Winterpraktijken. Kou, eten en feestjes in de Huygens’ familiebrieven

Strenge winters zijn in de brieven van de kinderen van Constantijn Huygens senior vaak het decor voor verhalen over feestjes, diners, bals en nachten die heel laat eindigen. Ze zijn geschreven in een periode waarin West-Europa zich midden in een fase van de Kleine IJstijd bevond en de ongemakken van kou, ijs en sneeuw vaak het dagelijkse leven bepaalden.

Het kaartspel, Caspar Netscher, ca. 1665, Metropolitan Museum, NY.

Reizen in de winter kon letterlijk fataal zijn. In de winter van 1663 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Lodewijk dat een koerier tussen Amsterdam en Den Haag onderweg is doodgevroren. Het paard kwam alleen aan en werd verstijfd teruggevonden bij het Malieveld. Maar de winter is ook een tijd van gezellig samenzijn. In 1648 studeert Christiaan aan de Illustere School van Breda en schrijft hij zijn broer Constantijn:

[vrij vertaald] Ik twijfel er geen moment aan dat jij afgelopen vastenavond niet hebt doorgebracht zonder te dansen, want de bals van deze winter zijn overal in de mode. Wat mijzelf betreft is het hier allemaal heel netjes en fatsoenlijk toegegaan, al ben ik onder andere bij de drost buitengewoon vorstelijk onthaald. Er was een hele stoet juffers uitgenodigd. Vanaf vijf uur ’s middags hebben we een beetje zitten kaarten en daarna ’s avonds een kostelijke maaltijd genuttigd. Aan het slot daarvan verschenen er tal van confituren op tafel, niet minder aangenaam om te zien dan om op te eten. Ze waren door de juffers zelf heel mooi opgemaakt met kransen van groen en met de bloemen die beschikbaar waren.

Maar nu ik toch bezig ben met zulke bijzonderheden, moet ik wel voorkomen dat ik opnieuw het verwijt krijg dat ik de juffers niet noem. We zaten met vijftien personen aan een ronde tafel, en wel als volgt: de president; de oudste van de twee juffers Rossem; juffrouw Ceters; Bornius; juffrouw Van der Veeck; een zoontje van de drost; juffrouw Stas; juffrouw Boxstaert; Stas; de tweede dochter van de drost; kapitein Despon; Becker; de oudste dochter van de drost; ikzelf; en de andere juffrouw Rossem. De drost zelf was in Den Bosch.

Na afloop van het eten werd er gedanst, heel wat ‘zesjes’ en couranten, begeleid door drie violen, en dat ging door tot drie uur ’s nachts. Zeg nu nog eens dat ik geen bijzonderheden schrijf! En als ik met Pasen misschien naar Den Haag kom, zul je zien dat ik heb leren schermen. Adieu.

In december 1680 bericht Susanna haar broer Christiaan in Parijs over kou en een Haags feestje:

[vrij vertaald] Vader heeft veel minder last van dat gesuis in zijn hoofd. Hij past wat beter op met de kou, vooral ’s avonds, zoals de artsen en zijn vrienden hem hebben aangeraden. Maar als hij naar míj zou luisteren, liet hij zijn muts dikker voeren. Dat wil hij voorlopig echter niet doen. […] Afgelopen vrijdag werden we in goed gezelschap onthaald bij onze broer Constantijn. Hij had al lang geleden een weddenschap verloren aan mevrouw Boreel, die hij nu moest inlossen met oesters, wat hij royaal deed. Behalve deze dame en haar goede man waren er ook meneer en mevrouw Cau van Hulst, neef Eeck met zijn dierbare wederhelft, neef De Wilhem met zijn oudste zuster, de filosoof Heemskerck, mijn man en ikzelf. […] Het hele gezelschap was in opperbeste stemming en het feest duurde tot twee uur ’s nachts. Nadat we grote hoeveelheden oesters hadden gegeten, stond in een andere kamer nóg een voortreffelijk en rijk uitgestald buffet. U weet dat mijn schoonzus [Constantijns vrouw Susanna Rijckaert] ‘geen struijf om een Eij sal bederven’. Adieu, mijn lieve broer.

Oesters, fruit en wijn, Osias Beert de oude, ca. 1620-1624, National Gallery of Art, Washington.

