Op 26 juni 1638 schreef Constantijn Huygens vanuit Noordgeest (bij Bergen op Zoom) een brief vol militair nieuws aan Amalia van Solms, de echtgenote van zijn werkgever, stadhouder Frederik Hendrik. Die brief sluit verrassend goed aan bij de tentoonstelling Van Dyck, the European in Genua. Huygens berichtte over gevangenen, losgeld, Spaanse officieren, nieuws uit Frankrijk en de nasleep van een mislukte veldtocht in het Waasland.
Maar tussen al dat oorlogsnieuws door maakte hij ineens een overgang naar iets heel anders. De dag daarvoor, zo schreef hij, was ‘Monsieur Goringh’ aangekomen. Het ging hier om Lord Goring. Deze had portretten bij zich van Karel I en Henriëtta Maria, de koning en koningin van Engeland, geschilderd door Anthony Van Dyck. Huygens liet Amalia weten dat Frederik Hendrik de schilderijen had gezien en goedgekeurd. Zelf was hij diep onder de indruk. Hij schreef dat hij zelden een werk van Van Dyck van deze kwaliteit had gezien. Vooral de weergave van de kleding bewonderde hij. De stoffen leken bijna tastbaar. Ook de sieraden van de koningin vielen hem op, net als haar nauwelijks bedekte hals en boezem.
Dat detail is interessant omdat Huygens hier niet alleen schrijft als secretaris van Frederik Hendrik, maar ook als kunstkenner. Hij kende Van Dyck bovendien persoonlijk. Op 28 januari 1632 had hij zelf voor hem geposeerd. Een geschilderd portret van Huygens door Van Dyck is niet bewaard gebleven, maar Paulus Pontius maakte wel een kopergravure naar het prototype, die werd opgenomen in Van Dycks Iconographie. Huygens wist dus heel goed wie Van Dyck was en wat zijn werk bijzonder maakte.
Voor Amalia was vooral van belang dat Frederik Hendrik de portretten had goedgekeurd en dat ze zo snel mogelijk naar Huis ter Nieuburch in Rijswijk moesten worden gebracht. Dat de schilderijen juist in Rijswijk terechtkwamen, is veelzeggend. Huis ter Nieuburch was tussen 1630 en 1634 gebouwd als representatief paleis van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Daar functioneerden de verzamelde portretten niet alleen als versiering. Ze lieten zien met wie de Oranjes verbonden waren. Een vorstengalerij maakte familiebanden, diplomatieke relaties en politieke ambities zichtbaar.
De keuze voor portretten van Karel I en Henriëtta Maria lag voor de hand. De banden tussen de Oranjes en de Stuarts waren nauw. Amalia van Solms had een bijzondere band met Elizabeth Stuart, de zus van Karel I en de echtgenote van Frederik V van de Palts, bij wie ze voor haar huwelijk met Frederik Hendrik als hofdame in dienst was geweest. Enkele jaren later werden de relaties nog sterker bezegeld door het huwelijk van Willem II, de zoon van Frederik Hendrik en Amalia, met Maria Henrietta Stuart, de dochter van Karel I en Henriëtta Maria. Dat huwelijk vond plaats op 2 mei 1641.
In de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven is het verhaal van deze portretten uitgewerkt door Katlijne Van der Stighelen, een van de grote Van Dyck-experts en samen met Anna Orlando curator van de tentoonstelling Van Dyck, the European in het Palazzo Ducale in Genua. In haar artikel in de bundel laat ze zien dat de schilderijen die Huygens in 1638 in Noordgeest zag, kunnen worden geïdentificeerd met de levensgrote pendanten van Karel I en Henriëtta Maria die nu op Schloss Oranienburg worden bewaard. Op de tentoonstelling in Genua zijn deze twee portretten niet te zien, maar wel een ander portret van het Engelse koningspaar.
