Blogs

Brieven van Constantijn Huygens uit het Rampjaar 1672

Mijnheer,

Haere Hooch.t seght haere intentie niet te zijn van alhier eenighe Fransche sauvegardes te ontbieden, maer alleen door den heere De Pomponne te doen versoecken, ingevalle het gebeurde dat eenige van des Conings trouppen in Den Hage moghten komen, zijnde een open plaetse, daeruyt Haere Hooch.t wegens haeren ouderdom ende indispositie niet en kan vertrecken, sooals vele andere doen. Dat vanwegen S.M. ordre moghe werden gestelt, teneinde haer persoon, huys ende goederen van allen overlast bevrijet blijven, sulx Haere Ho. vertrouwt dat haer met geene reden qualick kan werden afgenomen. Ende U.W.E. werdt gebeden de sake in sulcker voegen voor te dragen. Ick ben, mijnheer, U.E. ootmoedige dienaer, C. Huygens

De hierboven geciteerde brief van Constantijn Huygens, die wordt bewaard bij Fondation Custodia in Parijs, is niet gedateerd. Hij moet vrijwel zeker geschreven zijn in 1672, in ieder geval nadat de Fransen in april van dat jaar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waren binnengevallen. Ook de ontvanger van de brief is onbekend, maar het moet een Nederlander zijn geweest met toegang tot het Franse hof. Mogelijk was dit Pieter de Groot, van 20 mei 1670 tot 23 maart 1672 ambassadeur in Frankrijk en op 27 juni van datzelfde jaar als extraordinaris gedeputeerde naar de Franse koning gezonden om te onderhandelen.

Het is een opmerkelijke brief, want Huygens anticipeert erin op een mogelijke Franse bezetting van Den Haag, waarbij zijn werkgeefster Amalia van Solms, de weduwe van stadhouder Frederik Hendrik en grootmoeder van stadhouder Willem III, gevaar loopt. Hij verzoekt de ontvanger van zijn brief er bij de Franse minister Simon-Nicolas d’Arnault, markies De Pomponne, op aan te dringen dat zij in dat geval met rust gelaten zal worden. Ze is immers te oud en in een te slechte conditie om te kunnen vertrekken. Gelukkig zou het allemaal niet nodig zijn, want de Fransen zouden Den Haag nooit bereiken.

Zuilichem

Huis te Zuilichem, gezien van de overzijde van de Waal, door Constantijn Huygens junior, 1679, Rijksmuseum.

Ook Huygens’ eigen bezittingen liepen gevaar. Kasteel Zuilichem in de Bommelerwaard, waarvan hij sinds 1630 de eigenaar was, lag midden in de gevarenzone. Huygens wijdde er enkele brieven aan, onder andere twee aan de Franse legeraanvoerder Henri de la Tour d’Auvergne, ‘le grand Turenne’, kleinzoon van Willem van Oranje, met het verzoek zijn eigendom te sparen. Huygens kende de vermaarde krijgsheer nog goed uit de tijd dat deze in dienst was van het Staatse Leger.

Zuilichem werd inderdaad met rust gelaten, vermoedelijk vanwege de goede betrekkingen met de Fransen, niet alleen vanwege vader Constantijn maar ook vanwege zoon Christiaan, die op dat moment een prominente positie bij de Académie Royale des Sciences te Parijs bekleedde.

In totaal zijn er tachtig brieven van Huygens’ correspondentie bewaard gebleven uit 1672. Enkele gaan over ‘Rampjaar’-gerelateerde zaken, maar veel ook niet. Huygens’ andere bezigheden gingen gewoon door. Opmerkelijk genoeg komt de moord op de gebroeders De Witt geheel niet ter sprake. Het jaar 1672 was overigens voor Constantijn Huygens persoonlijk beslist geen rampjaar, maar een positief keerpunt: de positie van de Huygens-familie kreeg een boost: er kwam opnieuw een stadhouder, een Oranje-Nassau, aan de macht.

