Constantijn Huygens was al vroeg uitzonderlijk muzikaal. Zijn eigen jeugdherinneringen laten dat goed zien. Als klein jongetje speelde hij al viola da gamba en luit, en dat soms zelfs in aanwezigheid van Jan Pieterszoon Sweelinck. Constantijn kon al vroeg vrijwel alles van het blad spelen. Zelf benadrukt hij vooral zijn aanleg voor improvisatie: hij speelde liever eigen muziek dan ingestudeerde stukken en zag dat als een gave die niet aan te leren was.1
Over een van die vroege momenten schrijft Constantijn dat hij al vele uren lang foutloos gespeeld had, terwijl anderen om hem heen fouten maakten. Juist in die context ging het mis. Hij keek even op van zijn muziekblad, raakte de regel kwijt en kon er niet meer inkomen. Wat volgde beschrijft hij nauwkeurig: hij raakte volledig van slag en barstte ‘in een bitter en ontroostbaar huilen’ uit. Niets kon hem nog kalmeren of ertoe bewegen om zijn gamba weer ter hand te nemen.2
Jan Pietersz. Sweelinck, Gerrit Pietersz. Sweelinck 1606, Kunstmuseum Den Haag, Wikimedia Commons.
Die scène speelde zich af in Amsterdam, in het huis van Jean Louis Calandrini, een uit Genève afkomstige koopman die daar muziekavonden organiseerde. De muzikale leiding lag bij Jan Pieterszoon Sweelinck, organist van de Oude Kerk, ‘een man die zijns gelijke niet had’, aldus Huygens.3 De toen zevenjarige Constantijn kwam hier vermoedelijk met zijn vader, Christiaan Huygens senior, die zelf een groot liefhebber van muziek was en veel zorg besteedde aan de muzikale vorming van zijn zoon.
De bewondering voor Sweelinck bleef. Op zeer late leeftijd, op 26 maart 1684, schreef Constantijn Huygens een Latijns grafschrift ter ere van hem (Epitaphium Ioannis Sweeling organistae summi).4 Daarin klinkt dezelfde waardering door: Sweelincks grootheid laat zich niet in woorden vangen, maar alleen in zijn eigen muziek.
Op 25 april a.s. brengt barokgezelschap La Sfera Armoniosa in samenwerking met het Huygens Instituut in de Amsterdamse Waalse Kerk de voorstelling ‘Huygens!’. Muziek uit zijn wereld, in de stad waar hij als kind leerde spelen, en waar hij, in het bijzijn van Sweelinck, ook een keer volledig vastliep. Tickets: https://www.klassiekemuziek.nl/e/19638/la-sfera-armoniosa-huygens-amsterdam
Constantijn Huygens, Mijn Jeugd, vertaald en toegelicht door C.L. Heesakkers (1987) 29-30. ↩︎
Strenge winters zijn in de brieven van de kinderen van Constantijn Huygens senior vaak het decor voor verhalen over feestjes, diners, bals en nachten die heel laat eindigen. Ze zijn geschreven in een periode waarin West-Europa zich midden in een fase van de Kleine IJstijd bevond en de ongemakken van kou, ijs en sneeuw vaak het dagelijkse leven bepaalden.
Het kaartspel, Caspar Netscher, ca. 1665, Metropolitan Museum, NY.
Reizen in de winter kon letterlijk fataal zijn. In de winter van 1663 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Lodewijk dat een koerier tussen Amsterdam en Den Haag onderweg is doodgevroren. Het paard kwam alleen aan en werd verstijfd teruggevonden bij het Malieveld. Maar de winter is ook een tijd van gezellig samenzijn. In 1648 studeert Christiaan aan de Illustere School van Breda en schrijft hij zijn broer Constantijn:
[vrij vertaald] Ik twijfel er geen moment aan dat jij afgelopen vastenavond niet hebt doorgebracht zonder te dansen, want de bals van deze winter zijn overal in de mode. Wat mijzelf betreft is het hier allemaal heel netjes en fatsoenlijk toegegaan, al ben ik onder andere bij de drost buitengewoon vorstelijk onthaald. Er was een hele stoet juffers uitgenodigd. Vanaf vijf uur ’s middags hebben we een beetje zitten kaarten en daarna ’s avonds een kostelijke maaltijd genuttigd. Aan het slot daarvan verschenen er tal van confituren op tafel, niet minder aangenaam om te zien dan om op te eten. Ze waren door de juffers zelf heel mooi opgemaakt met kransen van groen en met de bloemen die beschikbaar waren.
