Op 12 april 1650 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Constantijn in Rome dat hij eigenlijk geen nieuws heeft. Het enige wat hij kan melden, heeft hij in de Antwerpse gazette gelezen: ‘dat in Suede een geck gestorven was die seijde dat hij soo langh leven kon als hij wilde’. Christiaan voegt er droog aan toe: ‘Notez que c’est icij M. des Cartes’ [‘Let wel, het gaat hier om meneer Descartes’].
René Descartes, naar Frans Hals, 1649, Louvre.
Dat was niet zomaar een grapje. Descartes’ plotselinge overlijden op 11 februari 1650 in Stockholm werd in heel Europa besproken, soms met ironie. Dat had alles te maken met zijn uitspraken over de mogelijkheid van een langer leven. Hoewel Descartes zeker nooit had beweerd onsterfelijk te zijn, achtte hij een aanzienlijke verlenging van de menselijke levensduur in principe mogelijk, ook voor hemzelf. Het hing volgens hem af van juiste kennis van het lichaam en zijn mechanismen.
Al in de jaren dertig van de 17e eeuw had Descartes daarover geschreven, onder meer in zijn correspondentie met Constantijn Huygens, de vader van de broertjes Huygens. Vanuit zijn grote waardering voor Descartes’ intellectuele vermogen vroeg Constantijn Huygens hem in november 1637 of hij dacht dat zijn werk en inzichten konden bijdragen aan een langere menselijke levensduur. In zijn antwoord stelde Descartes dat hij verwachtte zeer oud te kunnen worden, als hij maar bepaalde fouten in zijn levenswijze wist te vermijden, en dat hij zich daar actief mee bezighield. Dat past bij een bredere lijn in zijn denken: Descartes benaderde veroudering als een mechanisch proces. Hij verklaarde ouderdom in termen van verharding van vezels en verstoring van voeding en circulatie, en niet vanuit morele of mystieke oorzaken. Geneeskunde zag hij daarbij als een rationele weg naar een langer leven, al wist hij daar dus zelf niet van te profiteren.1
Christiaen Huygens, Caspar Netscher, Museum Boerhaave, 1671.
Dat de Antwerpse krant de spot dreef met Descartes hing samen met diens publieke uitspraken over levensverlenging. Hij presenteerde zich daarbij overigens niet als iemand die het geheim al kende, maar als iemand die aan het begin stond van een lange ontwikkeling. Juist omdat hij die mogelijkheden met overtuiging had benadrukt, wekte hij verwachtingen, en schiep zijn vroege dood gelegenheid voor ironisch commentaar.
Precies daarop doelt ook de sarcastische passage in Christiaans brief aan zijn broer, die de achtergrond van de spotternij kende. Vader Constantijn had Descartes’ visie op de mogelijkheid van een langer leven ongetwijfeld al eerder met zijn zoons gedeeld. Dat blijkt ook uit Constantijn juniors reactie uit Rome van 29 mei 1650, waarin hij schrijft dat de lof in de Gazette drôle [grappig] is en Descartes een coquin [schelm, schurk, boef] noemt. Zo krijgt de krantenopmerking over de dood van een ‘geck’ in Zweden meer betekenis.
Ineke Huysman, 16 december 2025
Zie ook: M.D. Grmek, “Les idées de Descartes sur le prolongement de la vie”, Revue d’histoire des sciences, 21 (1968), pp. 286-302. ↩︎
Over de belangstelling van Constantijn Huygens voor parfumerie is de laatste tijd veel geschreven. Maar hoe verhield die wereld van verfijnde geuren zich tot de dagelijkse werkelijkheid van vieze luchtjes en stank? In een samenleving zonder moderne riolering en zonder onze opvattingen over hygiëne moet stank alom aanwezig zijn geweest. De vraag is: hoe werd dat ervaren, en hoe schreef men erover?
In de dagboeken van Constantijn Huygens jr. en van stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz wordt vaak melding gemaakt van onaangename geuren. Ook in correspondentie van Christiaan Huygens duikt het onderwerp op.1 Wat uit dagboeken en brieven uit de 17e eeuw naar voren komt, sluit opmerkelijk goed aan bij wat wij vandaag als vies ervaren: lichaamsgeur, slechte adem, vuile straten, modder, latrines, rottend water. Het is allemaal verrassend herkenbaar.
Christiaan Huygens: een scherpe neus in Londen en Parijs
Christiaan Huygens, ca. 1687-1688, door Gerard Edelinck naar tekening van Jacques-Antoine Friquet de Vauroze, Rijksmuseum
Christiaan Huygens was bijzonder gevoelig voor de lucht om zich heen. Tijdens zijn verblijf in Londen in 1661 klaagt hij uitgebreid over de dichte steenkoolrook die in de stad hangt: zwaar, zwart en ongezond. Hij merkt op hoe het roet zich overal op afzet en gebouwen en kleding donker maakt, een voortdurende herinnering aan de verstikkende atmosfeer.
