Béatrix de Cusance, Constantijn Huygens en de kunst van het verzamelen

Toen Constantijn Huygens in de zomer van 1652 kennismaakte met Béatrix de Cusance, hertogin van Lotharingen, woonde zij al jaren voornamelijk in de Zuidelijke Nederlanden. Haar leven was sterk bepaald door haar omstreden huwelijk met Karel IV, hertog van Lotharingen. Toen Béatrix in 1637 met hem trouwde, leefde zijn eerste echtgenote Nicole van Lotharingen nog. Rome erkende het huwelijk met Béatrix niet en in 1642 werden Karel en Béatrix zelfs geëxcommuniceerd. Na hun verzoening met de kerk moesten zij gescheiden leven.

Béatrix verbleef daardoor lange perioden zonder haar echtgenoot in de Zuidelijke Nederlanden, waar zij overigens zelf familie, bezittingen en een uitgebreid netwerk had. In Brussel woonde zij onder meer in het Hôtel de Berghes en ze verbleef geregeld op haar kastelen in Beersel en Eigenbrakel. Ook Antwerpen speelde een belangrijke rol in haar leven. Daar logeerde zij dikwijls bij de familie Duarte aan de Meir, een welgestelde Portugees-joodse familie die beroemd was om de muziek die in huis werd gemaakt. Bij de Duartes ontmoette Béatrix op 15 juli 1652 Constantijn Huygens.1

Portretten

Muziek werd een belangrijke verbindende factor in hun vriendschap, maar schilderijen en andere kunstvoorwerpen duiken bijna even vanzelfsprekend op in hun correspondentie. Beiden bewogen zich in een wereld waarin kunst werd gekocht en verzameld, maar ook werd gebruikt om vriendschappen en familiebanden zichtbaar te maken.

Dat blijkt bijzonder mooi uit een voorval kort na hun eerste ontmoeting. Een paar maanden daarna verraste Béatrix Huygens met twee portretten van zijn overgrootouders, Joris Vezelaer en Margaretha Boghe, geschilderd door Joos van Cleve. Béatrix had de schilderijen vermoedelijk op 12 september 1652 gekocht bij de Antwerpse kunsthandelaar Matthijs Musson. Ze liet ze eerst in haar eigen kabinet ophangen. Toen Huygens ze daar zag, schonk zij hem de twee portretten. Huygens was zo nieuwsgierig naar hun herkomst dat hij later zelf aan Musson schreef om er meer over te weten te komen.2 Beide hierboven afgebeelde schilderijen bevinden zich tegenwoordig in de National Gallery of Art in Washington.

Huygens liet het daar niet bij. Op 11 januari 1653 stuurde hij Béatrix een camee met een voorstelling van Adam en Eva, vergezeld van een gedicht waarin hij voortborduurde op haar geschenk:

Duchesse, c’est à vous que je doibs mes Parents,
C’est à vous que les miens et les vostres je rends.3

Hertogin, aan u dank ik mijn voorouders,
aan u geef ik de mijne en de uwe terug.

Béatrix had hem zijn voorouders teruggegeven, zo dichtte Huygens, en hij gaf haar nu hun gezamenlijke voorouders Adam en Eva. Hij eindigde door haar aan te spreken als zijn ‘cousine en Ève et en Adam’. De grap beviel kennelijk, want ook later bleef hij Béatrix soms in zijn brieven zijn verwante ‘en Adam et en Ève’ noemen. Beatrix bedankt Constantijn uitbundig in haar brief van 23 januari 1653. Op de adressering herhaalt ze het nogmaals:

Uw geschenk wordt bewonderd door ieder die het ziet; het is een zeldzaam stuk dat mijn verzameling ten zeerste siert.

Adres van brief van Béatrix de Cusance aan Constantijn Huygens van 23 januari 1653, Koninklijke Verzamelingen,
Archief Constantijn Huygens, G1-9.1, nr. 5

Portretten bleven in hun vriendschap een terugkerend onderwerp. Huygens wilde heel graag een portret van Béatrix hebben. Dat liet nogal op zich wachten. De beoogde schilder Justus van Egmont werd ziek en Huygens begon ongeduldig te worden. Hij schreef er brieven en zelfs gedichten over. In zijn gedicht Songe uit 1656 ging hij zelfs zo ver dat hij droomde dat hij Béatrix zelf bij zich had en haar schilderij eigenlijk niet meer nodig had.

Béatrix liet zich vaker portretteren en gaf ook opdracht tot portretten van haar kinderen. Gonzales Coques schilderde haar zoon Charles-Henri, Justus van Egmont haar dochter Anne en ook een van Béatrix zelf. In 1657 stuurde zij deze portretten naar haar echtgenoot Karel IV, die toen in Spanje gevangen zat. Van zijn reactie is alleen iets bekend over het portret van dochter Anne: dat vond hij weliswaar ‘bien à la mode’, maar hij meende ook dat haar gezicht enigszins door de pokken was getekend.

Justus van Egmont, Portret van een onbekende vrouw, ca. 1653–1656. Op grond van de datering, de schilder en de overeenkomsten met andere portretten is hier mogelijk Béatrix de Cusance afgebeeld. Museo Lázaro Galdiano, Madrid, inv. 08446. Afbeelding: Wikimedia Commons.

Kunstverzameling

Béatrix’ belangstelling beperkte zich niet tot portretten. Zij kocht kostbare voorwerpen, juwelen en schilderijen en schakelde daarvoor haar secretaris Claude-François Pelletier en mensen uit haar Antwerpse netwerk in. In 1653 probeerde Béatrix in Antwerpen een schilderij van Peter Paul Rubens ter waarde van 1.200 gulden te bemachtigen. Ze schakelde haar secretaris Pelletier in en hoopte dat hij Karel IV op een goed moment kon bewegen het bedrag ervoor neer te leggen.4

Hoe groot en veelzijdig haar belangstelling voor schilderkunst werkelijk was, wordt nu steeds duidelijker. In de inventaris van haar bezittingen die na haar dood in 1663 werd opgesteld, blijken meerdere werken aan Rubens te worden toegeschreven. Misschien bevond het schilderij dat zij in 1653 zo graag wilde hebben zich daar ook tussen. Voorlopig is alleen nog niet vast te stellen om welk werk het ging. Daarnaast staan er in de inventaris grote namen als Rubens, Titiaan, Mijtens, Brueghel, Veronese, Correggio en Daniel Seghers. Bij sommige schilderijen staat nadrukkelijk dat het om een werk ‘naar’ een kunstenaar gaat, bij andere wordt de naam zonder voorbehoud genoemd.

Ook inhoudelijk vallen enkele patronen op. Zo komen vrouwen vaak in de verzameling voor: vorstinnen en andere adellijke vrouwen, maar ook vrouwelijke heiligen en figuren uit de oudheid. Onder de geportretteerden bevinden zich bijvoorbeeld Christina van Zweden, Maria Henriette Stuart en Amalia van Solms, drie vrouwen die ook in de wereld van Constantijn Huygens een belangrijke plaats innamen en die Beatrix ook persoonlijk heeft gekend. Soms sluit de inventaris zelfs rechtstreeks aan bij wat uit de correspondentie al bekend was. Zo wordt een portret van de ‘Douairière d’Orange’, Amalia van Solms, genoemd. Huygens had Béatrix in Antwerpen in 1653 persoonlijk een portret van Amalia, vervaardigd door Gerard van Honthorst, overhandigd. Of het om precies hetzelfde schilderij gaat, moet nog worden vastgesteld.5

Jan Davidsz. de Heem, stilleven met haring, garnalen, fruit, wijn en bier, 1653, olieverf op paneel. Op de achterzijde staan de wapens van Karel IV van Lotharingen en Béatrix de Cusance; Christie’s noemt hen daarom als waarschijnlijke vroegste eigenaren. Foto en gegevens: Christie’s. Christie’s, lot 6591734

Een van de schilderijen uit Béatrix’ verzameling lijkt mogelijk zelfs te kunnen worden teruggevonden. Een stilleven van Jan Davidsz. de Heem uit 1653 draagt op de achterzijde de wapens van Karel IV van Lotharingen en Béatrix de Cusance. De voorstelling sluit bovendien opvallend goed aan bij een schilderij dat in haar verzameling wordt genoemd.

Juist tegen die achtergrond krijgt de kunstuitwisseling tussen Béatrix en Huygens meer betekenis. De twee familieportretten die zij voor hem opspoorde waren geen toevallig aardig cadeautje van iemand die ook weleens naar schilderijen keek. Béatrix was vertrouwd met de Antwerpse kunsthandel en bezat zelf een aanzienlijke verzameling. Huygens wist met wie hij over kunst sprak. Huygens was zelf een ervaren kunstkenner en verzamelaar. Hij kende de grote kunstenaars van zijn tijd, bemiddelde bij aankopen en opdrachten voor de Oranjes en bouwde in zijn Haagse huis een eigen verzameling op.6 Dat kunst zo vanzelfsprekend deel uitmaakte van zijn contacten met Béatrix, is dan ook niet verrassend. Hun belangstelling voor schilderijen vormde, naast muziek en literatuur, een van de culturele raakvlakken in hun vriendschap en briefwisseling.