Maar nu ik toch bezig ben met zulke bijzonderheden, moet ik wel voorkomen dat ik opnieuw het verwijt krijg dat ik de juffers niet noem. We zaten met vijftien personen aan een ronde tafel, en wel als volgt: de president; de oudste van de twee juffers Rossem; juffrouw Ceters; Bornius; juffrouw Van der Veeck; een zoontje van de drost; juffrouw Stas; juffrouw Boxstaert; Stas; de tweede dochter van de drost; kapitein Despon; Becker; de oudste dochter van de drost; ikzelf; en de andere juffrouw Rossem. De drost zelf was in Den Bosch.
Na afloop van het eten werd er gedanst, heel wat ‘zesjes’ en couranten, begeleid door drie violen, en dat ging door tot drie uur ’s nachts. Zeg nu nog eens dat ik geen bijzonderheden schrijf! En als ik met Pasen misschien naar Den Haag kom, zul je zien dat ik heb leren schermen. Adieu.
In december 1680 bericht Susanna haar broer Christiaan in Parijs over kou en een Haags feestje:
[vrij vertaald] Vader heeft veel minder last van dat gesuis in zijn hoofd. Hij past wat beter op met de kou, vooral ’s avonds, zoals de artsen en zijn vrienden hem hebben aangeraden. Maar als hij naar míj zou luisteren, liet hij zijn muts dikker voeren. Dat wil hij voorlopig echter niet doen. […] Afgelopen vrijdag werden we in goed gezelschap onthaald bij onze broer Constantijn. Hij had al lang geleden een weddenschap verloren aan mevrouw Boreel, die hij nu moest inlossen met oesters, wat hij royaal deed. Behalve deze dame en haar goede man waren er ook meneer en mevrouw Cau van Hulst, neef Eeck met zijn dierbare wederhelft, neef De Wilhem met zijn oudste zuster, de filosoof Heemskerck, mijn man en ikzelf. […] Het hele gezelschap was in opperbeste stemming en het feest duurde tot twee uur ’s nachts. Nadat we grote hoeveelheden oesters hadden gegeten, stond in een andere kamer nóg een voortreffelijk en rijk uitgestald buffet. U weet dat mijn schoonzus [Constantijns vrouw Susanna Rijckaert] ‘geen struijf om een Eij sal bederven’. Adieu, mijn lieve broer.
Oesters, fruit en wijn, Osias Beert de oude, ca. 1620-1624, National Gallery of Art, Washington.
Ook in 1695 was er overal een strenge winter. Constantijn junior, inmiddels secretaris van Koning Willem III, schrijft vanuit Kensington Palace in Londen aan Christiaan:
[vrij vertaald] Men dacht hier dat we van de winter af waren, maar vandaag is er opnieuw zo’n dikke laag sneeuw gevallen als we deze hele winter nog niet hebben gehad. Patrijzen zijn spotgoedkoop, vijf of zes sols per stuk, zoveel je maar wilt, omdat hun sporen hen in de sneeuw verraden. Is er bij die laatste dooi [in Nederland] nergens een dijk doorgebroken? Adieu
Slee op het ijs. Gesina ter Borch, ca. 1656-1687, Rijksmuseum.
Wat deze winterbrieven zo aantrekkelijk maakt, is hoe menselijk ze zijn. Kou en gevaar, eten en muziek, zorgen en plezier. De kinderen van Constantijn woonden vaak ver bij elkaar vandaan maar ze bleven contact houden. En dankzij de brieven van Christiaan Huygens kunnen we niet alleen kennis nemen van zijn wetenschappelijke verdiensten maar ook van het dagelijkse leven in een gezin als dat van familie Huygens.