Op reis ontdekt Christiaan dat stank geen grens kent. Zoet water aan boord van schepen bederft snel en begint te ruiken. In Parijs wordt hij ’s nachts gebeten door bedluizen, terwijl ratten en muizen in zijn kamer scharrelen. Hij beklaagt zich er over de modder en dampen van de stad die hem doen verlangen naar de frisse lucht van het platteland. In Kleef moet hij tot drie keer toe van logies wisselen om een plek te vinden die minder vuil en beter te verdragen is.
Niet alleen de omgeving, ook zijn onderzoek brengt hem dichtbij nare geuren. Bij experimenten merkt hij op dat het residu van buskruit een zeer slechte geur geeft en dat de damp lang blijft hangen en zwaar op de borst slaat.
Bij Constantijn Huygens jr. speelt reuk een opvallende rol in hoe hij mensen en situaties beoordeelt. In zijn dagboeken2 noteert hij geregeld wanneer iemand of iets hem letterlijk tegenstaat, vooral in de nabijheid van het Engelse hof waar hij jarenlang verbleef als secretaris van Willem III.
Zo noteert hij roddelend dat mrs. Howard ‘een quade lucht uyt haer mondt’ heeft, tegelijk is hij bang dat hij daar zelf ook last van heeft. Over de koning schrijft hij dat er ‘vuyle, stinckende materie’ uit zijn neus liep. En ook op bepaalde plaatsen blijkt het te stinken. De markies van Winchester loopt volgens Huygens buiten zijn huis voortdurend met een servet of zakdoek voor zijn mond om ‘de quade lucht uyt te houden’. Een ander voorbeeld van een vieze, stinkende omgeving komt uit een legerkamp in Sombreffe (augustus 1692). Huygens beschrijft dat het huis waar de koning logeert ‘seer vuyl en stinckende’ is, wegens de boeren die daar hun toevlucht hebben gezocht. Bij een eerdere veldtocht in 1676 omschrijft hij zijn logies in het dorp bij Tongeren als ‘vilain et puant’.
Daar staat tegenover dat reuk ook positieve waardering kan hebben. Tijdens een van zijn reizen, ver weg van het hof, beschrijft Huygens de geur van tijm en lavendel in het landschap rond Orange als een ‘seer goeijen reuck’. Geur bepaalt hier de sfeer van een plaats, bijna als een eerste indruk van het landschap zelf.
Het zijn maar een paar voorbeelden, er zijn er talloze, maar wat deze notities zo opvallend maakt, is dat reuk voor Huygens onderdeel is van zijn sociale observatie. Niet alleen wat hij ziet of hoort, maar ook wat hij ruikt vormt een oordeel over personen, gedrag en omgeving.
Willem Frederik van Nassau-Dietz: reuk als lichamelijke afkeer en gekrenkte trots
Willem Frederik van Nassau-Dietz, anoniem, ca. 1645-1684, Rijksmuseum
In de dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz3 krijgt zijn beleving van geur vooral een negatieve lading. Hij noteert nauwkeurig hoe anderen ruiken en verbindt dat bijna automatisch met hun gezondheid en waardigheid. Het meest uitgesproken is hij over zijn oud-oom, stadhouder Frederik Hendrik. Zijn adem is ‘heel vielein’, zodanig dat men er ‘geïnkommodeert’ door raakt, vooral in de ochtend. Zijn lichaam ruikt volgens Willem Frederik ‘muffs en sweterich’ en hij noemt hem ‘heel vuil en vet’. Stank wordt zo een manier om de lichamelijke aftakeling van een machtige oude man te registreren; iemand van wie hij afhankelijk is, maar voor wie op dat moment hij nog maar weinig bewondering voelt.
Ook anderen in zijn omgeving blijven niet buiten schot. Over Amalia van Solms noteert hij dat zij ‘heel sterck roock uyt de mont’. Tegelijkertijd laat hij merken dat hij ook op zijn eigen uitwasemingen let. Zo neemt hij in 1647 sennebladeren in, officieel bedoeld om te laxeren, maar volgens zijn aantekening ook in de hoop dat het zijn adem verfrist.
Die lichamelijke afkeer krijgt ook vorm in zijn opmerkingen over de prins van Talmont, over wie gezegd wordt dat hij ‘soo stonck’ en dat een kamer waarin hij verbleef ‘soo leelijck roock’. Dat is geen neutrale observatie. Talmont was eerder Willem Frederiks rivaal geweest in de hoop de hand te krijgen van Louise Henriette, dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, ook al was Talmont daar niet in geslaagd omdat Amalia hem beneden haar stand vond. Willem Frederik geeft hier af op iemand die hem ooit in de weg stond; de beschrijving van stank fungeert als wapen van rancune en beschadigd eergevoel.