Ineke Huysman, 22 juli 2022


De bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest, Uitgeverij Catullus 2022) bevat meer informatie over Huygens’ correspondentie en ook over zijn relatie met de Oranje-Nassaus.

Huygens en Van Leeuwenhoek

I could not forbear by this occasion to give you this character of the man, that he is a person unlearned both in sciences and languages and specially, a most αγεωμέτρητός philosopher, but of his own nature exceedingly curious and industrious.

(Ik kan deze gelegenheid niet voorbij laten gaan om u de volgende karakterisering te geven van de man. Hij heeft niet gestudeerd noch in de wetenschappen, noch in talen, en is in het bijzonder een filosoof die niets van meetkunde weet. Maar hij is van nature buitengewoon nieuwsgierig en ijverig)

Dit schreef Constantijn Huygens op 8 augustus 1673 over Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723) aan Robert Hooke (1635-1703), toen ‘curator of experiments’ van de Royal Society in Londen. Huygens zond hem bij deze gelegenheid Van Leeuwenhoeks observaties van de angel van de bij. Hij is bovendien heel enthousiast over de ‘tubuli’ (buisjes, kanaaltjes) die Van Leeuwenhoek met zijn microscope had ontdekt in allerlei soorten hout.

Nadrukkelijk noemt Huygens Van Leeuwenhoek in deze brief ongeletterd en zelfs ‘a most ‘αγεωμέτρητός philosopher’, een zeer a-geometrische filosoof. Dit stukje citaat met het Griekse woord erin, heeft J.A. Worp, de editeur van de vroeg twintigste-eeuwse editie van de Huygens correspondentie, niet opgenomen. Wat jammer is, want juist deze paar woorden preciseren Huygens’ karakterisering van Van Leeuwenhoek én Huygens zelf. Huygens haalt met het woord ‘αγεωμέτρητός’ de spreuk aan die boven de ingang van de Academie van Plato stond gebeiteld: ‘Αγεωμέτρητός μηδείς είσίτω’, (‘laat niemand zonder meetkundige kennis hier binnentreden’). Volgens Plato begint alle wetenschap met de wiskunde, waaronder begrepen is de rekenkunde, de meetkunde, de sterrenkunde en de harmonieënleer. Huygens vindt dat Van Leeuwenhoek dus geen toegang heeft tot de wetenschap. Hij is geen filosoof, maar een nieuwsgierige, handige ambachtsman. We moeten Huygens’ aanduiding ‘αγεωμέτρητός’ dan ook niet letterlijk opvatten, alsof hij meent dat Van Leeuwenhoek, die nota bene opgeleid was tot landmeter, geen wiskunde zou kennen. Met zijn geleerde citaat in het Grieks beklemtoont Huygens de kloof tussen de geleerde wetenschap van hemzelf en Hooke en de aangeboren nieuwsgierigheid en de ijver van de ambachtsman Van Leeuwenhoek.

Antoni van Leeuwenhoek. Messing enkelvoudige microscoop. Leiden, Museum Boerhaave.

Verderop in zijn brief aan Hooke benadrukt Huygens de vaardigheden van Van Leeuwenhoek. Hij wijst erop hoe hij de ’tibuli’ in het hout heeft ontdekt: Van Leeuwenhoek maakt dunne sneetjes in de rand van een houten kistje, haalt daar een dun schijfje (‘of’, zegt Huygens ‘een film, zoals jullie dat, denk ik, noemen’) vanaf, en plaatst dat op de naald van zijn kleine ‘microscope’. Dit microscoopje noemt hij ‘a machinula of his owne contriving and workmanship in bras’(‘een werktuigje van eigen vinding en vaardigheid in messing’). Door zijn microscoop kan Van Leeuwenhoek deze kanaaltjes zo goed zien dat hij, zo schrijft Huygens naar Londen, heel goed duidelijk kan maken hoe via deze klepjes het sap bovenin de boom kan komen. Hij heeft ‘this fine fagot of crystal pipes’ (‘deze bundel van kristalheldere buisjes’) zo door Van Leeuwenhoeks ‘microscope’ beter kunnen zien dan objecten die liggen onder een staande microscoop.