Op 12 april 1650 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Constantijn in Rome dat hij eigenlijk geen nieuws heeft. Het enige wat hij kan melden, heeft hij in de Antwerpse gazette gelezen: ‘dat in Suede een geck gestorven was die seijde dat hij soo langh leven kon als hij wilde’. Christiaan voegt er droog aan toe: ‘Notez que c’est icij M. des Cartes’ [‘Let wel, het gaat hier om meneer Descartes’].
René Descartes, naar Frans Hals, 1649, Louvre.
Dat was niet zomaar een grapje. Descartes’ plotselinge overlijden op 11 februari 1650 in Stockholm werd in heel Europa besproken, soms met ironie. Dat had alles te maken met zijn uitspraken over de mogelijkheid van een langer leven. Hoewel Descartes zeker nooit had beweerd onsterfelijk te zijn, achtte hij een aanzienlijke verlenging van de menselijke levensduur in principe mogelijk, ook voor hemzelf. Het hing volgens hem af van juiste kennis van het lichaam en zijn mechanismen.
Al in de jaren dertig van de 17e eeuw had Descartes daarover geschreven, onder meer in zijn correspondentie met Constantijn Huygens, de vader van de broertjes Huygens. Vanuit zijn grote waardering voor Descartes’ intellectuele vermogen vroeg Constantijn Huygens hem in november 1637 of hij dacht dat zijn werk en inzichten konden bijdragen aan een langere menselijke levensduur. In zijn antwoord stelde Descartes dat hij verwachtte zeer oud te kunnen worden, als hij maar bepaalde fouten in zijn levenswijze wist te vermijden, en dat hij zich daar actief mee bezighield. Dat past bij een bredere lijn in zijn denken: Descartes benaderde veroudering als een mechanisch proces. Hij verklaarde ouderdom in termen van verharding van vezels en verstoring van voeding en circulatie, en niet vanuit morele of mystieke oorzaken. Geneeskunde zag hij daarbij als een rationele weg naar een langer leven, al wist hij daar dus zelf niet van te profiteren.1
Christiaen Huygens, Caspar Netscher, Museum Boerhaave, 1671.
Dat de Antwerpse krant de spot dreef met Descartes hing samen met diens publieke uitspraken over levensverlenging. Hij presenteerde zich daarbij overigens niet als iemand die het geheim al kende, maar als iemand die aan het begin stond van een lange ontwikkeling. Juist omdat hij die mogelijkheden met overtuiging had benadrukt, wekte hij verwachtingen, en schiep zijn vroege dood gelegenheid voor ironisch commentaar.
Precies daarop doelt ook de sarcastische passage in Christiaans brief aan zijn broer, die de achtergrond van de spotternij kende. Vader Constantijn had Descartes’ visie op de mogelijkheid van een langer leven ongetwijfeld al eerder met zijn zoons gedeeld. Dat blijkt ook uit Constantijn juniors reactie uit Rome van 29 mei 1650, waarin hij schrijft dat de lof in de Gazette drôle [grappig] is en Descartes een coquin [schelm, schurk, boef] noemt. Zo krijgt de krantenopmerking over de dood van een ‘geck’ in Zweden meer betekenis.
Ineke Huysman, 16 december 2025
Zie ook: M.D. Grmek, “Les idées de Descartes sur le prolongement de la vie”, Revue d’histoire des sciences, 21 (1968), pp. 286-302. ↩︎
Over de belangstelling van Constantijn Huygens voor parfumerie is de laatste tijd veel geschreven. Maar hoe verhield die wereld van verfijnde geuren zich tot de dagelijkse werkelijkheid van vieze luchtjes en stank? In een samenleving zonder moderne riolering en zonder onze opvattingen over hygiëne moet stank alom aanwezig zijn geweest. De vraag is: hoe werd dat ervaren, en hoe schreef men erover?
In de dagboeken van Constantijn Huygens jr. en van stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz wordt vaak melding gemaakt van onaangename geuren. Ook in correspondentie van Christiaan Huygens duikt het onderwerp op.1 Wat uit dagboeken en brieven uit de 17e eeuw naar voren komt, sluit opmerkelijk goed aan bij wat wij vandaag als vies ervaren: lichaamsgeur, slechte adem, vuile straten, modder, latrines, rottend water. Het is allemaal verrassend herkenbaar.
