De lichte kant van De Zwijger: originele brief van Willem van Oranje opgedoken bij Hoge Raad van Adel

Bij een bezoek aan de Hoge Raad van Adel in Den Haag kreeg ik de gelegenheid om even in het prachtige archief te duiken op zoek naar brieven voor de correspondentie-databases waar ik aan werk. Al snel stuitte ik op een aantal bijzondere stukken. Zo kwam ik verschillende keren de naam en het handschrift van Constantijn Huygens tegen – al heel bijzonder op zich. Maar wat nog veel opvallender was: er dook een originele, eigenhandige brief op van Willem van Oranje die weliswaar bekend was, maar door onderzoekers nooit eerder als origineel werd gesignaleerd.

Eerste pagina van een brief van Willem van Oranje aan Johann Philipp I von Salm-Dhaun-Neufville, Hoge Raad van Adel, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.


Het gaat om een opvallend persoonlijke brief, geschreven op 30 juni 1558 door de toen 25-jarige Willem, gericht aan Johann Philipp I von Salm-Dhaun-Neufville (1520–1566), wild- en rijngraaf. In de brief verontschuldigt Willem zich op geestige toon voor zijn langdurige stilzwijgen: hij is zo overspoeld met correspondentie dat hij het simpele leven Hans en Gerard (wellicht zijn dienaren) begint te benijden. Hij bedankt de rijngraaf voor twee fraaie ‘muilezels’ die net zijn aangekomen, en doet een charmant verzoek: of hij diens koets mag overnemen voor hertogin Christina van Lotharingen, die er volgens hem erg naar verlangt. De toon is losjes en geestig: een zeldzaam inkijkje in de informele kant van de jonge prins. Misschien hangt de toon ook wel samen met de flirterige relatie die Willem en Christina onderhielden. Willem zag in haar vijftienjarige dochter Renata een huwelijkskandidaat, maar voelde eigenlijk veel meer voor de hertogin zelf.

Prent van Willem van Oranje, Hoge Raad van Adel, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.

Deze brief was ook opgenomen in de database van de Correspondentie van Willem van Oranje van het Huygens Instituut, maar dan uitsluitend in de vorm van een digitale afbeelding uit de gedrukte editie van Nicolaas Japikse: Correspondentie van Willem den Eerste (1934). Des te waardevoller dus dat het stuk nu in handschriftvorm is aangetroffen in de particuliere collectie Beelaerts van Blokland – een schenking uit 2007 aan de Hoge Raad van Adel – naast een transcriptie en een vertaling, vermoedelijk van de hand van Japikse. Wat het extra bijzonder maakt: het is een van de weinige eigenhandig geschreven en ondertekende brieven van Willem zelf. Van de meer dan 13.000 brieven in de database zijn er slechts 256 die aan die criteria voldoen. Daaraan is er nu dus eentje toegevoegd.

Brief van Daniel de Burchgrave aan Willem van Oranje, 9 juli 1582, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.


Inmiddels is ook een brief van Daniël de Burchgrave, procureur-generaal van de Raad van Vlaanderen toegevoegd. In die brief verzoekt De Burchgrave om een jaarsalaris van 500 gulden als superintendent voor het beheer en de restitutie van Egmonds goederen. De brief is gedateerd op 9 juli 1582, naar de eigenhandig ondertekende positieve reactie die Willem van Oranje er zelf op noteerde. Bij de Hoge Raad van Adel bevinden zich nog meer contemporaine kopieën van brieven aan en van Willem van Oranje. Binnenkort worden ook die brieven van en aan Willem van Oranje uit het archief van de Hoge Raad van Adel gedigitaliseerd en gekoppeld aan de database.

En er zijn ook juweeltjes van brieven van andere personen uit de Oranje-Nassau omgeving, zoals Louise de Coligny, stadhouder Willem III, Anna van Hannover …

Wordt zeker vervolgd!

Ineke Huysman, 29 juli 2025