Met deze brief was Huygens de tweede geleerde Nederlander die Van Leeuwenhoek introduceerde bij de Royal Society in Londen. De Delftse arts Reinier de Graaf (1641-1673) was hem in april 1673 voorgegaan met een brief aan Henry Oldenburg, secretaris van het genootschap. De Graaf overleed echter in augustus 1673, waarna Van Leeuwenhoek Huygens verzocht een goed woordje te doen in Londen. Huygens’ bemiddeling heeft Van Leeuwenhoeks carrière voortgeholpen. Hij werd de auteur met de meeste bijdragen in de Philosophical Transactions, het wetenschappelijke tijdschrift van de Royal Society. Van Leeuwenhoek was buitengewoon ingenomen met deze wetenschappelijke erkenning, die zelfs in 1680 leidde tot de eervolle benoeming tot fellow van het genootschap. Deze heuglijke gebeurtenis was voor Van Leeuwenhoek aanleiding om zich door zijn Delftse plaatsgenoot Jan Verkolje op doek te laten vereeuwigen.

Jan Verkolje, Portret van Anthoni van Leeuwenhoek. Delft 1680. Olieverf op doek. Amsterdam, Rijksmuseum

Hierop is Van Leeuwenhoek wel degelijk een wetenschapper, een geometricus! Hij heeft een meetkundig instrument, een passer, in de hand. Voor hem op tafel ligt de door koning Karel II ondertekende akte van benoeming tot fellow. Dezelfde Verkolje maakte in 1686 reproductieprenten van dit portret die Van Leeuwenhoek gebruikte voor zijn public relations.

Jan Verkolje, Portret van Antoni van Leeuwenhoek. Lid van de Koninklijke Sociëteit in Londen. Mezzotint 1686. Rijksmuseum Amsterdam.

Had Van Leeuwenhoek op het schilderij een passer in de hand, op de prenten is die vervangen door een echt Van Leeuwenhoek microscoopje. Het instrument waardoor hij beroemd was geworden.

Huygens schreef op 29 januari 1686 een gedicht ‘Op de print van Ant. Leeuwenhoeck’ dat onder de prent door Jan Verkolje werd gegraveerd:

Daer leeft een aerdigh Man, een vaerdigh Man en gauw,

Die wisse wondren teelt, en heeft Natur’ in’t nauw,

Doorkruijpt all haer geheim, en opent all haer Sloten:

Sijn’ Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten,

Noch kan ontschieten. Dit ’s die dappre Man niet: maer

Siet scherp toe, die hem soekt; ’t gelijckt hem of hij ’t waer.

                                                                                              CONSTANTER

Treffend noemt Huygens de microscoopjes van Van Leeuwenhoek ‘glazen sleuteltjes’, waarmee hij alle geheimen van de natuur heeft ontsloten. Geen geheim kon of kan aan hem ontsnappen.

Over de relatie Huygens – Van Leeuwenhoek is meer te lezen in de mooie, pas verschenen biografie door Dirk van Delft, Onzichtbaar leven. Antoni van Leeuwenhoek en de wondere wereld van de microbiologie. (Amsterdam, Prometheus 2022). Ik heb hier voor dit blog dankbaar gebruik van gemaakt. Van de correspondentie tussen Van Leeuwenhoek en Constantijn Huygens zijn zeven brieven van Van Leeuwenhoek bewaard gebleven. Drie ervan waren nog onbekend aan de editeur J.A. Worp. Ze zijn nu alle zeven opgenomen in de database van het project Huygens’ Briefwisseling Online. De bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest, Uitgeverij Catullus 2022) bevat meer informatie over Huygens’ correspondentie en ook over zijn wetenschappelijke belangstelling.