Christiaan Huygens: een scherpe neus in Londen en Parijs
Christiaan Huygens, ca. 1687-1688, door Gerard Edelinck naar tekening van Jacques-Antoine Friquet de Vauroze, Rijksmuseum
Christiaan Huygens was bijzonder gevoelig voor de lucht om zich heen. Tijdens zijn verblijf in Londen in 1661 klaagt hij uitgebreid over de dichte steenkoolrook die in de stad hangt: zwaar, zwart en ongezond. Hij merkt op hoe het roet zich overal op afzet en gebouwen en kleding donker maakt, een voortdurende herinnering aan de verstikkende atmosfeer.
Op reis ontdekt Christiaan dat stank geen grens kent. Zoet water aan boord van schepen bederft snel en begint te ruiken. In Parijs wordt hij ’s nachts gebeten door bedluizen, terwijl ratten en muizen in zijn kamer scharrelen. Hij beklaagt zich er over de modder en dampen van de stad die hem doen verlangen naar de frisse lucht van het platteland. In Kleef moet hij tot drie keer toe van logies wisselen om een plek te vinden die minder vuil en beter te verdragen is.
Niet alleen de omgeving, ook zijn onderzoek brengt hem dichtbij nare geuren. Bij experimenten merkt hij op dat het residu van buskruit een zeer slechte geur geeft en dat de damp lang blijft hangen en zwaar op de borst slaat.
Bij Constantijn Huygens jr. speelt reuk een opvallende rol in hoe hij mensen en situaties beoordeelt. In zijn dagboeken2 noteert hij geregeld wanneer iemand of iets hem letterlijk tegenstaat, vooral in de nabijheid van het Engelse hof waar hij jarenlang verbleef als secretaris van Willem III.
Zo noteert hij roddelend dat mrs. Howard ‘een quade lucht uyt haer mondt’ heeft, tegelijk is hij bang dat hij daar zelf ook last van heeft. Over de koning schrijft hij dat er ‘vuyle, stinckende materie’ uit zijn neus liep. En ook op bepaalde plaatsen blijkt het te stinken. De markies van Winchester loopt volgens Huygens buiten zijn huis voortdurend met een servet of zakdoek voor zijn mond om ‘de quade lucht uyt te houden’. Een ander voorbeeld van een vieze, stinkende omgeving komt uit een legerkamp in Sombreffe (augustus 1692). Huygens beschrijft dat het huis waar de koning logeert ‘seer vuyl en stinckende’ is, wegens de boeren die daar hun toevlucht hebben gezocht. Bij een eerdere veldtocht in 1676 omschrijft hij zijn logies in het dorp bij Tongeren als ‘vilain et puant’.
Daar staat tegenover dat reuk ook positieve waardering kan hebben. Tijdens een van zijn reizen, ver weg van het hof, beschrijft Huygens de geur van tijm en lavendel in het landschap rond Orange als een ‘seer goeijen reuck’. Geur bepaalt hier de sfeer van een plaats, bijna als een eerste indruk van het landschap zelf.
Het zijn maar een paar voorbeelden, er zijn er talloze, maar wat deze notities zo opvallend maakt, is dat reuk voor Huygens onderdeel is van zijn sociale observatie. Niet alleen wat hij ziet of hoort, maar ook wat hij ruikt vormt een oordeel over personen, gedrag en omgeving.
Willem Frederik van Nassau-Dietz: reuk als lichamelijke afkeer en gekrenkte trots
Willem Frederik van Nassau-Dietz, anoniem, ca. 1645-1684, Rijksmuseum
In de dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz3 krijgt zijn beleving van geur vooral een negatieve lading. Hij noteert nauwkeurig hoe anderen ruiken en verbindt dat bijna automatisch met hun gezondheid en waardigheid. Het meest uitgesproken is hij over zijn oud-oom, stadhouder Frederik Hendrik. Zijn adem is ‘heel vielein’, zodanig dat men er ‘geïnkommodeert’ door raakt, vooral in de ochtend. Zijn lichaam ruikt volgens Willem Frederik ‘muffs en sweterich’ en hij noemt hem ‘heel vuil en vet’. Stank wordt zo een manier om de lichamelijke aftakeling van een machtige oude man te registreren; iemand van wie hij afhankelijk is, maar voor wie op dat moment hij nog maar weinig bewondering voelt.