De verdere bestudering van Béatrix’ kunstbezit kan het beeld van haar als verzamelaar aanzienlijk verdiepen. De inventaris biedt mogelijkheden om afzonderlijke schilderijen nader te identificeren, mogelijke verbanden te leggen met werken die nu in musea of particuliere collecties worden bewaard en vooral om haar verzameling als geheel beter te begrijpen. Nu al wordt duidelijk dat kunst in haar leven een grotere plaats innam dan uit de correspondentie alleen viel op te maken, en dat haar verzameling nauw verbonden was met de internationale culturele wereld waarin ook Huygens zich bewoog. Misschien duikt daarbij zelfs nog de camee met Adam en Eva op die Huygens haar in 1653 schonk. Béatrix noemde het destijds een ‘zeldzaam stuk’ dat haar verzameling sierde; het is dus goed denkbaar dat zij het tien jaar later nog altijd bezat.

Ineke Huysman, 19 september 2026


  1. J.H.W. Unger, Dagboek van Constantijn Huygens (Amsterdam 1885), 54. ↩︎
  2. L.L.E. Schlüter, ‘“gedaen door N. de Vos tot Antwerpen”: Lotgevallen van de portretten van Joris Vezelaer en Margaretha Boghe van Constantijn Huygens, geschilderd door Joos van Cleve’, Oud-Holland 119 (2006), 147-158, in het bijzonder 150-152. ↩︎
  3. Ineke Huysman en Rudolf Rasch (eds.), Béatrix en Constantijn. De briefwisseling tussen Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens 1652-1662 (Amsterdam 2009), nr. 10, 94-95. ↩︎
  4. Bibliothèque Municipale de Besançon, Ms. 1117, fols. 10-11, Béatrix de Cusance aan Claude-François Pelletier, 10 april 1653 ↩︎
  5. Huysman en Rasch, Béatrix en Constantijn, 97-101. ↩︎
  6. Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof (Dissertatie Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 2010), met name 72-73 en 116-122. ↩︎

De komeet van 1665

Op 15 april 1665 schreef de jezuïet Jean Bertet vanuit Lyon een brief aan Constantijn Huygens in Orange. Het was al dagen helder weer en Bertet maakte daar gebruik van om astronomische waarnemingen te doen. Vooral een nieuwe komeet hield hem bezig. Deze komeet wordt tegenwoordig aangeduid als C/1665 F1 en wordt vanwege zijn helderheid gerekend tot de grote kometen van de zeventiende eeuw.

De komeet was vanaf 27 maart zichtbaar en werd in april op verschillende plaatsen in Europa gevolgd. Ook de bekende astronoom Johannes Hevelius observeerde hem vanuit Danzig. Van de komeet maakte hij tussen 6 en 20 april nauwkeurige waarnemingen. Op 6 april zag hij hem in het sterrenbeeld Pegasus, met een staart van ongeveer 17 graden. Ook de jonge Isaac Newton zag de komeet en tekende op 5 april 1665 de positie ervan aan in een van zijn notitieboeken. Op 24 april kwam de komeet het dichtst bij de zon. Kort daarna verdween hij vanaf het noordelijk halfrond uit het zicht.

Brief van Jean Bertet aan Constantijn Huygens, 15 april 1665, Universiteitsbibliotheek Leiden, Cod. Hug. 45 (Bertet) 2.

Jean Bertet zelf was meer dan een toevallige waarnemer. Hij werd in 1622 in Tarascon geboren, trad op jonge leeftijd toe tot de jezuïeten en doceerde later filosofie en wiskunde in Grenoble en Aix-en-Provence. In 1671 werd hij docent aan het jezuïetencollege in Parijs. Hij maakte deel uit van een Europees netwerk waarin geleerden waarnemingen, boeken en ideeën met elkaar uitwisselden.

Bertet volgde de komeet al enige tijd, zo schreef hij Constantijn. Op 12 april dacht hij even dat hij iets over de afstand van de komeet tot de aarde kon bepalen, maar later kwam hij daarop terug. Hij noteerde eveneens dat de komeet bij zonsopgang nog maar 18 graden boven de horizon stond. Bertet probeerde uit de beweging van de komeet ook iets af te leiden over de plaats van de aarde in het heelal. Volgens hem ondersteunden zijn waarnemingen het idee van Copernicus dat de aarde om de zon draait.

Christiaan Huygens

De brief gaat ook over Christiaan Huygens. Bertet noemt hem tegenover zijn vader ‘vostre illustre Archimède’, ‘uw beroemde Archimedes’. Christiaan had toen al naam gemaakt met zijn onderzoek naar Saturnus, de ontdekking van de maan Titan en met zijn slingeruurwerk.

Christiaan Huygens door Caspar Netscher, 1671.

Ook Christiaan volgde de nieuwe komeet. In zijn eigen aantekeningen staan waarnemingen van 11, 12, 13, 14 en 17 april 1665. Hij bepaalde waar de komeet aan de hemel stond en keek naar de lengte en richting van de staart. Op 16 april stuurde hij de Franse astronoom Adrien Auzout zijn waarnemingen van de nieuwe komeet die hij tot dan toe had verzameld.

Bertet en Christiaan keken dus in dezelfde periode op verschillende plaatsen naar hetzelfde verschijnsel. De verbinding tussen hen liep in eerste instantie via vader Constantijn. Constantijn was kort daarvoor zelf in Lyon geweest. Hij was onderweg van Parijs naar Orange, waar hij namens de Oranjes de teruggave van het prinsdom aan Willem III moest begeleiden. Op 6 april kwam hij in Lyon aan. Daar bleef hij enkele dagen en ontmoette hij verschillende geleerde jezuïeten. Henri-Louis Habert de Montmor, een Parijse geleerde die een belangrijke wetenschappelijke kring om zich heen had, schreef Bertet al op 24 maart dat Constantijn eraan kwam en vroeg hem goed voor zijn gast te zorgen. In die aanbevelingsbrief roemde hij ook uitgebreid Constantijns beroemde zoon Christiaan.

Op 9 april kreeg Constantijn in Lyon van Bertet een brief met astronomische waarnemingen, bestemd voor Christiaan. De eerste daarvan dateren van 2 april. Bertet noteerde van dag tot dag waar de komeet aan de hemel stond. Constantijn stuurde deze gegevens daarna door aan zijn zoon.

Astronomische waarnemingen van Jean Bertet uit april 1665, bestemd voor Christiaan Huygens.

Christiaan had zich overigens enkele maanden eerder al uitvoerig beziggehouden met een andere grote komeet die vanaf december 1664 zichtbaar was, nu bekend als C/1664 W1. In juni 1665 schreef hij rechtstreeks aan Bertet dat hij diens waarnemingen had vergeleken met zijn eigen observaties. Zijn conclusie was dat de baan van deze komeet veel moeilijker te verklaren was dan die van de vorige. De waarnemingen pasten minder goed bij het idee van een rechte baan. Bertet was in april nog uitgegaan van de hypothese dat de nieuwe komeet zich in een rechte lijn bewoog.

Orion en Saturnus

In Bertets brief aan Constantijn Huygens komt nog een ander astronomisch onderwerp ter sprake. Hij vertelt dat de jezuïet en natuuronderzoeker Honoré Fabri veranderingen meende te zien bij de kleine sterren in het zwaard van het sterrenbeeld Orion. Juist dat gebied had Christiaan beschreven in zijn Systema Saturnium uit 1659. Daarin gaf hij ook een afbeelding van wat wij nu de Orionnevel noemen.

De Orionnevel, afgebeeld door Christiaan Huygens in Systema Saturnium (1659).

Fabri kende Christiaans werk goed. Hij had zich eerder in de discussie over Saturnus tegen Huygens gekeerd. Fabri betwijfelde Huygens’ verklaring dat Saturnus door een ring werd omgeven. Eind 1664 meldde de jezuïet en astronoom Gilles-François de Gottignies vanuit Rome dat Fabri inmiddels door zijn eigen waarnemingen overtuigd was geraakt en Christiaan alsnog gelijk gaf. Als Bertet aan Constantijn schrijft dat Fabri nu ‘bekeerd’ is, doelt hij dus op diens veranderde standpunt over Saturnus.

Bertets brief aan Constantijn Huygens laat goed zien hoe astronomische kennis in de zeventiende eeuw circuleerde. Dezelfde komeet werd op verschillende plaatsen waargenomen, metingen werden per brief uitgewisseld en vervolgens met elkaar vergeleken. Bertets gegevens gingen via Constantijn naar Christiaan, die ze naast zijn eigen waarnemingen legde en later weer rechtstreeks aan Bertet schreef.


Christiaans belangstelling voor de hemel bleef zijn hele leven bestaan. Aan het einde van zijn leven schreef hij Cosmotheoros, waarin hij nadacht over andere werelden en de mogelijkheid van leven op andere planeten. Het boek verscheen na zijn dood. In 2024 verscheen bij Boom Cosmotheoros. Christiaan Huygens over buitenaards leven, hertaald, geannoteerd en ingeleid door Daphne Stam, theoretisch natuurkundige en gespecialiseerd in onderzoek naar planeten en hun atmosferen.

