Huygens en Van Leeuwenhoek

I could not forbear by this occasion to give you this character of the man, that he is a person unlearned both in sciences and languages and specially, a most αγεωμέτρητός philosopher, but of his own nature exceedingly curious and industrious.

(Ik kan deze gelegenheid niet voorbij laten gaan om u de volgende karakterisering te geven van de man. Hij heeft niet gestudeerd noch in de wetenschappen, noch in talen, en is in het bijzonder een filosoof die niets van meetkunde weet. Maar hij is van nature buitengewoon nieuwsgierig en ijverig)

Dit schreef Constantijn Huygens op 8 augustus 1673 over Antoni van Leeuwenhoek (1632-1723) aan Robert Hooke (1635-1703), toen ‘curator of experiments’ van de Royal Society in Londen. Huygens zond hem bij deze gelegenheid Van Leeuwenhoeks observaties van de angel van de bij. Hij is bovendien heel enthousiast over de ‘tubuli’ (buisjes, kanaaltjes) die Van Leeuwenhoek met zijn microscope had ontdekt in allerlei soorten hout.

Nadrukkelijk noemt Huygens Van Leeuwenhoek in deze brief ongeletterd en zelfs ‘a most ‘αγεωμέτρητός philosopher’, een zeer a-geometrische filosoof. Dit stukje citaat met het Griekse woord erin, heeft J.A. Worp, de editeur van de vroeg twintigste-eeuwse editie van de Huygens correspondentie, niet opgenomen. Wat jammer is, want juist deze paar woorden preciseren Huygens’ karakterisering van Van Leeuwenhoek én Huygens zelf. Huygens haalt met het woord ‘αγεωμέτρητός’ de spreuk aan die boven de ingang van de Academie van Plato stond gebeiteld: ‘Αγεωμέτρητός μηδείς είσίτω’, (‘laat niemand zonder meetkundige kennis hier binnentreden’). Volgens Plato begint alle wetenschap met de wiskunde, waaronder begrepen is de rekenkunde, de meetkunde, de sterrenkunde en de harmonieënleer. Huygens vindt dat Van Leeuwenhoek dus geen toegang heeft tot de wetenschap. Hij is geen filosoof, maar een nieuwsgierige, handige ambachtsman. We moeten Huygens’ aanduiding ‘αγεωμέτρητός’ dan ook niet letterlijk opvatten, alsof hij meent dat Van Leeuwenhoek, die nota bene opgeleid was tot landmeter, geen wiskunde zou kennen. Met zijn geleerde citaat in het Grieks beklemtoont Huygens de kloof tussen de geleerde wetenschap van hemzelf en Hooke en de aangeboren nieuwsgierigheid en de ijver van de ambachtsman Van Leeuwenhoek.

Antoni van Leeuwenhoek. Messing enkelvoudige microscoop. Leiden, Museum Boerhaave.

Verderop in zijn brief aan Hooke benadrukt Huygens de vaardigheden van Van Leeuwenhoek. Hij wijst erop hoe hij de ’tibuli’ in het hout heeft ontdekt: Van Leeuwenhoek maakt dunne sneetjes in de rand van een houten kistje, haalt daar een dun schijfje (‘of’, zegt Huygens ‘een film, zoals jullie dat, denk ik, noemen’) vanaf, en plaatst dat op de naald van zijn kleine ‘microscope’. Dit microscoopje noemt hij ‘a machinula of his owne contriving and workmanship in bras’(‘een werktuigje van eigen vinding en vaardigheid in messing’). Door zijn microscoop kan Van Leeuwenhoek deze kanaaltjes zo goed zien dat hij, zo schrijft Huygens naar Londen, heel goed duidelijk kan maken hoe via deze klepjes het sap bovenin de boom kan komen. Hij heeft ‘this fine fagot of crystal pipes’ (‘deze bundel van kristalheldere buisjes’) zo door Van Leeuwenhoeks ‘microscope’ beter kunnen zien dan objecten die liggen onder een staande microscoop.