Ook anderen in zijn omgeving blijven niet buiten schot. Over Amalia van Solms noteert hij dat zij ‘heel sterck roock uyt de mont’. Tegelijkertijd laat hij merken dat hij ook op zijn eigen uitwasemingen let. Zo neemt hij in 1647 sennebladeren in, officieel bedoeld om te laxeren, maar volgens zijn aantekening ook in de hoop dat het zijn adem verfrist.
Die lichamelijke afkeer krijgt ook vorm in zijn opmerkingen over de prins van Talmont, over wie gezegd wordt dat hij ‘soo stonck’ en dat een kamer waarin hij verbleef ‘soo leelijck roock’. Dat is geen neutrale observatie. Talmont was eerder Willem Frederiks rivaal geweest in de hoop de hand te krijgen van Louise Henriette, dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, ook al was Talmont daar niet in geslaagd omdat Amalia hem beneden haar stand vond. Willem Frederik geeft hier af op iemand die hem ooit in de weg stond; de beschrijving van stank fungeert als wapen van rancune en beschadigd eergevoel.
Frederik Wilhelm, keurvorst van Brandenburg en Louise Henriette van Oranje Nassau, Gerard van Honthorst 1646, Rijksmuseum
Het wordt nog persoonlijker wanneer Willem Frederik op 29 april/9 mei 1649 noteert dat hij het ‘lijff geroocken’ had van prinses Louise Henriette, dat ‘wat sterck’ rook, en dat zij van dichtbij ‘naebij gheen fray vel ofte tain’ had. Zij was inmiddels getrouwd met de keurvorst van Brandenburg en allang buiten zijn bereik. Over de keurvorst zelf noteert Willem Frederik dat hij aan het hof als ‘soo lelijck’, ‘grof en vet’, ziekelijk en zwak van karakter werd gezien, geneigd tot grove gesprekken en geregeld dronken. Zijn woorden verraden teleurstelling, gekrenkte trots en een wrange poging zichzelf te overtuigen dat hij aan Louise Henriette niets had gemist.
Ook de stank van het dagelijks leven ontgaat hem niet. Over waterputten schrijft hij: ‘Als een put ofte back stinckt, moet men hem lucht geven, soo vergaet de reuck’. Over de loopgraven in de Tachtigjarige Oorlog noteert hij hoe het er ‘slijckerich’ is en hoe de lucht er zwaar en onaangenaam kan zijn. Wanneer hij er zijn diamanten ring verliest, wijt hij dat aan ‘sooveul sant ende vuilicheit daer was’: modder, stof, stank, nabijheid van soldaten en paarden.
Wat deze notities vooral laten zien: voor Willem Frederik ligt reuk dicht bij emotie. Walging, machteloosheid en soms rancune klinken mee in in zijn beschrijvingen. Wie onaangenaam ruikt, kan hij klein maken. De beleving van geur wordt zo voor hem een middel om zichzelf te beschermen in een wereld waarin hij zich vaak kwetsbaar voelt.
Ten slotte
Deze voorbeelden laten zien dat de perceptie van geur in de 17e eeuw geen bijkomstigheid was, maar iets wat heel nadrukkelijk werd ervaren. Tegelijkertijd zijn het vooral de observaties van personen uit de sociale bovenlaag die ons hierover informeren. Het zijn hun gedachtes, indrukken en gevoeligheden die zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En dat terwijl zij zelf tot de bevoorrechte groep behoorden, met toegang tot parfum, geurige waters en manieren om vieze luchtjes te maskeren. Wat het betekende voor de velen die die middelen níet hadden, laat zich raden.
The early modern period (c. 1500–1800) saw profound transformations in society, politics, and culture. Gossip played a crucial yet often overlooked role in shaping these developments. Traditionally dismissed as trivial or immoral, gossip has long been associated with women and perceived as a form of idle chatter.
Early definitions of gossip in the sixteenth century linked it specifically to female speech, reinforcing the idea of gossip as a language of powerlessness or a subversive women’s culture. However, historical research has increasingly recognized gossip as a complex social and political tool — used to forge and police community bonds, influence reputations, shape public opinion, and enforce moral values.