Op zaterdag 31 oktober 2026 spreekt Daphne Stam over Christiaan Huygens tijdens het symposium Haagse Vrijdenkers in de Nieuwe Kerk in Den Haag. Daar staan drie zeventiende-eeuwse denkers centraal die nauw met Den Haag verbonden waren: wetenschapper Christiaan Huygens, filosoof Benedictus de Spinoza en politicus Johan de Witt. Yoram Stein spreekt over Spinoza en Jean-Marc van Tol over De Witt. ’s Middags wordt de verbinding gelegd met de vraag wat vrijdenken tegenwoordig betekent. Het programma loopt van 10.00 tot 15.00 uur.

Meer informatie en kaarten voor Haagse Vrijdenkers, 31 oktober 2026

Van Dyck tussen Genua en Rijswijk

Op 26 juni 1638 schreef Constantijn Huygens vanuit Noordgeest (bij Bergen op Zoom) een brief vol militair nieuws aan Amalia van Solms, de echtgenote van zijn werkgever, stadhouder Frederik Hendrik. Die brief sluit verrassend goed aan bij de tentoonstelling Van Dyck, the European in Genua. Huygens berichtte over gevangenen, losgeld, Spaanse officieren, nieuws uit Frankrijk en de nasleep van een mislukte veldtocht in het Waasland.

Fragment brief Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, 26 juni 1638, KV, Archief Amalia van Solms, A14a-XIII-18c-1

Maar tussen al dat oorlogsnieuws door maakte hij ineens een overgang naar iets heel anders. De dag daarvoor, zo schreef hij, was ‘Monsieur Goringh’ aangekomen. Het ging hier om Lord Goring. Deze had portretten bij zich van Karel I en Henriëtta Maria, de koning en koningin van Engeland, geschilderd door Anthony Van Dyck. Huygens liet Amalia weten dat Frederik Hendrik de schilderijen had gezien en goedgekeurd. Zelf was hij diep onder de indruk. Hij schreef dat hij zelden een werk van Van Dyck van deze kwaliteit had gezien. Vooral de weergave van de kleding bewonderde hij. De stoffen leken bijna tastbaar. Ook de sieraden van de koningin vielen hem op, net als haar nauwelijks bedekte hals en boezem.

Dat detail is interessant omdat Huygens hier niet alleen schrijft als secretaris van Frederik Hendrik, maar ook als kunstkenner. Hij kende Van Dyck bovendien persoonlijk. Op 28 januari 1632 had hij zelf voor hem geposeerd. Een geschilderd portret van Huygens door Van Dyck is niet bewaard gebleven, maar Paulus Pontius maakte wel een kopergravure naar het prototype, die werd opgenomen in Van Dycks Iconographie. Huygens wist dus heel goed wie Van Dyck was en wat zijn werk bijzonder maakte.

Portret van Constantijn Huygens, Paulus Pontius naar Anthony Van Dyck, 1632, Rijksmuseum Amsterdam.

Voor Amalia was vooral van belang dat Frederik Hendrik de portretten had goedgekeurd en dat ze zo snel mogelijk naar Huis ter Nieuburch in Rijswijk moesten worden gebracht. Dat de schilderijen juist in Rijswijk terechtkwamen, is veelzeggend. Huis ter Nieuburch was tussen 1630 en 1634 gebouwd als representatief paleis van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Daar functioneerden de verzamelde portretten niet alleen als versiering. Ze lieten zien met wie de Oranjes verbonden waren. Een vorstengalerij maakte familiebanden, diplomatieke relaties en politieke ambities zichtbaar.

De keuze voor portretten van Karel I en Henriëtta Maria lag voor de hand. De banden tussen de Oranjes en de Stuarts waren nauw. Amalia van Solms had een bijzondere band met Elizabeth Stuart, de zus van Karel I en de echtgenote van Frederik V van de Palts, bij wie ze voor haar huwelijk met Frederik Hendrik als hofdame in dienst was geweest. Enkele jaren later werden de relaties nog sterker bezegeld door het huwelijk van Willem II, de zoon van Frederik Hendrik en Amalia, met Maria Henrietta Stuart, de dochter van Karel I en Henriëtta Maria. Dat huwelijk vond plaats op 2 mei 1641.

In de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven is het verhaal van deze portretten uitgewerkt door Katlijne Van der Stighelen, een van de grote Van Dyck-experts en samen met Anna Orlando curator van de tentoonstelling Van Dyck, the European in het Palazzo Ducale in Genua. In haar artikel in de bundel laat ze zien dat de schilderijen die Huygens in 1638 in Noordgeest zag, kunnen worden geïdentificeerd met de levensgrote pendanten van Karel I en Henriëtta Maria die nu op Schloss Oranienburg worden bewaard. Op de tentoonstelling in Genua zijn deze twee portretten niet te zien, maar wel een ander portret van het Engelse koningspaar.

Van Dyck, the European

Van Dyck, the European is een indrukwekkende tentoonstelling. Dat begint al bij de locatie. Het Palazzo Ducale is op zichzelf al een bezoek waard: groots, chic en ruim, zonder dat de schilderijen daardoor verdwijnen. Integendeel, de zalen geven de werken precies de ruimte die ze nodig hebben. De tentoonstelling begint met een overzichtelijke tijdlijn van Van Dycks leven en loopbaan. Meteen daarna zie je hoe vroeg zijn talent zichtbaar was, onder meer in een prachtig zelfportret dat hij al als tiener schilderde.

Zelfportret, Anthony Van Dyck, ca. 1616-1617, Rubenshuis, Antwerpen.

De tentoonstelling is overzichtelijk opgebouwd rond verschillende thema’s, periodes en locaties uit Van Dycks loopbaan: Vlaanderen, Genua en Engeland, maar ook familie, religie, hofcultuur, vrouwenportretten en internationale representatie. Wat goed zichtbaar wordt, is hoe Europees Van Dyck werkelijk was. Zijn basis lag in Vlaanderen, waar hij al jong naam maakte in de omgeving van Rubens en zich ontwikkelde tot een uitzonderlijk begaafde schilder van portretten en religieuze voorstellingen. Dat vroege zelfportret laat meteen zien hoe zelfbewust hij toen al was. In Genua gaf hij de aristocratie vervolgens een vorstelijke uitstraling, met lange figuren, zwierige gewaden, trappen, zuilen en gordijnen. In Engeland werd hij de schilder van Karel I, Henriëtta Maria en hun hof. Daar ontwikkelde hij een beeldtaal die tot ver buiten Engeland herkenbaar bleef. 

De tentoonstelling bevat prachtige werken, ook uit particuliere collecties, en daardoor zie je schilderijen die je niet snel elders tegenkomt. Er zijn grote portretten, religieuze schilderijen, studies, familieportretten en een paar echte verrassingen. Een van de meest ontroerende werken vond ik het kleine portret van de prinsessen Elizabeth en Anne, dochters van Karel I en Henriëtta Maria. Het gaat om een olieverfschets uit 1637, gemaakt ter voorbereiding op het grote groepsportret van de vijf oudste kinderen van het Engelse koningspaar. Op de oude inscriptie wordt het jongste kind ten onrechte aangeduid als Henry, Duke of Gloucester. In de tentoonstelling is dit rechtgezet: het gaat om Anne, de jongste dochter van Karel I en Henriëtta Maria. Anne stierf al in 1640. Ook Elizabeth werd niet oud: zij stierf in 1650, veertien jaar oud, in Carisbrooke Castle op het Isle of Wight, waar ze gevangen werd gehouden na de executie van haar vader. Juist doordat het zo klein is, komt dat portret dichtbij.  Elizabeth draagt een parelketting, waardoor je meteen ziet in welke wereld ze thuishoort. Tegelijk blijven het kinderen. Van Dyck kon pracht en status schilderen, maar ook kwetsbaarheid. Dat maakt dit werk zo ontroerend.

Elizabeth en Anne, dochters van Karel I and Henrietta Maria, Anthony Van Dyck, 1637, National Gallery of Scotland.

Ook de vrouwenportretten behoren tot de mooiste onderdelen van de tentoonstelling. Van Dyck schilderde vrouwen niet als bijfiguren in een mannelijk hofverhaal, maar als dragers van status, smaak en karakter. Dat zie je in de portretten van de adellijke vrouwen, maar ook in de werken waarin zijn eigen leven dichterbij komt. Bijzonder is bijvoorbeeld zijn tekening van Margaret Lemon, die bekendstaat als zijn minnares en model.

Margaret Lemon, Anthony Van Dyck, Fitzwilliam Museum.

Daartegenover staat Mary Ruthven, Van Dycks vrouw, afkomstig uit een Schotse adellijke familie en hofdame van koningin Henriëtta Maria. Volgens latere overlevering zou Karel I hebben aangedrongen op dit huwelijk, mogelijk omdat hij Van Dycks verhouding met Margaret Lemon onwenselijk vond. Ook dat maakt de tentoonstelling boeiend: naast de grote dynastieke portretten van koningen, koninginnen en prinsenkinderen zie je hoe vrouwen rond Van Dyck zelf – als model, minnares, echtgenote of vorstelijke opdrachtgever – deel werden van zijn beeldwereld.