Van Dyck, the European
Van Dyck, the European is een indrukwekkende tentoonstelling. Dat begint al bij de locatie. Het Palazzo Ducale is op zichzelf al een bezoek waard: groots, chic en ruim, zonder dat de schilderijen daardoor verdwijnen. Integendeel, de zalen geven de werken precies de ruimte die ze nodig hebben. De tentoonstelling begint met een overzichtelijke tijdlijn van Van Dycks leven en loopbaan. Meteen daarna zie je hoe vroeg zijn talent zichtbaar was, onder meer in een prachtig zelfportret dat hij al als tiener schilderde.
De tentoonstelling is overzichtelijk opgebouwd rond verschillende thema’s, periodes en locaties uit Van Dycks loopbaan: Vlaanderen, Genua en Engeland, maar ook familie, religie, hofcultuur, vrouwenportretten en internationale representatie. Wat goed zichtbaar wordt, is hoe Europees Van Dyck werkelijk was. Zijn basis lag in Vlaanderen, waar hij al jong naam maakte in de omgeving van Rubens en zich ontwikkelde tot een uitzonderlijk begaafde schilder van portretten en religieuze voorstellingen. Dat vroege zelfportret laat meteen zien hoe zelfbewust hij toen al was. In Genua gaf hij de aristocratie vervolgens een vorstelijke uitstraling, met lange figuren, zwierige gewaden, trappen, zuilen en gordijnen. In Engeland werd hij de schilder van Karel I, Henriëtta Maria en hun hof. Daar ontwikkelde hij een beeldtaal die tot ver buiten Engeland herkenbaar bleef.
De tentoonstelling bevat prachtige werken, ook uit particuliere collecties, en daardoor zie je schilderijen die je niet snel elders tegenkomt. Er zijn grote portretten, religieuze schilderijen, studies, familieportretten en een paar echte verrassingen. Een van de meest ontroerende werken vond ik het kleine portret van de prinsessen Elizabeth en Anne, dochters van Karel I en Henriëtta Maria. Het gaat om een olieverfschets uit 1637, gemaakt ter voorbereiding op het grote groepsportret van de vijf oudste kinderen van het Engelse koningspaar. Op de oude inscriptie wordt het jongste kind ten onrechte aangeduid als Henry, Duke of Gloucester. In de tentoonstelling is dit rechtgezet: het gaat om Anne, de jongste dochter van Karel I en Henriëtta Maria. Anne stierf al in 1640. Ook Elizabeth werd niet oud: zij stierf in 1650, veertien jaar oud, in Carisbrooke Castle op het Isle of Wight, waar ze gevangen werd gehouden na de executie van haar vader. Juist doordat het zo klein is, komt dat portret dichtbij. Elizabeth draagt een parelketting, waardoor je meteen ziet in welke wereld ze thuishoort. Tegelijk blijven het kinderen. Van Dyck kon pracht en status schilderen, maar ook kwetsbaarheid. Dat maakt dit werk zo ontroerend.
Ook de vrouwenportretten behoren tot de mooiste onderdelen van de tentoonstelling. Van Dyck schilderde vrouwen niet als bijfiguren in een mannelijk hofverhaal, maar als dragers van status, smaak en karakter. Dat zie je in de portretten van de adellijke vrouwen, maar ook in de werken waarin zijn eigen leven dichterbij komt. Bijzonder is bijvoorbeeld zijn tekening van Margaret Lemon, die bekendstaat als zijn minnares en model.
Daartegenover staat Mary Ruthven, Van Dycks vrouw, afkomstig uit een Schotse adellijke familie en hofdame van koningin Henriëtta Maria. Volgens latere overlevering zou Karel I hebben aangedrongen op dit huwelijk, mogelijk omdat hij Van Dycks verhouding met Margaret Lemon onwenselijk vond. Ook dat maakt de tentoonstelling boeiend: naast de grote dynastieke portretten van koningen, koninginnen en prinsenkinderen zie je hoe vrouwen rond Van Dyck zelf – als model, minnares, echtgenote of vorstelijke opdrachtgever – deel werden van zijn beeldwereld.
