Over de belangstelling van Constantijn Huygens voor parfumerie is de laatste tijd veel geschreven. Maar hoe verhield die wereld van verfijnde geuren zich tot de dagelijkse werkelijkheid van vieze luchtjes en stank? In een samenleving zonder moderne riolering en zonder onze opvattingen over hygiëne moet stank alom aanwezig zijn geweest. De vraag is: hoe werd dat ervaren, en hoe schreef men erover?
In de dagboeken van Constantijn Huygens jr. en van stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz wordt vaak melding gemaakt van onaangename geuren. Ook in correspondentie van Christiaan Huygens duikt het onderwerp op.1 Wat uit dagboeken en brieven uit de 17e eeuw naar voren komt, sluit opmerkelijk goed aan bij wat wij vandaag als vies ervaren: lichaamsgeur, slechte adem, vuile straten, modder, latrines, rottend water. Het is allemaal verrassend herkenbaar.
Christiaan Huygens: een scherpe neus in Londen en Parijs
Christiaan Huygens was bijzonder gevoelig voor de lucht om zich heen. Tijdens zijn verblijf in Londen in 1661 klaagt hij uitgebreid over de dichte steenkoolrook die in de stad hangt: zwaar, zwart en ongezond. Hij merkt op hoe het roet zich overal op afzet en gebouwen en kleding donker maakt, een voortdurende herinnering aan de verstikkende atmosfeer.
Op reis ontdekt Christiaan dat stank geen grens kent. Zoet water aan boord van schepen bederft snel en begint te ruiken. In Parijs wordt hij ’s nachts gebeten door bedluizen, terwijl ratten en muizen in zijn kamer scharrelen. Hij beklaagt zich er over de modder en dampen van de stad die hem doen verlangen naar de frisse lucht van het platteland. In Kleef moet hij tot drie keer toe van logies wisselen om een plek te vinden die minder vuil en beter te verdragen is.
Niet alleen de omgeving, ook zijn onderzoek brengt hem dichtbij nare geuren. Bij experimenten merkt hij op dat het residu van buskruit een zeer slechte geur geeft en dat de damp lang blijft hangen en zwaar op de borst slaat.
Constantijn Huygens jr.: hofleven met een luchtje
Bij Constantijn Huygens jr. speelt reuk een opvallende rol in hoe hij mensen en situaties beoordeelt. In zijn dagboeken2 noteert hij geregeld wanneer iemand of iets hem letterlijk tegenstaat, vooral in de nabijheid van het Engelse hof waar hij jarenlang verbleef als secretaris van Willem III.
Zo noteert hij roddelend dat mrs. Howard ‘een quade lucht uyt haer mondt’ heeft, tegelijk is hij bang dat hij daar zelf ook last van heeft. Over de koning schrijft hij dat er ‘vuyle, stinckende materie’ uit zijn neus liep. En ook op bepaalde plaatsen blijkt het te stinken. De markies van Winchester loopt volgens Huygens buiten zijn huis voortdurend met een servet of zakdoek voor zijn mond om ‘de quade lucht uyt te houden’. Een ander voorbeeld van een vieze, stinkende omgeving komt uit een legerkamp in Sombreffe (augustus 1692). Huygens beschrijft dat het huis waar de koning logeert ‘seer vuyl en stinckende’ is, wegens de boeren die daar hun toevlucht hebben gezocht. Bij een eerdere veldtocht in 1676 omschrijft hij zijn logies in het dorp bij Tongeren als ‘vilain et puant’.
Daar staat tegenover dat reuk ook positieve waardering kan hebben. Tijdens een van zijn reizen, ver weg van het hof, beschrijft Huygens de geur van tijm en lavendel in het landschap rond Orange als een ‘seer goeijen reuck’. Geur bepaalt hier de sfeer van een plaats, bijna als een eerste indruk van het landschap zelf.
Het zijn maar een paar voorbeelden, er zijn er talloze, maar wat deze notities zo opvallend maakt, is dat reuk voor Huygens onderdeel is van zijn sociale observatie. Niet alleen wat hij ziet of hoort, maar ook wat hij ruikt vormt een oordeel over personen, gedrag en omgeving.