Ad Leerintveld, 21 juli 2022

Een giftich present

Edel heer,

Dese tongh sal dienen om uyt te spreeken den iever, die ick hebbe om U.l. Edelheyt te comen welcom heeten, mijnen dinst presenteren ende door dit giftich present mijn jonghe fortuyn in u gratie te vervoorderen. Dewelcke ick becomen hebbende, sal ghenoechsamen prijs mijnen arbeyt toeschrijven, wiens handen veerdich sijn om met meerder weerdicheyt u ende uwe te believen, als ootmoedieghen dienaer,

Laurens Craen

Brief van Laurens Craen aan Constantijn Huygens, 1648, Koninklijke Bibliotheek, KA 42-aa, nr. 95

Dat schreef de Middelburgse stillevenschilder Laurens Craen (1620-1670) in 1648 aan Constantijn Huygens, waarbij hij hem een kunstwerk stuurde. Craen stond op dat moment nog aan het begin van zijn carrière en zocht een afzetmarkt. In de tweede brief van Craen aan Huygens spreekt hij dat letterlijk uit en vraagt hij hem zijn werk bij het stadhouderlijk echtpaar te willen aanbevelen:

versouck seer gedienstich dat Sin Ed. mij gelieft te houden in recommandatie, om, offer bij gelegenheyt ijts voorviel, voor Sijn Hoogheyt ofte mevrou de Princesse met mijn kunst te konnen dienen; sal mij aengenaem wesen, ’tselfde uyt Sijn Edelheyt te mogen verstaen.

Het lijkt erop dat het Craen niet is gelukt een opdracht van de Oranjes te krijgen, want zijn werk komt niet voor in de inventarissen van de stadhouders. Constantijn Huygens nam het schilderij dat Craen hem zond vermoedelijk wel aan. In de verkoopcatalogus van Huygens’ nalatenschap wordt onder nummer 45 ‘Een stilleeven met vruchten etc. door L. Craan’ aangeboden.[1] Om welk werk het precies gaat is niet duidelijk, er zijn veel stillevens met vruchten van Laurens Craen bewaard gebleven.

Dit jaar eindigt de database met de nog bestaande correspondentie van Constantijn Huygens zijn voltooiing. Ook is inmiddels de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven verschenen.

Ineke Huysman, 17 juni 2022


[1] Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof (proefschrift Universiteit van Amsterdam 2010), 88-89.

Hongaars koninginnewater

Loderein, een verbastering van eau de la Reine, is een reukwater op alcoholbasis met rozemarijn als belangrijkste ingrediënt. Het werd vroeger veel gebruikt, zowel om te verfrissen als om te genezen. De oorsprong van de benaming is terug te voeren tot de echtgenote van koning Karel Robert I van Hongarije, Elizabeth van Polen (1305-1380), voor wie het als eerste zou zijn gemaakt om haar van haar hoofdpijn te verlossen. Het reukwater was zeer populair in de 17e eeuw. Aan het hof van Lodewijk XIV was het een favoriet product. In Nederland gebruikte men zogenaamde lodereindoosjes, die een met het geurwater besprenkeld sponsje bevatten om een aangename, verfrissende geur te verspreiden. Ook Constantijn Huygens was een liefhebber van dit water, dat hij in zijn documenten eau d’Hongrie noemt. Hij experimenteerde veel met planten en kruiden, zo maakte hij er recepten mee en creëerde hij geuren. Daarover onderhield hij contact met een netwerk van geïnteresseerde mannen én vrouwen, meestal via brieven.

Constantijn Huygens aan Henry Oldenburg, 26 januari 1677, Royal Society London, MS. H 3, no. 35.