Ook in 1695 was er overal een strenge winter. Constantijn junior, inmiddels secretaris van Koning Willem III, schrijft vanuit Kensington Palace in Londen aan Christiaan:

[vrij vertaald] Men dacht hier dat we van de winter af waren, maar vandaag is er opnieuw zo’n dikke laag sneeuw gevallen als we deze hele winter nog niet hebben gehad. Patrijzen zijn spotgoedkoop, vijf of zes sols per stuk, zoveel je maar wilt, omdat hun sporen hen in de sneeuw verraden. Is er bij die laatste dooi [in Nederland] nergens een dijk doorgebroken? Adieu

Slee op het ijs. Gesina ter Borch, ca. 1656-1687, Rijksmuseum.

Wat deze winterbrieven zo aantrekkelijk maakt, is hoe menselijk ze zijn. Kou en gevaar, eten en muziek, zorgen en plezier. De kinderen van Constantijn woonden vaak ver bij elkaar vandaan maar ze bleven contact houden. En dankzij de brieven van Christiaan Huygens kunnen we niet alleen kennis nemen van zijn wetenschappelijke verdiensten maar ook van het dagelijkse leven in een gezin als dat van familie Huygens.

“Een gek is dood”: Descartes, Huygens en het idee van een lang leven

Op 12 april 1650 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Constantijn in Rome dat hij eigenlijk geen nieuws heeft. Het enige wat hij kan melden, heeft hij in de Antwerpse gazette gelezen: ‘dat in Suede een geck gestorven was die seijde dat hij soo langh leven kon als hij wilde’. Christiaan voegt er droog aan toe: ‘Notez que c’est icij M. des Cartes’ [‘Let wel, het gaat hier om meneer Descartes’].

René Descartes, naar Frans Hals, 1649, Louvre.

Dat was niet zomaar een grapje. Descartes’ plotselinge overlijden op 11 februari 1650 in Stockholm werd in heel Europa besproken, soms met ironie. Dat had alles te maken met zijn uitspraken over de mogelijkheid van een langer leven. Hoewel Descartes zeker nooit had beweerd onsterfelijk te zijn, achtte hij een aanzienlijke verlenging van de menselijke levensduur in principe mogelijk, ook voor hemzelf. Het hing volgens hem af van juiste kennis van het lichaam en zijn mechanismen.

Al in de jaren dertig van de 17e eeuw had Descartes daarover geschreven, onder meer in zijn correspondentie met Constantijn Huygens, de vader van de broertjes Huygens. Vanuit zijn grote waardering voor Descartes’ intellectuele vermogen vroeg Constantijn Huygens hem in november 1637 of hij dacht dat zijn werk en inzichten konden bijdragen aan een langere menselijke levensduur. In zijn antwoord stelde Descartes dat hij verwachtte zeer oud te kunnen worden, als hij maar bepaalde fouten in zijn levenswijze wist te vermijden, en dat hij zich daar actief mee bezighield. Dat past bij een bredere lijn in zijn denken: Descartes benaderde veroudering als een mechanisch proces. Hij verklaarde ouderdom in termen van verharding van vezels en verstoring van voeding en circulatie, en niet vanuit morele of mystieke oorzaken. Geneeskunde zag hij daarbij als een rationele weg naar een langer leven, al wist hij daar dus zelf niet van te profiteren.1

Christiaen Huygens, Caspar Netscher, Museum Boerhaave, 1671.

Dat de Antwerpse krant de spot dreef met Descartes hing samen met diens publieke uitspraken over levensverlenging. Hij presenteerde zich daarbij overigens niet als iemand die het geheim al kende, maar als iemand die aan het begin stond van een lange ontwikkeling. Juist omdat hij die mogelijkheden met overtuiging had benadrukt, wekte hij verwachtingen, en schiep zijn vroege dood gelegenheid voor ironisch commentaar.

Precies daarop doelt ook de sarcastische passage in Christiaans brief aan zijn broer, die de achtergrond van de spotternij kende. Vader Constantijn had Descartes’ visie op de mogelijkheid van een langer leven ongetwijfeld al eerder met zijn zoons gedeeld. Dat blijkt ook uit Constantijn juniors reactie uit Rome van 29 mei 1650, waarin hij schrijft dat de lof in de Gazette drôle [grappig] is en Descartes een coquin [schelm, schurk, boef] noemt. Zo krijgt de krantenopmerking over de dood van een ‘geck’ in Zweden meer betekenis.

Ineke Huysman, 16 december 2025


  1. Zie ook: M.D. Grmek, “Les idées de Descartes sur le prolongement de la vie”, Revue d’histoire des sciences, 21 (1968), pp. 286-302. ↩︎

Geur en stank in de 17e eeuw: reukervaringen van tijdgenoten

Over de belangstelling van Constantijn Huygens voor parfumerie is de laatste tijd veel geschreven. Maar hoe verhield die wereld van verfijnde geuren zich tot de dagelijkse werkelijkheid van vieze luchtjes en stank? In een samenleving zonder moderne riolering en zonder onze opvattingen over hygiëne moet stank alom aanwezig zijn geweest. De vraag is: hoe werd dat ervaren, en hoe schreef men erover?