Willem Frederik van Nassau-Dietz: reuk als lichamelijke afkeer en gekrenkte trots
In de dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz3 krijgt zijn beleving van geur vooral een negatieve lading. Hij noteert nauwkeurig hoe anderen ruiken en verbindt dat bijna automatisch met hun gezondheid en waardigheid. Het meest uitgesproken is hij over zijn oud-oom, stadhouder Frederik Hendrik. Zijn adem is ‘heel vielein’, zodanig dat men er ‘geïnkommodeert’ door raakt, vooral in de ochtend. Zijn lichaam ruikt volgens Willem Frederik ‘muffs en sweterich’ en hij noemt hem ‘heel vuil en vet’. Stank wordt zo een manier om de lichamelijke aftakeling van een machtige oude man te registreren; iemand van wie hij afhankelijk is, maar voor wie op dat moment hij nog maar weinig bewondering voelt.
Ook anderen in zijn omgeving blijven niet buiten schot. Over Amalia van Solms noteert hij dat zij ‘heel sterck roock uyt de mont’. Tegelijkertijd laat hij merken dat hij ook op zijn eigen uitwasemingen let. Zo neemt hij in 1647 sennebladeren in, officieel bedoeld om te laxeren, maar volgens zijn aantekening ook in de hoop dat het zijn adem verfrist.
Die lichamelijke afkeer krijgt ook vorm in zijn opmerkingen over de prins van Talmont, over wie gezegd wordt dat hij ‘soo stonck’ en dat een kamer waarin hij verbleef ‘soo leelijck roock’. Dat is geen neutrale observatie. Talmont was eerder Willem Frederiks rivaal geweest in de hoop de hand te krijgen van Louise Henriette, dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, ook al was Talmont daar niet in geslaagd omdat Amalia hem beneden haar stand vond. Willem Frederik geeft hier af op iemand die hem ooit in de weg stond; de beschrijving van stank fungeert als wapen van rancune en beschadigd eergevoel.
Het wordt nog persoonlijker wanneer Willem Frederik op 29 april/9 mei 1649 noteert dat hij het ‘lijff geroocken’ had van prinses Louise Henriette, dat ‘wat sterck’ rook, en dat zij van dichtbij ‘naebij gheen fray vel ofte tain’ had. Zij was inmiddels getrouwd met de keurvorst van Brandenburg en allang buiten zijn bereik. Over de keurvorst zelf noteert Willem Frederik dat hij aan het hof als ‘soo lelijck’, ‘grof en vet’, ziekelijk en zwak van karakter werd gezien, geneigd tot grove gesprekken en geregeld dronken. Zijn woorden verraden teleurstelling, gekrenkte trots en een wrange poging zichzelf te overtuigen dat hij aan Louise Henriette niets had gemist.
Ook de stank van het dagelijks leven ontgaat hem niet. Over waterputten schrijft hij: ‘Als een put ofte back stinckt, moet men hem lucht geven, soo vergaet de reuck’. Over de loopgraven in de Tachtigjarige Oorlog noteert hij hoe het er ‘slijckerich’ is en hoe de lucht er zwaar en onaangenaam kan zijn. Wanneer hij er zijn diamanten ring verliest, wijt hij dat aan ‘sooveul sant ende vuilicheit daer was’: modder, stof, stank, nabijheid van soldaten en paarden.
Wat deze notities vooral laten zien: voor Willem Frederik ligt reuk dicht bij emotie. Walging, machteloosheid en soms rancune klinken mee in in zijn beschrijvingen. Wie onaangenaam ruikt, kan hij klein maken. De beleving van geur wordt zo voor hem een middel om zichzelf te beschermen in een wereld waarin hij zich vaak kwetsbaar voelt.
Ten slotte
Deze voorbeelden laten zien dat de perceptie van geur in de 17e eeuw geen bijkomstigheid was, maar iets wat heel nadrukkelijk werd ervaren. Tegelijkertijd zijn het vooral de observaties van personen uit de sociale bovenlaag die ons hierover informeren. Het zijn hun gedachtes, indrukken en gevoeligheden die zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En dat terwijl zij zelf tot de bevoorrechte groep behoorden, met toegang tot parfum, geurige waters en manieren om vieze luchtjes te maskeren. Wat het betekende voor de velen die die middelen níet hadden, laat zich raden.
Ineke Huysman, 10 december 2025
- Bron: Oeuvres Complètes van Christiaan Huygens, 22 delen: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=huyg003oeuv00. ↩︎
- Bron: Journalen 1673-1696 van Constantijn Huygens jr.: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=huyg007jour01 ↩︎
- Bron: Gloria Parendi, dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=will077glor01 ↩︎