Met deze brief was Huygens de tweede geleerde Nederlander die Van Leeuwenhoek introduceerde bij de Royal Society in Londen. De Delftse arts Reinier de Graaf (1641-1673) was hem in april 1673 voorgegaan met een brief aan Henry Oldenburg, secretaris van het genootschap. De Graaf overleed echter in augustus 1673, waarna Van Leeuwenhoek Huygens verzocht een goed woordje te doen in Londen. Huygens’ bemiddeling heeft Van Leeuwenhoeks carrière voortgeholpen. Hij werd de auteur met de meeste bijdragen in de Philosophical Transactions, het wetenschappelijke tijdschrift van de Royal Society. Van Leeuwenhoek was buitengewoon ingenomen met deze wetenschappelijke erkenning, die zelfs in 1680 leidde tot de eervolle benoeming tot fellow van het genootschap. Deze heuglijke gebeurtenis was voor Van Leeuwenhoek aanleiding om zich door zijn Delftse plaatsgenoot Jan Verkolje op doek te laten vereeuwigen.

Jan Verkolje, Portret van Anthoni van Leeuwenhoek. Delft 1680. Olieverf op doek. Amsterdam, Rijksmuseum

Hierop is Van Leeuwenhoek wel degelijk een wetenschapper, een geometricus! Hij heeft een meetkundig instrument, een passer, in de hand. Voor hem op tafel ligt de door koning Karel II ondertekende akte van benoeming tot fellow. Dezelfde Verkolje maakte in 1686 reproductieprenten van dit portret die Van Leeuwenhoek gebruikte voor zijn public relations.

Jan Verkolje, Portret van Antoni van Leeuwenhoek. Lid van de Koninklijke Sociëteit in Londen. Mezzotint 1686. Rijksmuseum Amsterdam.

Had Van Leeuwenhoek op het schilderij een passer in de hand, op de prenten is die vervangen door een echt Van Leeuwenhoek microscoopje. Het instrument waardoor hij beroemd was geworden.

Huygens schreef op 29 januari 1686 een gedicht ‘Op de print van Ant. Leeuwenhoeck’ dat onder de prent door Jan Verkolje werd gegraveerd:

Daer leeft een aerdigh Man, een vaerdigh Man en gauw,

Die wisse wondren teelt, en heeft Natur’ in’t nauw,

Doorkruijpt all haer geheim, en opent all haer Sloten:

Sijn’ Glase Sleuteltiens en isser geen ontschoten,

Noch kan ontschieten. Dit ’s die dappre Man niet: maer

Siet scherp toe, die hem soekt; ’t gelijckt hem of hij ’t waer.

                                                                                              CONSTANTER

Treffend noemt Huygens de microscoopjes van Van Leeuwenhoek ‘glazen sleuteltjes’, waarmee hij alle geheimen van de natuur heeft ontsloten. Geen geheim kon of kan aan hem ontsnappen.

Over de relatie Huygens – Van Leeuwenhoek is meer te lezen in de mooie, pas verschenen biografie door Dirk van Delft, Onzichtbaar leven. Antoni van Leeuwenhoek en de wondere wereld van de microbiologie. (Amsterdam, Prometheus 2022). Ik heb hier voor dit blog dankbaar gebruik van gemaakt. Van de correspondentie tussen Van Leeuwenhoek en Constantijn Huygens zijn zeven brieven van Van Leeuwenhoek bewaard gebleven. Drie ervan waren nog onbekend aan de editeur J.A. Worp. Ze zijn nu alle zeven opgenomen in de database van het project Huygens’ Briefwisseling Online. De bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest, Uitgeverij Catullus 2022) bevat meer informatie over Huygens’ correspondentie en ook over zijn wetenschappelijke belangstelling.