Een brief van Huygens aan Henry Oldenburg (1618-1677), secretaris van de Royal Society, verschaft meer inzicht in Huygens’ kennis van dit specifieke geurwater. Zo beschrijft hij dat het perfecte recept behalve alcohol alleen de bloemblaadjes van de rozemarijnplant mag bevatten en beslist geen groene naalden. De bloemen moeten bij voorkeur uit de buurt van Orange in Zuid-Frankrijk afkomstig zijn, aangezien de kwaliteit van de plant daar het meest optimaal is. Toch is Huygens wel benieuwd hoe het reukwater zich zal gedragen op basis van de rozemarijn die in Engeland groeit, aangezien hij weet dat de plant daar ook welig tiert. Hij vraagt Oldenburg dan ook om hem wat bloemen op te sturen, zodat hij het kan vergelijken.

Henry Oldenburg, door Jan van Cleve, Royal Society, Wikimedia Commons.

Huygens vertelt ook dat zijn ziekelijke zuster Geertruyd, inmiddels de zeventig gepasseerd, veel baat heeft bij dit water en van het ene op het andere moment hersteld lijkt te zijn wanneer zij het heeft gedronken. Haar polsslag is dan weer subiet rustig en stabiel. Huygens voegt eraan toe dat Robert Boyle (de bekende Engelse wetenschapper, ook lid van de Royal Society) hem er wel om zal uitlachen als hij hoort dat hij zich verlaagt tot dit soort details. Maar hij wijst erop dat de geneeskrachtige werking van het water is bevestigd, enerzijds door de positieve ervaring van zijn zuster en anderzijds door zijn zoon Christiaan, die het hem heeft aangeraden. In zijn brief aan Oldenburg noemt Huygens overigens niet Moise Charas, de Franse apotheker en botanicus afkomstig uit Orange, met wie hij zich al eerder in contact had gesteld over dit reukwater en andere geneeskrachtige recepten. Oldenburg noteert weliswaar: ‘The method of making true Hungary water’ bovenaan de brief, maar het is niet bekend of hij en Huygens verder nog over dit onderwerp contact hebben gehad.

Eind achttiende eeuw raakte de geur enigszins in de vergetelheid door de opkomst van een ander beroemd water: eau de Cologne. Tegenwoordig wordt rozemarijn veel toegepast in de aromatherapie, die het een opwekkende invloed toekent en inzet tegen allerlei kwalen, waaronder hoofdpijn. Ook bestaan er nog steeds parfumhuizen zoals Fragonard en Maison Nicolas de Barry die de geur in hun assortiment hebben.

Ineke Huysman, 3 juni 2022


Dit jaar eindigt de database met de nog bestaande correspondentie van Constantijn Huygens zijn voltooiing. Ook is inmiddels de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven verschenen.

Bericht uit het leger aan Amalia van Solms

In de periode dat Constantijn Huygens stadhouder Frederik Hendrik vergezelt op zijn veldtochten tegen het Spaanse leger, schrijft hij Amalia van Solms vrijwel dagelijks. In zijn brieven houdt hij haar op de hoogte van de voortgang van het leger en het welzijn van haar echtgenoot. Soms maakt hij van de gelegenheid gebruik om ook andere zaken aan te kaarten.

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, 18 juni 1639. Koninklijke Verzamelingen, Archief Amalia van Solms, A14a-IIIc-1.

Op 18 juni 1639 schrijft hij haar dat men de dag daarvoor bij Baarland (in het land van Goes) de Westerschelde is overgestoken en bij Philippine (in het huidige Zeeuws-Vlaanderen) aan land is gekomen. De Prins is dadelijk op zijn paard geklommen en heeft ’s avonds nog een wandeling over de zeedijk gemaakt. Deze morgen is hij richting Sas van Gent vertrokken om te beoordelen of het nabijgelegen dorp Assenede geschikt is om het kampement op te slaan. De berichten over de gevechten tussen de Fransen en de Spanjaarden zijn niet bijster positief.

Adriaen Hanneman, Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, 1640, Mauritshuis Den Haag.

Daarna gooit Huygens het over een andere boeg en schrijft hij Amalia hoe blij hij is dat zij het portret van hem en zijn kinderen heeft willen aanschouwen. Hij hoopt dat ze er nu mee wil instemmen dat de schilder een portret van prins Willem mag maken, waarvan hij daarna een kopie in koper wil laten vervaardigen. Het portret met Huygens’ kinderen hangt nu in het Mauritshuis, een koperen portret van Willem II is niet (meer) bekend.