Gossip was not merely a domestic concern but an instrument of power, used at all levels of society, from the elite to the marginalized. And while gossip remained closely linked to gender, new studies have revealed its importance among men as well, challenging old stereotypes. This conference aims to advance the interdisciplinary study of gossip, recognizing it as far more than idle talk.
Day 1 – Wednesday 19 November 2025
10:00–10:30 — Registration and coffee 10:30–10:35 — Welcome and opening remarks Gijs Versteegen (Universidad Rey Juan Carlos) Ineke Huysman (Huygens Institute Amsterdam)
10:35–11:30 — Keynote I: Reputation: a Philosophical Approach Gloria Origgi — Institut Jean Nicod, Paris
11:30–12:00 — Coffee break
12:00–13:30 — Session 1: Codes, Morality and Public Opinion
The People are a Savage Beast? Vox Populi and Gossip — Matthias Roick, Polish Academy of Sciences
Truths and Lies in Courtly Conversations: Flattering, Slandering, Pretending and Dissimulating — María Díez Yáñez, Universidad Complutense de Madrid
Gossip and Courtly Love in Batallas y Quinquagenas — Gijs Versteegen, Universidad Rey Juan Carlos
13:30–15:30 — Lunch
15:30–16:30 — Session 2: Women, Power and Diplomacy
News from the Harem — Rosanne Baars, Leiden University
Early Modern Interpol — Tessa de Boer, Independent researcher
16:30–17:00 — Tea break
17:00–18:30 — Session 3: Epistolary Networks and Information Circuits
Spies, Scandals, and Secrets: Wicquefort’s Letters — Lydia Boer, Leiden University
Early Modern Letters Online: Noise & Tittle-Tattle? — Miranda Lewis, University of Oxford
Banten Calling: Colonial News, Rumours and Diplomacy — Krijn Korsman, Amsterdam University
Day 2 – Thursday 20 November 2025
Location: Universidad Rey Juan Carlos, Plaza Manuel Becerra 14 — Madrid Evening concert: Real Oratorio del Caballero de Gracia, Calle del Caballero de Gracia 5 — Madrid
10:05–11:00 — Keynote II: Fake News, Rumors, and Gossip during the Reign of Carlos II (1665–1700): Political and Diplomatic Contexts Silvia Z. Mitchell — Purdue University (USA)
11:00–11:30 — Coffee break
11:30–13:00 — Session 4: Court Intrigues and the Politics of Reputation
Different Forms of Gossip Sharing at the Court of Louis XIV — Jonathan Spangler, Manchester Metropolitan University
The Poison of Words: Rumours, Gossip and Moral Discourse in the View of María de Guevara, Countess of Escalante (1664) — Ezequiel Borgognoni, Universidad Rey Juan Carlos
Rumor as a Mechanism for Discrediting Female Agency during the War of the Spanish Succession — José Antonio López Anguita, Universidad Complutense de Madrid
13:00–14:30 — Lunch
14:30–16:00 — Session 5: Satire, Culture and the Senses of Gossip
Gossip and Political Ghosts: Satire in the Late 17th Century — Marie-Charlotte Le Bailly, Hendrik Conscience Heritage Library, Antwerp
Being in the Nose: Rumors about Smell and the Smell of Rumor in Early Modern Europe — Kerrewin van Blanken, Leiden University
The Field Has Eyes and the Wood Has Ears — Jeroen Vandommele, National Library of the Netherlands
Performed by: La Sfera Armoniosa — Lydia Boer (organ), Mike Fentross (theorbo, guitar), Ineke Huysman (speaker), Lette Vos (vocals)
Location: Real Oratorio del Caballero de Gracia, C. del Caballero de Gracia, 5, Centro, 28013 Madrid
Welcome by Roel Nieuwenkamp, ambassador of the Kingdom of the Netherlands in Spain.
La Sfera Armoniosa will explore the world of the Dutch statesman Constantijn Huygens — a seventeenth-century homo universalis — through music, scent, and spoken word, tracing his diplomatic contacts with the Spanish court and his fascination with Spanish literature, music, and instruments: strings connecting two worlds.