Ad Leerintveld, 21 juli 2022

Hongaars koninginnewater

Loderein, een verbastering van eau de la Reine, is een reukwater op alcoholbasis met rozemarijn als belangrijkste ingrediënt. Het werd vroeger veel gebruikt, zowel om te verfrissen als om te genezen. De oorsprong van de benaming is terug te voeren tot de echtgenote van koning Karel Robert I van Hongarije, Elizabeth van Polen (1305-1380), voor wie het als eerste zou zijn gemaakt om haar van haar hoofdpijn te verlossen. Het reukwater was zeer populair in de 17e eeuw. Aan het hof van Lodewijk XIV was het een favoriet product. In Nederland gebruikte men zogenaamde lodereindoosjes, die een met het geurwater besprenkeld sponsje bevatten om een aangename, verfrissende geur te verspreiden. Ook Constantijn Huygens was een liefhebber van dit water, dat hij in zijn documenten eau d’Hongrie noemt. Hij experimenteerde veel met planten en kruiden, zo maakte hij er recepten mee en creëerde hij geuren. Daarover onderhield hij contact met een netwerk van geïnteresseerde mannen én vrouwen, meestal via brieven.

Constantijn Huygens aan Henry Oldenburg, 26 januari 1677, Royal Society London, MS. H 3, no. 35.

Een brief van Huygens aan Henry Oldenburg (1618-1677), secretaris van de Royal Society, verschaft meer inzicht in Huygens’ kennis van dit specifieke geurwater. Zo beschrijft hij dat het perfecte recept behalve alcohol alleen de bloemblaadjes van de rozemarijnplant mag bevatten en beslist geen groene naalden. De bloemen moeten bij voorkeur uit de buurt van Orange in Zuid-Frankrijk afkomstig zijn, aangezien de kwaliteit van de plant daar het meest optimaal is. Toch is Huygens wel benieuwd hoe het reukwater zich zal gedragen op basis van de rozemarijn die in Engeland groeit, aangezien hij weet dat de plant daar ook welig tiert. Hij vraagt Oldenburg dan ook om hem wat bloemen op te sturen, zodat hij het kan vergelijken.

Henry Oldenburg, door Jan van Cleve, Royal Society, Wikimedia Commons.

Huygens vertelt ook dat zijn ziekelijke zuster Geertruyd, inmiddels de zeventig gepasseerd, veel baat heeft bij dit water en van het ene op het andere moment hersteld lijkt te zijn wanneer zij het heeft gedronken. Haar polsslag is dan weer subiet rustig en stabiel. Huygens voegt eraan toe dat Robert Boyle (de bekende Engelse wetenschapper, ook lid van de Royal Society) hem er wel om zal uitlachen als hij hoort dat hij zich verlaagt tot dit soort details. Maar hij wijst erop dat de geneeskrachtige werking van het water is bevestigd, enerzijds door de positieve ervaring van zijn zuster en anderzijds door zijn zoon Christiaan, die het hem heeft aangeraden. In zijn brief aan Oldenburg noemt Huygens overigens niet Moise Charas, de Franse apotheker en botanicus afkomstig uit Orange, met wie hij zich al eerder in contact had gesteld over dit reukwater en andere geneeskrachtige recepten. Oldenburg noteert weliswaar: ‘The method of making true Hungary water’ bovenaan de brief, maar het is niet bekend of hij en Huygens verder nog over dit onderwerp contact hebben gehad.

Eind achttiende eeuw raakte de geur enigszins in de vergetelheid door de opkomst van een ander beroemd water: eau de Cologne. Tegenwoordig wordt rozemarijn veel toegepast in de aromatherapie, die het een opwekkende invloed toekent en inzet tegen allerlei kwalen, waaronder hoofdpijn. Ook bestaan er nog steeds parfumhuizen zoals Fragonard en Maison Nicolas de Barry die de geur in hun assortiment hebben.

Ineke Huysman, 3 juni 2022


Dit jaar eindigt de database met de nog bestaande correspondentie van Constantijn Huygens zijn voltooiing. Ook is inmiddels de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven verschenen.