In de dagboeken van Constantijn Huygens jr. en van stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz wordt vaak melding gemaakt van onaangename geuren. Ook in correspondentie van Christiaan Huygens duikt het onderwerp op.1 Wat uit dagboeken en brieven uit de 17e eeuw naar voren komt, sluit opmerkelijk goed aan bij wat wij vandaag als vies ervaren: lichaamsgeur, slechte adem, vuile straten, modder, latrines, rottend water. Het is allemaal verrassend herkenbaar.

Christiaan Huygens: een scherpe neus in Londen en Parijs

Christiaan Huygens, ca. 1687-1688, door Gerard Edelinck naar tekening van Jacques-Antoine Friquet de Vauroze, Rijksmuseum

Christiaan Huygens was bijzonder gevoelig voor de lucht om zich heen. Tijdens zijn verblijf in Londen in 1661 klaagt hij uitgebreid over de dichte steenkoolrook die in de stad hangt: zwaar, zwart en ongezond. Hij merkt op hoe het roet zich overal op afzet en gebouwen en kleding donker maakt, een voortdurende herinnering aan de verstikkende atmosfeer.

Op reis ontdekt Christiaan dat stank geen grens kent. Zoet water aan boord van schepen bederft snel en begint te ruiken. In Parijs wordt hij ’s nachts gebeten door bedluizen, terwijl ratten en muizen in zijn kamer scharrelen. Hij beklaagt zich er over de modder en dampen van de stad die hem doen verlangen naar de frisse lucht van het platteland. In Kleef moet hij tot drie keer toe van logies wisselen om een plek te vinden die minder vuil en beter te verdragen is.

Niet alleen de omgeving, ook zijn onderzoek brengt hem dichtbij nare geuren. Bij experimenten merkt hij op dat het residu van buskruit een zeer slechte geur geeft en dat de damp lang blijft hangen en zwaar op de borst slaat.

Constantijn Huygens jr.: hofleven met een luchtje

Constantijn Huygens jr., zelfportret, 1685. Rijksmuseum

Bij Constantijn Huygens jr. speelt reuk een opvallende rol in hoe hij mensen en situaties beoordeelt. In zijn dagboeken2 noteert hij geregeld wanneer iemand of iets hem letterlijk tegenstaat, vooral in de nabijheid van het Engelse hof waar hij jarenlang verbleef als secretaris van Willem III.

Zo noteert hij roddelend dat mrs. Howard ‘een quade lucht uyt haer mondt’ heeft, tegelijk is hij bang dat hij daar zelf ook last van heeft. Over de koning schrijft hij dat er ‘vuyle, stinckende materie’ uit zijn neus liep. En ook op bepaalde plaatsen blijkt het te stinken. De markies van Winchester loopt volgens Huygens buiten zijn huis voortdurend met een servet of zakdoek voor zijn mond om ‘de quade lucht uyt te houden’. Een ander voorbeeld van een vieze, stinkende omgeving komt uit een legerkamp in Sombreffe (augustus 1692). Huygens beschrijft dat het huis waar de koning logeert ‘seer vuyl en stinckende’ is, wegens de boeren die daar hun toevlucht hebben gezocht. Bij een eerdere veldtocht in 1676 omschrijft hij zijn logies in het dorp bij Tongeren als ‘vilain et puant’.

Daar staat tegenover dat reuk ook positieve waardering kan hebben. Tijdens een van zijn reizen, ver weg van het hof, beschrijft Huygens de geur van tijm en lavendel in het landschap rond Orange als een ‘seer goeijen reuck’. Geur bepaalt hier de sfeer van een plaats, bijna als een eerste indruk van het landschap zelf.

Het zijn maar een paar voorbeelden, er zijn er talloze, maar wat deze notities zo opvallend maakt, is dat reuk voor Huygens onderdeel is van zijn sociale observatie. Niet alleen wat hij ziet of hoort, maar ook wat hij ruikt vormt een oordeel over personen, gedrag en omgeving.