This conference has been made possible thanks to the support of:
The research project CINTER of the Universidad Rey Juan Carlos; Privilegiadas, impopulares, y olvidadas reinas infértiles y princesas solteras en la España Moderna (Program URJC) and De Excellentia: Teoría y práctica de la virtud en la monarquía de España (siglos XV al XVII) Dexvir, PID 2022-139013 NB-100; Huygens Institute/NL-Lab; The Dutch Embassy in Madrid.
Bij een bezoek aan de Hoge Raad van Adel in Den Haag kreeg ik de gelegenheid om even in het prachtige archief te duiken op zoek naar brieven voor de correspondentie-databases waar ik aan werk. Al snel stuitte ik op een aantal bijzondere stukken. Zo kwam ik verschillende keren de naam en het handschrift van Constantijn Huygens tegen – al heel bijzonder op zich. Maar wat nog veel opvallender was: er dook een originele, eigenhandige brief op van Willem van Oranje die weliswaar bekend was, maar door onderzoekers nooit eerder als origineel werd gesignaleerd.
Eerste pagina van een brief van Willem van Oranje aan Johann Philipp I von Salm-Dhaun-Neufville, Hoge Raad van Adel, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.
Het gaat om een opvallend persoonlijke brief, geschreven op 30 juni 1558 door de toen 25-jarige Willem, gericht aan Johann Philipp I von Salm-Dhaun-Neufville (1520–1566), wild- en rijngraaf. In de brief verontschuldigt Willem zich op geestige toon voor zijn langdurige stilzwijgen: hij is zo overspoeld met correspondentie dat hij het simpele leven Hans en Gerard (wellicht zijn dienaren) begint te benijden. Hij bedankt de rijngraaf voor twee fraaie ‘muilezels’ die net zijn aangekomen, en doet een charmant verzoek: of hij diens koets mag overnemen voor hertogin Christina van Lotharingen, die er volgens hem erg naar verlangt. De toon is losjes en geestig: een zeldzaam inkijkje in de informele kant van de jonge prins. Misschien hangt de toon ook wel samen met de flirterige relatie die Willem en Christina onderhielden. Willem zag in haar vijftienjarige dochter Renata een huwelijkskandidaat, maar voelde eigenlijk veel meer voor de hertogin zelf.
Prent van Willem van Oranje, Hoge Raad van Adel, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.
Deze brief was ook opgenomen in de database van de Correspondentie van Willem van Oranje van het Huygens Instituut, maar dan uitsluitend in de vorm van een digitale afbeelding uit de gedrukte editie van Nicolaas Japikse: Correspondentie van Willem den Eerste (1934). Des te waardevoller dus dat het stuk nu in handschriftvorm is aangetroffen in de particuliere collectie Beelaerts van Blokland – een schenking uit 2007 aan de Hoge Raad van Adel – naast een transcriptie en een vertaling, vermoedelijk van de hand van Japikse. Wat het extra bijzonder maakt: het is een van de weinige eigenhandig geschreven en ondertekende brieven van Willem zelf. Van de meer dan 13.000 brieven in de database zijn er slechts 256 die aan die criteria voldoen. Daaraan is er nu dus eentje toegevoegd.
Brief van Daniel de Burchgrave aan Willem van Oranje, 9 juli 1582, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.
Inmiddels is ook een brief van Daniël de Burchgrave, procureur-generaal van de Raad van Vlaanderen toegevoegd. In die brief verzoekt De Burchgrave om een jaarsalaris van 500 gulden als superintendent voor het beheer en de restitutie van Egmonds goederen. De brief is gedateerd op 9 juli 1582, naar de eigenhandig ondertekende positieve reactie die Willem van Oranje er zelf op noteerde. Bij de Hoge Raad van Adel bevinden zich nog meer contemporaine kopieën van brieven aan en van Willem van Oranje. Binnenkort worden ook die brieven van en aan Willem van Oranje uit het archief van de Hoge Raad van Adel gedigitaliseerd en gekoppeld aan de database.
En er zijn ook juweeltjes van brieven van andere personen uit de Oranje-Nassau omgeving, zoals Louise de Coligny, stadhouder Willem III, Anna van Hannover …
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.