In het gelijknamige boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven zijn een andere brief van Constantijn aan Amalia en afzonderlijke portretten van de Huygens familie te zien.

Ineke Huysman, 29 mei 2022

Op blaren lopen in Engeland

In 1618 vertrekt de tweeëntwintigjarige Constantijn Huygens voor het eerst naar Engeland. Hij blijft er voor een periode van ‘drie zoete maanden’ (alhoewel hij er volgens zijn brieven van juni tot en met oktober is), onder begeleiding van Sir Dudley Carleton (1573-1632). Het is tijdens dit bezoek dat hij vloeiend Engels leert spreken, en hij geeft ons de tip om bij het leren van een taal een basis aan te leggen met behulp van boeken, waarop je kunt bouwen in het land van de taal.[1]

Constantijn beschrijft in zijn autobiografie Mijn leven verteld aan mijn kinderen (1678) dat hij tijdens dit bezoek ook een uitstapje heeft gemaakt naar Oxford en de Bodleian Library aldaar. Volgens zijn briefwisseling vond dit eind juli plaats. Ook doet hij verslag van zijn volgende uitstapje dat hem in september naar Cambridge leidt onder begeleiding van Sir William Heydon (1579-?). In geuren en kleuren beschrijft hij zijn bezoek, maar hij wijdt minstens evenveel woorden aan Heydon zelf. De beste man was namelijk tijdens een gevecht zijn linkerhand kwijtgeraakt, waardoor hij zich met een ijzeren exemplaar moest behelpen. Constantijn schrijft echter: ‘het gemis wist hij zo goed te maskeren dat als hij het niet zelf eerlijk onthuld had, ik altijd zou hebben gedacht dat hij nog beide handen had. Hij […] had die door oefenen en uit oefening verkregen gewenning zo leren bewegen dat de functie van de verloren linkerhand precies werd nagedaan.’[2] Dit moet een grote indruk op hem hebben gemaakt, zeker als hij het zestig jaar later nog zo enthousiast beschrijft.

James VI en I ca. 1620, door Paul van Somer I, Royal Collections, Wikimedia Commons.

Over zijn eerste verblijf in Engeland schrijft Constantijn verder nog dat hij koning Jacobus I (James VI in Schotland en James I in Engeland; 1566-1625) heeft mogen ontmoeten, wat volgens zijn briefwisseling op 10 juli plaatsvond. Hij schrijft in een brief dat hij op 17 september zelfs luit heeft mogen spelen voor de koning. Ook noteert Constantijn met welk een enorme gastvrijheid hij overal is ontvangen.[3] Het is duidelijk dat hij positieve herinneringen heeft overgehouden aan de reis. Uit de brieven aan zijn ouders blijkt echter dat het hem niet alleen maar meezat. Zo overlijdt tot zijn grote verdriet zijn zusje Catharina (1601-1618) en ook laat zijn gezondheid het erg afweten. Op 1 juli 1618 schrijft hij zijn ouders nog: ‘Gelukkig ben ik gezond; ziek zijn zou hier ook dubbel onaangenaam en kostbaar zijn, omdat ik even ver van Londen af woon als Den Haag van Delft ligt.’[4]

Een paar dagen later al is daar grote verandering in gekomen. Op 8 juli schrijft hij namelijk aan zijn ouders dat hij zich al enige tijd niet goed voelt: ‘Ik heb een erge zweer aan mijn hiel, daar kwam koorts bij en ik sliep slecht. Maar nu heb ik het ding met eene naald doorgestoken en voel mij oneindig veel beter.[5] Barend Haeseker verklaart in Vileine hippocraten dat Constantijn die blaren heeft opgelopen door zijn lange wandeltochten tussen Londen en zijn logeeradres bij Noël de Caron (Nederlands diplomaat in Londen; ca. 1550-1624).[6]

Constantijn Huygens aan zijn ouders, 14 juli 1618, Koninklijke Bibliotheek KA 49, p. 51-54.