Mary Ruthven, Anthony Van Dyck, ca. 1640, Prado, Madrid.

Voor mijzelf was het bijzonder om het levensgrote portret van Henriëtte van Lotharingen in het echt te zien. Zij was de schoonzus van Béatrix de Cusance, een goede vriendin van Constantijn Huygens, en bovendien een vrouw met wie Béatrix bepaald geen eenvoudige verhouding had. Van Dyck schilderde Béatrix de Cusance in dezelfde periode, al is dat portret niet in deze tentoonstelling te zien. Juist daardoor werd Henriëtte van Lotharingen voor mij een soort onverwachte persoonlijke schakel in de tentoonstelling: ineens kwamen Van Dyck, Huygens, de Lotharingse hofwereld en mijn eigen eerdere onderzoek bij elkaar.

Henriëtte van Lotharingen, 1634, Anthony van Dyck, Kenwood House.

Op de tentoonstelling hangt ook een prachtig duoportret van Karel I en Henriëtta Maria. Dat zijn dus niet de pendanten die Huygens in 1638 in Noordgeest zag, maar het portret roept wel dezelfde wereld op: die van het Engelse hof en de internationale reputatie van Van Dyck.

Karel I en Henrietta Maria, Anthony van Dyck, 1632, Aartsdiocesaan Museum Kroměříž.

Terug naar de portretten voor Frederik Hendrik en Amalia

Met die hofwereld in gedachten keren we terug naar Van Dijcks portretten van Karel I en Henriëtta Maria die in 1638 via Lord Goring naar Frederik Hendrik en Amalia kwamen. Waarschijnlijk werden ze vanuit Londen overgebracht en vanwege hun grote formaat opgerold vervoerd. Huygens twijfelde niet aan de eigenhandigheid van de schilderijen. Voor hem waren het werken van Van Dyck zelf, gemaakt in vorstelijke opdracht en bestemd voor een vorstelijke omgeving.

Later is daar door sommigen genuanceerder naar gekeken. Oliver Millar omschreef de pendanten in Oranienburg als ‘repetitions’. Dat hoeft niet te betekenen dat Van Dyck er geen aandeel in had. Bij tweede versies kon het atelier de compositie overnemen, waarna Van Dyck zelf de afwerking verzorgde. Juist wat Huygens bewonderde – de tastbaarheid van de kostuums en de glans van de juwelen – past goed bij zulke laatste ingrepen van zijn hand.

Hoe dan ook zijn de portretten belangrijk. Ze behoren tot de oudste staatsieportretten van Karel I en Henriëtta Maria die op het vasteland arriveerden. Ze hielpen mee om het beeld van het Engelse koningspaar in Europa te verspreiden. In 1702 werden ze geïnventariseerd in Slot Honselaarsdijk, waar ze in 1742 nog steeds waren. Daarna kwamen ze terecht in de Bildergalerie van Schloss Sanssouci in Potsdam en uiteindelijk in Schloss Oranienburg.

De brief van Huygens aan Amalia van Solms laat goed zien hoe kunst, diplomatie en familiepolitiek in de zeventiende eeuw met elkaar verbonden waren. Wat hij aan Amalia meldt, lijkt op het eerste gezicht een praktisch bericht: Goring is aangekomen, Frederik Hendrik heeft de portretten gezien, ze moeten naar Rijswijk. Maar daarachter schuilt een groter verhaal. De portretten waren geschenken, zichtbare schakels in een Europees netwerk van vorstenhuizen.

Precies dat maakt de tentoonstelling in Genua zo sterk. Van Dyck verschijnt er niet als schilder van één stad of één hof, maar als kunstenaar van een Europese elite die zichzelf presenteerde. Voor mij maakte dat de brief van Huygens aan Amalia nog interessanter. Door de tentoonstelling zag ik nog duidelijker wat er in juni 1638 eigenlijk in Noordgeest gebeurde: niet alleen de aankomst van twee schilderijen, maar de komst van het Engelse hof in beeldvorm naar de wereld van Frederik Hendrik en Amalia van Solms.

De tentoonstelling Van Dyck, the European was tot en met 19 juli 2026 te zien in het Palazzo Ducale in Genua. Mijn overzicht met eigen en niet altijd even perfecte foto’s geeft maar een kleine en heel persoonlijke selectie van wat er te zien was. Het stuk van Katlijne Van der Stighelen over Huygens en Van Dyck is terug te vinden in het boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven.

Ineke Huysman, 14 juni 2026

De tentoonstelling Van Dyck, the European was van 20 maart tot en met 19 juli 2026 te zien in het Palazzo Ducale in Genua.

Huygens’ draaier, un homme de rares qualités   

In liefst zestien brieven die Constantijn Huygens en René Descartes met elkaar wisselden tussen 1635 tot 1640 duikt een persoon op die steevast wordt aangeduid als de ‘tourneur d’Amsterdam’.[1] Het gaat dan om de ambachtsman die door Huygens werd betaald om de lenzenslijpmachine te bouwen die Descartes had ontworpen en beschreven in La Dioptrique (behorend bij het Discours de la méthode, 1637).

Machine om lenzen te slijpen. Descartes, La Dioptrique, p. 144, in Discours de la méthode (Leiden, 1637). München, Bayerische Staatsbibliothek.

Doorlopend bespreken Huygens en Descartes de voortgang, de problemen en de resultaten van het project, en Descartes zocht de vakman ten minste één keer op om het werk te bekijken.[2] Ondanks de gezamenlijke inspanningen lijkt het in 1639 duidelijk dat de onderneming geen echt succes is, en daarna wordt de persoon in kwestie nauwelijks meer in de briefwisseling genoemd.[3]

De identiteit van de ‘tourneur’ of draaier kon tot op heden niet met zekerheid worden vastgesteld, al bestond er een vermoeden. Nu veel archivalische bronnen op internet doorzoekbaar zijn, was het mogelijk om dat vermoeden te testen. Het digitaal doorspitten van archieven en bibliotheken bleek meer dan de moeite waard, en de resultaten leggen we hieronder vast. We weten nu zeker wie de draaier van Huygens was, en dus wie er in al die brieven bedoeld werd. We konden ook een klein mysterie ontrafelen: de laatste brieven over de ambachtsman laten zien dat Huygens en Descartes zich inspanden om hem aan een betrekking helpen, maar tot nu toe was het onduidelijk waar dat over ging. De kers op de taart van dit onderzoek is misschien wel dat de draaier van Amsterdam nog over een andere en onverwachte vaardigheid bleek te beschikken, die hem in dienst van de Prins van Oranje bracht.

Het vermoeden

Er zijn verschillende vermoedens geuit over de identiteit van de ambachtsman, en er bestaat enige consensus — als men die term mag gebruiken, gezien de beperkte aandacht die deze kwestie heeft gekregen — over een mogelijke kandidaat. Ongeveer negentig jaar geleden vond Willem Ploeg in een verzameling papieren van Constantijn Huygens de naam van een zekere meester Paulus Claesz van Arnhem. Hij zou een ‘draeyer’ (tourneur) zijn, van wie schetsen van ornamenten en diverse recepten voor de verfraaiing ervan in het manuscript zijn aangetroffen, gedateerd 4 en 8 januari 1639.[4]

Daarnaast vermeldde Christiaan Huygens in 1653 een lenzenslijper genaamd ‘meester Paulus’, mogelijk dezelfde Amsterdamse ambachtsman.[5] Aangezien dat dit alles was wat bekend was, lijkt Ploegs bewering, dat het ‘niet te gewaagd is te veronderstellen’ dat meester Paulus de draaier van Huygens is, nogal gedurfd.[6] Maar het blijkt dat hij gelijk had. Voorheen ontbrak aanvullende informatie die meester Paulus verbonden met de houtdraaier. Die lacune is nu echter gedicht, mede dankzij de archiefbronnen die tegenwoordig online beschikbaar zijn. Het hulpprogramma Trankribus, dat het Stadsarchief Amsterdam en Het Utrechts Archief aanbieden, was uitermate nuttig. De identificatie verloopt hieronder in drie stappen, die ons langs drie verschillende steden voert, namelijk Amsterdam, voor de broodnodige biografische gegevens, Leiden, met betrekking tot het baantje dat Huygens en Descartes voor de draaier wilden regelen, en tenslotte Breda, waar meester Paulus in dienst trad van de Prins.

