz1b.html ↩︎
  8. Zie: W.H. van Seters, ‘De Nederlandse uitgaven van ‘The man in the Moone’’, Het Boek. Serie 2. Jaargang 31 (1952-1954) 157-171. De Engelse en de Nederlandse versie komen voor in de catalogus van Constantijn junior, nr. 646, p. 35 en nr. 783, p. 131: https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/varia/biblz2.html#36 en https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/varia/biblz2b.html#106. ↩︎
  9. Dit werk komt ook voor in de bibliotheek van Constantijn Huygens junior voor: nr. 971, p. 56: https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/varia/biblz.html ↩︎
  10. W.H. van Seters, Prof. Johannes Brosterhuisen, 147. ↩︎
  11. Zie ook: van Alphen, ‘De Illustere School te Breda en haar boekerij’ in: Tijdschrift voor Geschiedenis 64 (1951) 277-314. ↩︎
  12. Ibidem, 281. ↩︎
  13. De redevoeringen van de Illustere School komen ook voor in de catalogus van Christiaan Huygens: nr. 213, p. 33: https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/22/cat2.html#Q ↩︎
  14. Ibidem, 312-314. ↩︎
  15. Met dank aan Ad Leerintveld. ↩︎

Mobiele versie afsluiten