Willem Frederik van Nassau-Dietz: reuk als lichamelijke afkeer en gekrenkte trots

Willem Frederik van Nassau-Dietz, anoniem, ca. 1645-1684, Rijksmuseum

In de dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz3 krijgt zijn beleving van geur vooral een negatieve lading. Hij noteert nauwkeurig hoe anderen ruiken en verbindt dat bijna automatisch met hun gezondheid en waardigheid. Het meest uitgesproken is hij over zijn oud-oom, stadhouder Frederik Hendrik. Zijn adem is ‘heel vielein’, zodanig dat men er ‘geïnkommodeert’ door raakt, vooral in de ochtend. Zijn lichaam ruikt volgens Willem Frederik ‘muffs en sweterich’ en hij noemt hem ‘heel vuil en vet’. Stank wordt zo een manier om de lichamelijke aftakeling van een machtige oude man te registreren; iemand van wie hij afhankelijk is, maar voor wie op dat moment hij nog maar weinig bewondering voelt.

Ook anderen in zijn omgeving blijven niet buiten schot. Over Amalia van Solms noteert hij dat zij ‘heel sterck roock uyt de mont’. Tegelijkertijd laat hij merken dat hij ook op zijn eigen uitwasemingen let. Zo neemt hij in 1647 sennebladeren in, officieel bedoeld om te laxeren, maar volgens zijn aantekening ook in de hoop dat het zijn adem verfrist.

Die lichamelijke afkeer krijgt ook vorm in zijn opmerkingen over de prins van Talmont, over wie gezegd wordt dat hij ‘soo stonck’ en dat een kamer waarin hij verbleef ‘soo leelijck roock’. Dat is geen neutrale observatie. Talmont was eerder Willem Frederiks rivaal geweest in de hoop de hand te krijgen van Louise Henriette, dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, ook al was Talmont daar niet in geslaagd omdat Amalia hem beneden haar stand vond. Willem Frederik geeft hier af op iemand die hem ooit in de weg stond; de beschrijving van stank fungeert als wapen van rancune en beschadigd eergevoel.

Frederik Wilhelm, keurvorst van Brandenburg en Louise Henriette van Oranje Nassau, Gerard van Honthorst 1646, Rijksmuseum

Het wordt nog persoonlijker wanneer Willem Frederik op 29 april/9 mei 1649 noteert dat hij het ‘lijff geroocken’ had van prinses Louise Henriette, dat ‘wat sterck’ rook, en dat zij van dichtbij ‘naebij gheen fray vel ofte tain’ had. Zij was inmiddels getrouwd met de keurvorst van Brandenburg en allang buiten zijn bereik. Over de keurvorst zelf noteert Willem Frederik dat hij aan het hof als ‘soo lelijck’, ‘grof en vet’, ziekelijk en zwak van karakter werd gezien, geneigd tot grove gesprekken en geregeld dronken. Zijn woorden verraden teleurstelling, gekrenkte trots en een wrange poging zichzelf te overtuigen dat hij aan Louise Henriette niets had gemist.

Ook de stank van het dagelijks leven ontgaat hem niet. Over waterputten schrijft hij: ‘Als een put ofte back stinckt, moet men hem lucht geven, soo vergaet de reuck’. Over de loopgraven in de Tachtigjarige Oorlog noteert hij hoe het er ‘slijckerich’ is en hoe de lucht er zwaar en onaangenaam kan zijn. Wanneer hij er zijn diamanten ring verliest, wijt hij dat aan ‘sooveul sant ende vuilicheit daer was’: modder, stof, stank, nabijheid van soldaten en paarden.

Wat deze notities vooral laten zien: voor Willem Frederik ligt reuk dicht bij emotie. Walging, machteloosheid en soms rancune klinken mee in in zijn beschrijvingen. Wie onaangenaam ruikt, kan hij klein maken. De beleving van geur wordt zo voor hem een middel om zichzelf te beschermen in een wereld waarin hij zich vaak kwetsbaar voelt.

Ten slotte

Deze voorbeelden laten zien dat de perceptie van geur in de 17e eeuw geen bijkomstigheid was, maar iets wat heel nadrukkelijk werd ervaren. Tegelijkertijd zijn het vooral de observaties van personen uit de sociale bovenlaag die ons hierover informeren. Het zijn hun gedachtes, indrukken en gevoeligheden die zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En dat terwijl zij zelf tot de bevoorrechte groep behoorden, met toegang tot parfum, geurige waters en manieren om vieze luchtjes te maskeren. Wat het betekende voor de velen die die middelen níet hadden, laat zich raden.

Ineke Huysman, 10 december 2025


  1. Bron: Oeuvres Complètes van Christiaan Huygens, 22 delen: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=huyg003oeuv00. ↩︎
  2. Bron: Journalen 1673-1696 van Constantijn Huygens jr.: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=huyg007jour01 ↩︎
  3. Bron: Gloria Parendi, dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=will077glor01 ↩︎