Paulus Claesz van Arnhem, een Amsterdamse draaier

Uit diverse notariële akten en andere archiefbescheiden kunnen we de volgende informatie over Paulus Claesz van Arnhem destilleren. De vroegste vermelding tot nu toe is de aankondiging van zijn huwelijk met Josijntje Jans (Bosmans) in Amsterdam in 1630.[7] Het register vermeldt dat hij van beroep ebbenhoutdraaier is, afkomstig uit Utrecht, en dat zijn eerste vrouw, Lysbeth Jans, was gestorven. Josijntje was afkomstig uit Haarlem. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, die tussen 1632 en 1653 in Amsterdam werden geboren, maar slechts twee zoons bereikten de volwassenheid.[8] Twee notariële akten uit november 1656 en november 1667 vermelden zijn leeftijd als respectievelijk 50 en 60 jaar, zodat hij rond 1607 geboren moet zijn.[9] Hij stierf in 1671.[10]

Zijn voornaam Paulus wordt soms geschreven als Pauls of Pouwels. Zijn patroniem Claesz of Claessen (‘zoon van Claes’) wordt in de meeste gevallen vermeld. Vaak geeft hij de familienaam Van Arnhem, maar we vinden ook de familienaam Cleijn, en deze laatste lijkt in de loop der tijd de voorkeur te hebben gekregen. Bij vergelijking van al deze documenten kan er geen twijfel over bestaan dat we met één en dezelfde persoon te maken hebben. Veel documenten vermelden dat Paulus Claesz draaier was, en zodoende is het heel goed mogelijk dat het om dezelfde persoon kan gaan wiens schetsen in Huygens’ papieren worden gevonden. Maar is hij ook de ‘tourneur d’Amsterdam’ uit de brieven tussen Descartes en Huygens?

Een betrekking in Leiden

De laatste vermelding van de ‘draaier van Amsterdam’ in de Descartes-Huygens-correspondentie biedt een cruciaal aanknopingspunt. In juli 1640 deden Descartes en Huygens een poging om voor de tourneur een betrekking in Leiden te regelen. Op 24 juli schreef Huygens aan Descartes vanuit het legerkamp te Reek (nabij Grave):

Mijnheer,

De brief die u mij ten behoeve van onze draaier [tourneur] heeft willen schrijven, bereikte mij nabij Hulst, juist toen ik op het punt stond in allerijl te vertrekken voor een reis die Zijne Hoogheid mij in zijn dienst naar Den Haag had opgedragen; aangezien de wind en het getij mij gunstig gezind waren, kostte het mij slechts één dag om heen te reizen en nog een dag om terug te keren. Maar al dit tumult kon mij er niet toe brengen uw opdrachten, die ik zozeer eerbiedig, te doen verwaarlozen. Ik drong er bij de Kapitein van de Garde met klem op aan mij de brief te verschaffen waarom u hem had gevraagd; en de volgende dag bracht ik die zelf naar Den Haag, vanwaar ik hem onmiddellijk naar Leiden zond, in de hoop dat hij daar het beloofde effect zou sorteren.[11]

Constantijn Huygens aan Descartes, 24 juli 1640. Autograaf, Bibl. nat. de France, NAF 23084, fol. 109r. Huygens Briefwisseling, brief n0238 (niet in Worp).

Descartes antwoordde een week later verheugd vanuit Leiden:

Mijnheer,

Het is mij een buitengewone gunst dat u, te midden van zovele uiteenlopende bezigheden en zoveel gewichtige zaken die uw aandacht opeisen, zich nog verwaardigt een zo nutteloos persoon als ik te gedenken. En ik twijfel er niet aan dat de brief die u de moeite heeft genomen ten behoeve van de draaier te bezorgen zijn doel heeft getroffen, maar hij heeft het effect nog niet gevoeld, behalve voor zover de heren van deze stad nog aan niemand de door hem gewenste betrekking hebben gegeven, en de gezichten van hen met wie hij heeft gesproken hem zijn hoop niet hebben ontnomen.[12]

René Descartes aan Const. Huygens, 31 juli 1640. Autograaf, Bibl. nat. de France, NAF 23084, fol. 111r. Huygens Briefwisseling, brief 2464 (Worp, Briefwisseling, dl. 3, p. 73, niet naar de autograaf).

De ambachtsman had zijn oog laten vallen op een betrekking in Leiden — wellicht had Descartes hem erover verteld — en hij vond Descartes bereid om zich voor hem in te spannen. Descartes schreef aan Huygens om van de Kapitein van de Garde van de prins een brief te verkrijgen die de ambachtsman blijkbaar nodig had om de positie te bemachtigen.[13] Eind juli echter hadden de ‘heren van deze stad’ (Leiden) nog geen beslissing genomen. De bewuste betrekking lijkt een openbare functie te zijn geweest, aangezien de stadsbestuurders erover gaan. Als dat klopt, zou het een functie in gemeentelijke dienst of aan de universiteit kunnen zijn.

Paulus Claesz van Arnhem, schermmeester

Een akte van 15 juni 1641, opgemaakt in Leiden, vermeldt een tweede beroep van Paulus Claesz van Arnhem. Hij wordt ‘schermmeester ende kunstdraeyer’ genoemd.[14]

Ondertekening van de notariële akte van 15 juni 1641 door Paulus van Arnhem: ‘by my Pauls Cla[e]ss van Aernem schermmeester ende kunst draeyer’ (Erfgoed Leiden en Omstreken, zie voetnoot 14).

Het beroep van schermmeester wordt in de meeste documenten na juni 1641 vermeld. De handtekening in dit document en die in de hierboven vermelde Amsterdamse documenten zijn duidelijk van één en dezelfde persoon. Meester Paulus was dus niet alleen een bankdraaier die werkte met goud, zilver, ivoor en kostbare houtsoorten, maar ook een schermmeester.

Is het mogelijk de aanwezigheid van Paulus Claesz als schermmeester in Leiden te verbinden met de betrekking die Descartes en Huygens voor de hem probeerden te regelen? In de zomer van 1640 lijkt er een kans voor een schermmeester aan de Leidse universiteit te zijn geweest. De vaste schermmeester was Henrick van Taden, die enkele malen in de registers van de universiteitssenaat wordt genoemd, hetzij omdat hij vroeg om een jaarlijks salaris (in 1637 en opnieuw in 1638, beide keren geweigerd; de leraar werd immers rechtstreeks door de studenten zelf voor zijn lessen betaald), hetzij omdat hij klaagde over de medische professoren die, vóór hun demonstraties in het anatomisch theater, de vervelende gewoonte hadden door de naastgelegen schermschool te lopen.[15] Mogelijk uit ontevredenheid besloot hij terug te keren naar zijn geboortestad Utrecht om daar stadsschermmeester te worden.[16]

De schermschool van de Leidse universiteit (‘Delineatio ludi publici gladiatorii urbis et academiae Lugdunensis apud Batavos’), 1610. Gravure van Willem Isaacsz. van Swanenburg naar een tekening van Jan Cornelisz. van ’t Woudt (Rijksmuseum, Amsterdam).

Begin juni 1640 verzocht een zekere Johannes Camerarius de universiteitssenaat of hij de (kennelijk vacante) plaats van de ‘gladiator’ (vecht- of schermmeester) Van Taden mocht innemen. Camerarius was sinds 1638 als schermmeester in Leiden actief. De senaat besloot echter de magistraat te verzoeken de kwestie nog enige tijd uit te stellen totdat zij tot een beslissing waren gekomen.[17] Deze omstandigheden passen mooi aan bij de situatie die Descartes in zijn brief aan Huygens van eind juli 1640 beschrijft: er was nog geen beslissing genomen over wie de betrekking zou krijgen. De aanwezigheid van Paulus Claesz van Arnhem in Leiden een jaar later, in documenten die hem zowel als draaier als schermmeester beschrijven, is een sterke aanwijzing dat hij inderdaad de tourneur d’Amsterdam is.

Of hij de functie van universitaire schermmeester daadwerkelijk heeft gekregen, kan helaas niet worden bevestigd.[18] Ook weten we niet precies wanneer hij in Leiden arriveerde of hoelang hij er bleef. In ieder geval waren schermlessen niet zijn enige bron van inkomsten, want in juni 1641 nam hij een leerling aan die vanuit Amsterdam was gekomen om te leren werken met een draaibank.[19]

Een opvallende getuigenis ten overstaan van een notaris maakt duidelijk dat de verhouding tussen zittende schermmeester Camerarius en zijn entourage, en meester Paulus, de nieuwkomer, gespannen moet zijn geweest. In die getuigenis legt een Franse student, André Thévenot, vast wat er op een zomerse middag was voorgevallen op de Doelen, het terrein waar de schutterij oefende. Die middag waren meester Paulus en de student naar het oefenterrein gegaan om een roer (een kleine musket) uit te proberen. Toen het begon te regenen, gingen ze het gebouw van de schutterij binnen om zich te laven aan een pul bier. Binnen troffen ze Johannes Camerarius en enige van zijn studenten. Camerarius kwam naar hen toe en vroeg of hij het wapen mocht bekijken; hij maakte enige ‘betamelijke’ opmerkingen en gaf het wapen terug. Kort daarop sloeg één van Camerarius’ gezellen ‘zonder enige aanleiding’ meester Paulus in het gezicht, en liet hem met bloedende lippen achter. De volgende dag bezocht Thévenot een notaris om dit voorval formeel vast te laten leggen, ongetwijfeld ten behoeve van meester Paulus, mocht hij besluiten er een zaak van te maken.[20]

Soldaat die de lont aanblaast van zijn roer. Afbeelding uit instructies voor het hanteren van de roer, The exercise of armes … after the ordre of Maurits Prince of Orange, Engelse editie van J. de Gheyns Wapenhandelinghe (Den Haag, 1608).