Een ruwe en lompe man

De zweer die Constantijn zelf heeft doorgestoken met een naald, blijft pijn doen. In een brief aan zijn broer Maurits van 14 juli schrijft hij dat hij geen laars aan zijn voet meer kan verdragen. Ook schrijft hij er dan uitgebreider over aan zijn ouders. Hij blijft er, ondanks het doorprikken, veel last van houden door ‘de grote weerstand van de huid van de hiel (die daar dikker en harder is dan overal anders) tegen de warmte van de zweer, die mij van binnen geweldig veel pijn bezorgde.’[7] Dit klinkt alsof de wond is gaan ontsteken, en Constantijn heeft er inderdaad maar een dokter bij geroepen. Zijn houding tegenover de chirurgijn is op zijn minst dubbel te noemen. Zo beschrijft hij de man als ‘un homme rude et grossier’, maar geeft hij ook toe dat de chirurgijn zeer ervaren en populair is. Iets verderop in de brief heeft Constantijn het zelfs over ‘tomber entre les mains de cette vilaine race Hippocratique’.

De voetoperatie, door Pieter Jansz. Quast, ca. 1630, Rijksmuseum.

Een chirurgijn is geen dokter zoals we die nu kennen. Universitair opgeleide artsen hielden zich vooral bezig met interne geneeskunde, terwijl chirurgijns zich richtten op operaties en andere ingrepen. Het vak van chirurgijn kwam dan ook voort uit dat van de barbiers, en zij gebruikten hun scherpe messen voor zowel het knippen van haar als het afzetten van ledematen. Misschien is dit de reden dat Constantijn zijn redder in nood met wat argwaan bekijkt.

Een hoge rekening

Constantijn heeft dus een enigszins negatieve houding tegenover de chirurgijn, die hem uiteindelijk toch heeft geholpen. Hij begint zijn brief van 14 juli met de woorden ‘Sinds mijn laatste brief […] is mijn gezondheid, Gode zij dank, voortdurend vooruit gegaan, wat mij vreugde en tevredenheid verschaft’.[8] Zijn eerdere afkeurende woorden lijken dan ook meer te maken te hebben met zijn wrok over de hoge rekening. Niet alleen moest hij de helft van het bedrag vooruit betalen, wat de gewoonte was in Engeland, ook vond hij het bedrag (2 pond sterling of 40 shilling sterling) erg hoog. Maar, zo was het nu eenmaal ‘in een land waar het geld je uit de hand vliegt’.[9]

Constantijn vond het leven in Engeland sowieso erg duur. Zo schrijft hij in zijn eerste brief vanuit Londen al naar zijn ouders ‘dat men met 6 stuivers in Holland verder komt dan met 10 stuivers in Engeland.’[10] En later, na zijn reisje naar Oxford, klaagt hij dat ‘ma maladie’ en het reisje hem veel hebben gekost. Gelukkig kan Constantijn het in perspectief plaatsen, ‘gezien hoeveel mijn gezondheid mij waard is in dit vreemde land’.[11] Het is jammer dat niet alles met geld te koop is. Constantijn blijft nog tenminste tot eind augustus last houden van zijn zweren.

Roosje Peeters, 21 mei 2022

In het gelijknamige boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven zijn portretten en brieven van Constantijn en zijn familieleden te zien.


[1] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 87.

[2] Ibidem, 91.

[3] Ibidem, 93-95.

[4] Nederlands citaat geparafraseerd door J.A. Worp.

[5] Nederlands citaat geparafraseerd door J.A. Worp.

[6] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 49.

[7] Vertaling door Rudolf Rasch.

[8] Vertaling door Rudolf Rasch.

[9] Vertaling door Rudolf Rasch.

[10] Vertaling door Rudolf Rasch.

[11] Vertaling door Rudolf Rasch.