Voor mijzelf was het bijzonder om het levensgrote portret van Henriëtte van Lotharingen in het echt te zien. Zij was de schoonzus van Béatrix de Cusance, een goede vriendin van Constantijn Huygens, en bovendien een vrouw met wie Béatrix bepaald geen eenvoudige verhouding had. Van Dyck schilderde Béatrix de Cusance in dezelfde periode, al is dat portret niet in deze tentoonstelling te zien. Juist daardoor werd Henriëtte van Lotharingen voor mij een soort onverwachte persoonlijke schakel in de tentoonstelling: ineens kwamen Van Dyck, Huygens, de Lotharingse hofwereld en mijn eigen eerdere onderzoek bij elkaar.
Op de tentoonstelling hangt ook een prachtig duoportret van Karel I en Henriëtta Maria. Dat zijn dus niet de pendanten die Huygens in 1638 in Noordgeest zag, maar het portret roept wel dezelfde wereld op: die van het Engelse hof en de internationale reputatie van Van Dyck.
Terug naar de portretten voor Frederik Hendrik en Amalia
Met die hofwereld in gedachten keren we terug naar Van Dijcks portretten van Karel I en Henriëtta Maria die in 1638 via Lord Goring naar Frederik Hendrik en Amalia kwamen. Waarschijnlijk werden ze vanuit Londen overgebracht en vanwege hun grote formaat opgerold vervoerd. Huygens twijfelde niet aan de eigenhandigheid van de schilderijen. Voor hem waren het werken van Van Dyck zelf, gemaakt in vorstelijke opdracht en bestemd voor een vorstelijke omgeving.
Palaces and Gardens Foundation Berlin-
Brandenburg / Roland Handrick.
Later is daar door sommigen genuanceerder naar gekeken. Oliver Millar omschreef de pendanten in Oranienburg als ‘repetitions’. Dat hoeft niet te betekenen dat Van Dyck er geen aandeel in had. Bij tweede versies kon het atelier de compositie overnemen, waarna Van Dyck zelf de afwerking verzorgde. Juist wat Huygens bewonderde – de tastbaarheid van de kostuums en de glans van de juwelen – past goed bij zulke laatste ingrepen van zijn hand.
Hoe dan ook zijn de portretten belangrijk. Ze behoren tot de oudste staatsieportretten van Karel I en Henriëtta Maria die op het vasteland arriveerden. Ze hielpen mee om het beeld van het Engelse koningspaar in Europa te verspreiden. In 1702 werden ze geïnventariseerd in Slot Honselaarsdijk, waar ze in 1742 nog steeds waren. Daarna kwamen ze terecht in de Bildergalerie van Schloss Sanssouci in Potsdam en uiteindelijk in Schloss Oranienburg.
De brief van Huygens aan Amalia van Solms laat goed zien hoe kunst, diplomatie en familiepolitiek in de zeventiende eeuw met elkaar verbonden waren. Wat hij aan Amalia meldt, lijkt op het eerste gezicht een praktisch bericht: Goring is aangekomen, Frederik Hendrik heeft de portretten gezien, ze moeten naar Rijswijk. Maar daarachter schuilt een groter verhaal. De portretten waren geschenken, zichtbare schakels in een Europees netwerk van vorstenhuizen.
Precies dat maakt de tentoonstelling in Genua zo sterk. Van Dyck verschijnt er niet als schilder van één stad of één hof, maar als kunstenaar van een Europese elite die zichzelf presenteerde. Voor mij maakte dat de brief van Huygens aan Amalia nog interessanter. Door de tentoonstelling zag ik nog duidelijker wat er in juni 1638 eigenlijk in Noordgeest gebeurde: niet alleen de aankomst van twee schilderijen, maar de komst van het Engelse hof in beeldvorm naar de wereld van Frederik Hendrik en Amalia van Solms.
Wie deze zomer naar Italië of Zuid-Frankrijk op vakantie gaat moet snel zijn. De tentoonstelling is beslist een bezoek waard. Mijn overzicht met eigen en niet altijd even perfecte foto’s geeft maar een kleine en heel persoonlijke selectie van wat er te zien is. Van Dyck, the European is nog tot en met 19 juli te zien in het Palazzo Ducale in Genua. Het stuk van Katlijne Van der Stighelen over Huygens en Van Dyck is terug te vinden in het boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven.
Ineke Huysman, 14 juni 2026