Schermmeester van Zijne Hoogheid in Breda

Hoe het meester Paulus precies is vergaan in Leiden, blijft onduidelijk. Het is niet bekend hoe lang hij in de sleutelstad bleef, en het lijkt erop dat zijn gezin in Amsterdam bleef.[21] Mogelijk vertrok meester Paulus zelf na enige tijd weer naar Amsterdam, maar hoe dan ook verloor Huygens hem niet uit het oog, en maakte hij uiteindelijk carrière: hij werd ‘schermmeester van Zijne Hoogheid’ aan de Illustre School en het Collegium Auriacum te Breda.

Deze instellingen van hoger onderwijs waren in 1646 gesticht door stadhouder Frederik-Hendrik, Prins van Oranje (1584-1647). Twee van de drie curatoren van deze instellingen waren de theoloog André Rivet (1572-1651) en Constantijn Huygens. In augustus 1647 arriveerde meester Paulus in de Brabantse stad en overhandigde zijn aanstellingsbrief aan de rector. Deze was verrast, zo schreef hij aan Huygens, dat de schermmeester van Zijne Hoogheid een jaarlijks salaris zou ontvangen — gelijk aan een soldatensalaris; de rector uitte enige bezwaren tegen deze bijzondere behandeling — en dat hij zonder middelen en zonder behoorlijke voorzieningen in Breda was aangekomen. De rector verzekerde Huygens echter dat alle praktische zaken zouden worden geregeld.[22]

Gebouw van de Illustre School en het Collegium Auriacum te Breda, in het voormalige Sint Catherinaklooster (nr. 16). Detail van de kaart van Breda in de Atlas van Blaeu (1649).

Meester Paulus dankte zijn aanstelling uiteraard aan Huygens. Huygens had een hoge dunk van meester Paulus en wilde dat hij zijn zonen schermen leerde en mogelijk ook in het slijpen van lenzen zou onderwijzen. Christiaan, Lodewijk en Philips studeerden allen enige jaren te Breda. Christiaan plukte in elk geval de vruchten van de lessen, en schreef zijn oudste broer Constantijn Jr dat hij hem spoedig hoopte zijn nieuwe schermkunsten te demonstreren.[23] Lodewijk liet zich ook niet onberoerd: hij moest in 1649 uit Breda vertrekken na een duel met een medestudent.[24]

Paulus Claesz leek zich echter niet thuis te voelen op de Bredase hogeschool en greep naar de fles. In februari 1648 werd hij ernstig berispt vanwege zijn drinkgewoonten, een kwestie die werd besproken tussen Rivet en Huygens. Huygens schreef aan Rivet dat hij het betreurde van het drinkprobleem van meester Paulus te horen, en zei dat hij hem niet had aangesteld als hij dat had geweten. Hij voegde eraan toe dat hij deze zwakheid nooit eerder had opgemerkt, terwijl de meester vroeger regelmatig twee of drie weken achtereen bij hem in huis had gelogeerd. — Deze opmerking mag alle twijfel wegnemen dat de schermmeester dezelfde persoon moet zijn als de tourneur wiens schetsen en recepten in Huygens’ verzameling papieren worden aangetroffen. — Huygens schreef Rivet voorts dat zijn zonen de schermmeester niet wilden handhaven, maar hem ook niet wilden laten ontslaan ‘omdat hij in dronkenschap dingen had gezegd die anderen dikwijls zeggen als ze nuchter zijn’.[25]

Het ging met meester Paulus in Breda van kwaad tot erger. In juli 1648 werd de schermmeester 24 uur in de gevangenis gezet nadat hij in het openbaar ruzie had gemaakt met een student en hem had beledigd; ook deed het gerucht de ronde, aldus Rivet, dat Paulus Claesz niet echt bekwaam was in de schermkunst.[26] Uiteindelijk verwondde de schermmeester in de zomer van 1651 een student ernstig tijdens een gevecht, en werd hij voor de rechter gebracht. Huygens schreef een lang en vurig pleidooi aan de weduwe van de Prins van Oranje, Amalia van Solms (1602-1675), ten behoeve van de “pauvre maitre des armes”, terwijl hij erop aandrong dat meester Paulus gehoord moest worden alvorens te worden veroordeeld; niet omdat hij (Huygens) verantwoordelijk was voor de aanstelling van deze “homme de rares qualités”, maar omdat “il est encor temps de faire ce qui est de raison et de droit”. In Huygens’ ogen was de man onschuldig en had hij zich verdedigd tegen een agressieve aanvaller.[27] De positie van Paulus Claesz werd echter onhoudbaar, en op advies van de rector werd de schermmeester in 1652 door de Prins ontslagen. Hij keerde terug naar Amsterdam, waar hij zijn beroep als schermmeester voortzette en zelfs stadsschermmeester werd, wat inhield dat hij na het afleggen van een examen burgers opleidde in de stedelijke schermschool.[28]

Conclusie

Al het materiaal dat boven water is gekomen laat er weinig twijfel over bestaan dat Paulus Claesz van Arnhem Huygens’ Amsterdamse draaier is. De tijdlijn klopt precies: hij werkte tussen 1635 en 1640 aan Descartes’ lenzenslijpproject, en zijn decoratieve schetsen en recepten zijn aangetroffen in Huygens’ papieren, gedateerd januari 1639. De poging van Descartes en Huygens in juli 1640 om voor hem een betrekking in Leiden te verkrijgen, gevolgd door de gedocumenteerde aanwezigheid van Paulus Claesz in die stad als zowel draaier als schermmeester in 1641, levert de biografische schakel op. Huygens’ eigen opmerking in zijn correspondentie dat meester Paulus ‘twee of drie weken achtereen’ bij hem thuis had gelogeerd, biedt verder bewijs dat de schermmeester van Breda dezelfde persoon is als de tourneur wiens werk gedocumenteerd staat in Huygens’ verzameling papieren en zijn correspondentie met Descartes.

De identificatie van de ambachtsman die voor Huygens en Descartes werkte is meer dan het oplossen van een biografisch raadsel. Het werpt licht op de wereld van ambachtslieden die verbonden waren met de (intellectuele) elite van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Meester Paulus was een veelzijdig ambachtsman die met kostbare materialen werkte en later schermmeester werd. Zijn loopbaan illustreert zowel de kansen als de kwetsbaarheid van een dergelijk bestaan. Het mislukken van het lenzenslijpproject, ondanks het theoretische genie van Descartes en de steun van Huygens, herinnert ons eraan dat vroegmoderne wetenschappelijke innovatie niet alleen briljante ideeën vereiste, maar ook de praktische vaardigheden van de personen die probeerden die ideeën te verwezenlijken. Het is ook interessant te zien dat Descartes en in het bijzonder Huygens een welwillende houding tegenover meester Paulus handhaafden, door betrekkingen voor hem te verwerven en hem te verdedigen wanneer hij in ernstige moeilijkheden geraakte. Die voortdurende patronage onthult de persoonlijke banden en het plichtsbesef die konden ontstaan tussen de elite en de ambachtslieden op wier vaardigheden zij vertrouwden.

Erik-Jan Bos

CNRS – Université Paris Cité

ERC Philiumm nr. 101020985

Een eerdere en kortere versie, ‘Le tourneur d’Amsterdam’, verscheen in het Bulletin cartésien LV, Archives de philosophie 89 (2026), 158-163. Een Engelstalige versie, ‘Master Paulus, Descartes’ Amsterdam Artisan’, werd gepubliceerd in het Bulletin of the Scientific Instrument Society, no. 169 (2026), 38-42.


[1] We gebruiken de afkorting ‘AT’, gevolgd door deel- en paginanummer, voor de standaardeditie van Descartes’ werken en briefwisseling: Charles Adam en Paul Tannery, Œuvres de Descartes, 2de editie, 11 dln. (Parijs, 1964-1974). De eerste vermelding van de tourneur staat in een brief van Huygens aan Descartes, gedateerd 28 oktober 1635 (AT I, 590), en de laatste in een brief van Descartes aan Mersenne, gedateerd 4 maart 1641 (AT III, 331).

[2] Zie Descartes aan Huygens, 8 februari 1638 (AT I, 655-656).

[3] Voor een gedetailleerde beschrijving van de pogingen om hyperbolische lenzen te slijpen en de lenzenslijpmachine, zie D. Graham Burnett, Descartes and the Hyperbolic Quest: Lens Making Machines and Their Significance in the Seventeenth Century (Philadelphia, 2005), pp. 59-69; en Fokko Jan Dijksterhuis, ‘Constructive thinking: a case for dioptrics’, in L.L. Roberts et al. (red.), The Mindful Hand: Inquiry and Invention from the Late Renaissance to Early Industrialisation (Chicago, 2007), pp. 59-82, i.h.b. pp. 61-67.

[4] Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, KA 47. De tekeningen bevinden zich op fos. 539r-542r; zie ook 546r; diverse recepten op 550r-555v; de naam en de dateringen staan op fo. 539r, fo. 549r en fo. 550r. Ik dank de conservator der handschriften, Jeroen Vandommele, voor het verschaffen van een reproductie, en Fokko Jan Dijksterhuis voor het onder mijn aandacht brengen van het proefschrift van Willem Ploeg, Constantijn Huygens en de natuurwetenschappen (Rotterdam, 1934, pp. 36-37). Zie ook Cornelis de Waard (red.), Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634, dl. 3 (Den Haag, 1945), p. xiii*; en Huib Zuidervaart, ‘The invisible technician made visible: Telescope making in the Dutch Republic’, in A. Morrison-Low et al. (red.), From Earth-bound to Satellite: Telescopes, Skills and Networks (Leiden, 2012), pp. 71-72, 81.

[5] Christiaan Huygens, Œuvres complètes, red. D. Bierens de Haan, dl. 1 (Den Haag, 1888), p. 215.

[6] Ploeg, Constantijn Huygens, p. 37.

[7] Stadsarchief Amsterdam (SAA), Ondertrouwregister, archiefnummer 5001, inventarisnummer 436, fo. 121. Hierna zullen we ‘archiefnummer’ afkorten als ‘arch.’, ‘inventarisnummer’ als ‘inv.’, ‘notarieel archief’ als ‘NA’ (de naam van de notaris (not.) wordt vermeld) en doop-, trouw- en begraafregisters als ‘DTB’.

[8] SAA, DTB-registers. De eerste twee kinderen werden beiden gedoopt als Annetje (1632, 1637); de eerste dochter moet zijn gestorven vóór de geboorte van de tweede. Daarna volgden Claes (1639), Paulus (1643) en Alexander (1653). In het testament van meester Paulus uit 1669 worden slechts twee kinderen vermeld, Paulus en Claes (SAA, NA, arch. 5075, not. R. Duee, inv. 2468, pp. 342-344).

[9] SAA, NA, arch. 5075, not. P. de Bary, inv. 1706B, pp. 1403-1404, datum: 23 november 1656 (zie Jaap van der Veen, ‘By his own hand: The valuation of autograph paintings in the 17th century’, in A Corpus of Rembrandt Paintings, dl. 4 (Dordrecht, 2005), p. 38); SAA, NA, arch. 5075, not. H. Friesma, inv. 3084, p. 782, datum: 14 november 1667.

[10] Hij maakte zijn testament op 16 december 1669 (noot 8) en vermaakte zijn zoon Paulus alle gereedschappen voor draaien en polijsten; geen vermelding van zwaarden e.d. Een akte gedateerd 11 juni 1671 wijst erop dat hij toen nog in leven was, maar een latere akte gedateerd 16 september 1671 vermeldt dat zijn vrouw weduwe is (SAA, NA, arch. 5075, not. J. de Vos, inv. 2972A, p. 424; arch. 5075, not. R. Duee, inv. 2470, aktenr. 159).

[11] Huygens aan Descartes, 24 juli 1640, AT III, 749; vertaling EJB. Huygens Briefwisseling, brief n0238.

[12] Descartes aan Huygens, 31 juli 1640, AT III, 750-751; vertaling EJB. Huygens Briefwisseling, brief 2464 (Worp, Briefwisseling, dl. 3, p. 73, niet naar de autograaf).

[13] George Gleser (gest. 1652), Kapitein (later Kolonel) der Garde van de Prins van Oranje, een verre verwante van Huygens, via zus Geertruydt Huygens [ https://brievenconstantijnhuygens.net/tag/huygens-geertruyd/ ]. In 1645 vroeg ook de wiskundige Frans van Schooten jr., die de illustraties voor Descartes’ Discours de la méthode had verzorgd, aan Huygens om een aanbeveling van Gleser ten behoeve van zijn benoeming aan de Leidse universiteit; zie de blog-post ‘Een Leidse lobby in Den Haag’ https://brievenconstantijnhuygens.net/2022/02/03/een-leidse-lobby-in-den-haag/.

[14] Erfgoed Leiden en Omstreken (ELO), NA, arch. 506, not. P. Dircxz. van Leeuwen, inv. 274, aktenr. 131.

[15] P.C. Molhuysen, Bronnen tot geschiedenis der Leidsche universiteit, dl. 2 (Den Haag, 1916), pp. 216, 222, 223.

[16] Van Taden was in 1636 van Utrecht naar Leiden verhuisd en keerde in 1640 terug. De Utrechtse stadsarchieven vermelden dat hij op 14/[24] september 1640 werd aangesteld als ‘stadsschermmeester’ (Het Utrechts Archief (HUA), arch. 702, Resoluties van de Vroedschap, 1639/40-1640/41, inv. 121-19, fol. 122). Van Taden overleed in Utrecht in januari 1643 (HUA, DTB, online database van personen, ‘Henrick Schermmeester’).

[17] “Iun. 5 [1640]. Cum exhibitus esset libellus supplex a Ioachimo Camerario, qui petebat in locum Henrici gladiatoris substitui, visum est petendum a Magistratu, ut adhuc aliquamdiu res differretur, done gravamina sua proponeret atque exhiberet Senatus Academicus.” Molhuysen, Bronnen, dl. 2, p. 243. De naam ‘Joachim’ in de universiteitsarchieven moet een vergissing zijn voor ‘Johannes’, want ene Johannes Camerarius, niet verwant aan de beroemde familie Camerarius, wordt in diverse Leidse archieven tussen 1638 en 1651 vermeld als schermmeester (‘vechtmeester’). Hij is vermoedelijk dezelfde als degene die zich op 28 januari 1654 aan de universiteit inschreef: “Joannes Camerarius, qui art. digladiat. profitetur. 45” (W.N. du Rieu, Album studiosorum Academiae Lugduno Batavae MDLXXV–MDCCCLXXV (Den Haag, 1875), 433). Hij overleed in de loop van 1654.

[18] In Molhuysen, Bronnen, wordt verder niets vermeld over de positie van schermmeester.

[19] De notariële akte van 15 juni 1641 (noot 14) bevat een contract voor de duur van één jaar tegen de som van 250 gulden.

[20] ELO, NA, arch. 506, not. P. Dircxz. van Leeuwen, inv. 275, akte nr. 33, datum: 7 augustus 1641. André Thévenot had zich ingeschreven als student wiskunde in februari 1641 (Album Stud. Lugd.-Bat., 321).

[21] Thiemo Wind was zo vriendelijk me te wijzen op een akte uit 1644 waarin Josijntje Jansdr, de vrouw van meester Paulus genoemd wordt (LinkedIn). Ze figureert ook in akte uit 1645 (SAA, NA, arch. 5075, not. J. de Wijse, inv. 1920, p. 185). Zoon Paulus werd in oktober 1643 in Amsterdam gedoopt.

[22] Lodewijk Gerard van Renesse aan Huygens, 6 februari 1647, in J.A. Worp (red.), De briefwisseling van Constantijn Huygens, 6 dln. (Den Haag, 1911-1917), dl. 4, p. 387, brief 4540. De correspondentie van Huygens is online raadpleegbaar, zowel Worps editie als in de meeste gevallen de handschriften: https://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens. Er dient op gewezen te worden dat in deze brief en de brieven die er kort op volgen de volledige naam van de schermmeester (weer) niet wordt vermeld, maar een Bredase notariële akte van 10 april 1649 verwijst naar ‘meester Pauwels van Arnhem, schermmeester van Zijne Hoogheid’ (Stadsarchief Breda, NA, not. J.P. Beeris, inv. nr. 140, fol. 219r), zodat er geen twijfel bestaat over de identiteit van de schermmeester. Volgens die akte vervaardigde meester Paulus twee ‘broucxkens artificael’ die de urine en uitwerpselen van een incontinente patiënt zouden opvangen tijdens het lopen, staan en liggen. De patiënt heette Cornelis Wijnants van Bernagien (1626-1687), de zoon van een welgestelde, inmiddels overleden brouwer uit Breda, wiens voogden meester Paulus 250 gulden zouden betalen.

[23] Christaan Huygens aan Constantijn Huygens Jr, 2 maart 1648, Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, p. 82.

[24] Zie Huygens aan Rivet, 18 maart 1649 (Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 516, brief 4924; volledige tekst in Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, pp. 103-104), en Rivet aan Huygens, 23 maart 1649 (Worp, Briefwisseling, dl. 5, p. 1, brief 4926; volledige tekst in Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, pp. 104-105).

[25] Huygens aan Rivet, 13 februari 1648, Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 456, brief 4755. Ook binnen de staf van professoren speelde op dat moment een affaire, zie de blog-post ‘Trouw en tegenslag: de vriendschap tussen Constantijn Huygens en Johan Brosterhuisen’ https://brievenconstantijnhuygens.net/2024/12/25/trouw-en-tegenslag-de-vriendschap-tussen-constantijn-huygens-en-johan-brosterhuisen/.

[26] Rivet aan Huygens, 14 juli 1648, Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 485, brief 4840.

[27] Huygens aan Amalia van Solms, 19 december 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, p. 132, brief 5203. De citaten zijn ontleend aan het handschrift. Zie ook Huygens aan Amalia van Solms, 14 december 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, pp. 131-132, brief 5201, en Van Vliet aan Huygens, 13 september 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, pp. 117-118, brief 5177. Zie ook D. Langedijk, ‘De Illustre Schole en de Collegium Auriacum te Breda’, Taxandria: Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis en Volkskunde, 42 (1935), pp. 31-32. Volgens Langedijk heette de student Bartholomeus Snellius.

[28] Stadsarchief Breda, ‘Paulus van Arnhem’ is vermeld in het lidmatenregister van de Protestantse Kerk: Vertrokken lidmaten Breda 1642-1679, inv. nr. 88, fol. 20v, datum 9 november 1652, met de aantekening ‘attestatie gestuurd naar Amsterdam’.

Gemengde gevoelens: Huygens herinnering aan Sweelinck

Constantijn Huygens was al vroeg uitzonderlijk muzikaal. Zijn eigen jeugdherinneringen laten dat goed zien. Als klein jongetje speelde hij al viola da gamba en luit, en dat soms zelfs in aanwezigheid van Jan Pieterszoon Sweelinck. Constantijn kon al vroeg vrijwel alles van het blad spelen. Zelf benadrukt hij vooral zijn aanleg voor improvisatie: hij speelde liever eigen muziek dan ingestudeerde stukken en zag dat als een gave die niet aan te leren was.1

Over een van die vroege momenten schrijft Constantijn dat hij al vele uren lang foutloos gespeeld had, terwijl anderen om hem heen fouten maakten. Juist in die context ging het mis. Hij keek even op van zijn muziekblad, raakte de regel kwijt en kon er niet meer inkomen. Wat volgde beschrijft hij nauwkeurig: hij raakte volledig van slag en barstte ‘in een bitter en ontroostbaar huilen’ uit. Niets kon hem nog kalmeren of ertoe bewegen om zijn gamba weer ter hand te nemen.2

Jan Pietersz. Sweelinck, Gerrit Pietersz. Sweelinck 1606, Kunstmuseum Den Haag, Wikimedia Commons.

Die scène speelde zich af in Amsterdam, in het huis van Jean Louis Calandrini, een uit Genève afkomstige koopman die daar muziekavonden organiseerde. De muzikale leiding lag bij Jan Pieterszoon Sweelinck, organist van de Oude Kerk, ‘een man die zijns gelijke niet had’, aldus Huygens.3 De toen zevenjarige Constantijn kwam hier vermoedelijk met zijn vader, Christiaan Huygens senior, die zelf een groot liefhebber van muziek was en veel zorg besteedde aan de muzikale vorming van zijn zoon.

De bewondering voor Sweelinck bleef. Op zeer late leeftijd, op 26 maart 1684, schreef Constantijn Huygens een Latijns grafschrift ter ere van hem (Epitaphium Ioannis Sweeling organistae summi).4 Daarin klinkt dezelfde waardering door: Sweelincks grootheid laat zich niet in woorden vangen, maar alleen in zijn eigen muziek.

Op 25 april a.s. brengt barokgezelschap La Sfera Armoniosa in samenwerking met het Huygens Instituut in de Amsterdamse Waalse Kerk de voorstelling ‘Huygens!’. Muziek uit zijn wereld, in de stad waar hij als kind leerde spelen, en waar hij, in het bijzijn van Sweelinck, ook een keer volledig vastliep. Tickets: https://www.klassiekemuziek.nl/e/19638/la-sfera-armoniosa-huygens-amsterdam


  1. Constantijn Huygens, Mijn Jeugd, vertaald en toegelicht door C.L. Heesakkers (1987) 29-30. ↩︎
  2. Idem, 25-26. ↩︎
  3. Ibidem. ↩︎
  4. Gedichten van Constantijn Huygens (editie J.A. Worp, periode 1671-1687) 335. ↩︎

Winterpraktijken. Kou, eten en feestjes in de Huygens’ familiebrieven

Strenge winters zijn in de brieven van de kinderen van Constantijn Huygens senior vaak het decor voor verhalen over feestjes, diners, bals en nachten die heel laat eindigen. Ze zijn geschreven in een periode waarin West-Europa zich midden in een fase van de Kleine IJstijd bevond en de ongemakken van kou, ijs en sneeuw vaak het dagelijkse leven bepaalden.

Het kaartspel, Caspar Netscher, ca. 1665, Metropolitan Museum, NY.

Reizen in de winter kon letterlijk fataal zijn. In de winter van 1663 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Lodewijk dat een koerier tussen Amsterdam en Den Haag onderweg is doodgevroren. Het paard kwam alleen aan en werd verstijfd teruggevonden bij het Malieveld. Maar de winter is ook een tijd van gezellig samenzijn. In 1648 studeert Christiaan aan de Illustere School van Breda en schrijft hij zijn broer Constantijn:

[vrij vertaald] Ik twijfel er geen moment aan dat jij afgelopen vastenavond niet hebt doorgebracht zonder te dansen, want de bals van deze winter zijn overal in de mode. Wat mijzelf betreft is het hier allemaal heel netjes en fatsoenlijk toegegaan, al ben ik onder andere bij de drost buitengewoon vorstelijk onthaald. Er was een hele stoet juffers uitgenodigd. Vanaf vijf uur ’s middags hebben we een beetje zitten kaarten en daarna ’s avonds een kostelijke maaltijd genuttigd. Aan het slot daarvan verschenen er tal van confituren op tafel, niet minder aangenaam om te zien dan om op te eten. Ze waren door de juffers zelf heel mooi opgemaakt met kransen van groen en met de bloemen die beschikbaar waren.

Maar nu ik toch bezig ben met zulke bijzonderheden, moet ik wel voorkomen dat ik opnieuw het verwijt krijg dat ik de juffers niet noem. We zaten met vijftien personen aan een ronde tafel, en wel als volgt: de president; de oudste van de twee juffers Rossem; juffrouw Ceters; Bornius; juffrouw Van der Veeck; een zoontje van de drost; juffrouw Stas; juffrouw Boxstaert; Stas; de tweede dochter van de drost; kapitein Despon; Becker; de oudste dochter van de drost; ikzelf; en de andere juffrouw Rossem. De drost zelf was in Den Bosch.

Na afloop van het eten werd er gedanst, heel wat ‘zesjes’ en couranten, begeleid door drie violen, en dat ging door tot drie uur ’s nachts. Zeg nu nog eens dat ik geen bijzonderheden schrijf! En als ik met Pasen misschien naar Den Haag kom, zul je zien dat ik heb leren schermen. Adieu.

In december 1680 bericht Susanna haar broer Christiaan in Parijs over kou en een Haags feestje:

[vrij vertaald] Vader heeft veel minder last van dat gesuis in zijn hoofd. Hij past wat beter op met de kou, vooral ’s avonds, zoals de artsen en zijn vrienden hem hebben aangeraden. Maar als hij naar míj zou luisteren, liet hij zijn muts dikker voeren. Dat wil hij voorlopig echter niet doen. […] Afgelopen vrijdag werden we in goed gezelschap onthaald bij onze broer Constantijn. Hij had al lang geleden een weddenschap verloren aan mevrouw Boreel, die hij nu moest inlossen met oesters, wat hij royaal deed. Behalve deze dame en haar goede man waren er ook meneer en mevrouw Cau van Hulst, neef Eeck met zijn dierbare wederhelft, neef De Wilhem met zijn oudste zuster, de filosoof Heemskerck, mijn man en ikzelf. […] Het hele gezelschap was in opperbeste stemming en het feest duurde tot twee uur ’s nachts. Nadat we grote hoeveelheden oesters hadden gegeten, stond in een andere kamer nóg een voortreffelijk en rijk uitgestald buffet. U weet dat mijn schoonzus [Constantijns vrouw Susanna Rijckaert] ‘geen struijf om een Eij sal bederven’. Adieu, mijn lieve broer.

Oesters, fruit en wijn, Osias Beert de oude, ca. 1620-1624, National Gallery of Art, Washington.

Ook in 1695 was er overal een strenge winter. Constantijn junior, inmiddels secretaris van Koning Willem III, schrijft vanuit Kensington Palace in Londen aan Christiaan:

[vrij vertaald] Men dacht hier dat we van de winter af waren, maar vandaag is er opnieuw zo’n dikke laag sneeuw gevallen als we deze hele winter nog niet hebben gehad. Patrijzen zijn spotgoedkoop, vijf of zes sols per stuk, zoveel je maar wilt, omdat hun sporen hen in de sneeuw verraden. Is er bij die laatste dooi [in Nederland] nergens een dijk doorgebroken? Adieu

Slee op het ijs. Gesina ter Borch, ca. 1656-1687, Rijksmuseum.

Wat deze winterbrieven zo aantrekkelijk maakt, is hoe menselijk ze zijn. Kou en gevaar, eten en muziek, zorgen en plezier. De kinderen van Constantijn woonden vaak ver bij elkaar vandaan maar ze bleven contact houden. En dankzij de brieven van Christiaan Huygens kunnen we niet alleen kennis nemen van zijn wetenschappelijke verdiensten maar ook van het dagelijkse leven in een gezin als dat van familie Huygens.