Frederik Wilhelm, keurvorst van Brandenburg en Louise Henriette van Oranje Nassau, Gerard van Honthorst 1646, Rijksmuseum
Het wordt nog persoonlijker wanneer Willem Frederik op 29 april/9 mei 1649 noteert dat hij het ‘lijff geroocken’ had van prinses Louise Henriette, dat ‘wat sterck’ rook, en dat zij van dichtbij ‘naebij gheen fray vel ofte tain’ had. Zij was inmiddels getrouwd met de keurvorst van Brandenburg en allang buiten zijn bereik. Over de keurvorst zelf noteert Willem Frederik dat hij aan het hof als ‘soo lelijck’, ‘grof en vet’, ziekelijk en zwak van karakter werd gezien, geneigd tot grove gesprekken en geregeld dronken. Zijn woorden verraden teleurstelling, gekrenkte trots en een wrange poging zichzelf te overtuigen dat hij aan Louise Henriette niets had gemist.
Ook de stank van het dagelijks leven ontgaat hem niet. Over waterputten schrijft hij: ‘Als een put ofte back stinckt, moet men hem lucht geven, soo vergaet de reuck’. Over de loopgraven in de Tachtigjarige Oorlog noteert hij hoe het er ‘slijckerich’ is en hoe de lucht er zwaar en onaangenaam kan zijn. Wanneer hij er zijn diamanten ring verliest, wijt hij dat aan ‘sooveul sant ende vuilicheit daer was’: modder, stof, stank, nabijheid van soldaten en paarden.
Wat deze notities vooral laten zien: voor Willem Frederik ligt reuk dicht bij emotie. Walging, machteloosheid en soms rancune klinken mee in in zijn beschrijvingen. Wie onaangenaam ruikt, kan hij klein maken. De beleving van geur wordt zo voor hem een middel om zichzelf te beschermen in een wereld waarin hij zich vaak kwetsbaar voelt.
Ten slotte
Deze voorbeelden laten zien dat de perceptie van geur in de 17e eeuw geen bijkomstigheid was, maar iets wat heel nadrukkelijk werd ervaren. Tegelijkertijd zijn het vooral de observaties van personen uit de sociale bovenlaag die ons hierover informeren. Het zijn hun gedachtes, indrukken en gevoeligheden die zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En dat terwijl zij zelf tot de bevoorrechte groep behoorden, met toegang tot parfum, geurige waters en manieren om vieze luchtjes te maskeren. Wat het betekende voor de velen die die middelen níet hadden, laat zich raden.
The early modern period (c. 1500–1800) saw profound transformations in society, politics, and culture. Gossip played a crucial yet often overlooked role in shaping these developments. Traditionally dismissed as trivial or immoral, gossip has long been associated with women and perceived as a form of idle chatter.
Early definitions of gossip in the sixteenth century linked it specifically to female speech, reinforcing the idea of gossip as a language of powerlessness or a subversive women’s culture. However, historical research has increasingly recognized gossip as a complex social and political tool — used to forge and police community bonds, influence reputations, shape public opinion, and enforce moral values.
Gossip was not merely a domestic concern but an instrument of power, used at all levels of society, from the elite to the marginalized. And while gossip remained closely linked to gender, new studies have revealed its importance among men as well, challenging old stereotypes. This conference aims to advance the interdisciplinary study of gossip, recognizing it as far more than idle talk.
Day 1 – Wednesday 19 November 2025
10:00–10:30 — Registration and coffee 10:30–10:35 — Welcome and opening remarks Gijs Versteegen (Universidad Rey Juan Carlos) Ineke Huysman (Huygens Institute Amsterdam)
10:35–11:30 — Keynote I: Reputation: a Philosophical Approach Gloria Origgi — Institut Jean Nicod, Paris
11:30–12:00 — Coffee break
12:00–13:30 — Session 1: Codes, Morality and Public Opinion
The People are a Savage Beast? Vox Populi and Gossip — Matthias Roick, Polish Academy of Sciences
Truths and Lies in Courtly Conversations: Flattering, Slandering, Pretending and Dissimulating — María Díez Yáñez, Universidad Complutense de Madrid
Gossip and Courtly Love in Batallas y Quinquagenas — Gijs Versteegen, Universidad Rey Juan Carlos
13:30–15:30 — Lunch
15:30–16:30 — Session 2: Women, Power and Diplomacy
News from the Harem — Rosanne Baars, Leiden University
Early Modern Interpol — Tessa de Boer, Independent researcher
16:30–17:00 — Tea break
17:00–18:30 — Session 3: Epistolary Networks and Information Circuits
Spies, Scandals, and Secrets: Wicquefort’s Letters — Lydia Boer, Leiden University
Early Modern Letters Online: Noise & Tittle-Tattle? — Miranda Lewis, University of Oxford
Banten Calling: Colonial News, Rumours and Diplomacy — Krijn Korsman, Amsterdam University
Day 2 – Thursday 20 November 2025
Location: Universidad Rey Juan Carlos, Plaza Manuel Becerra 14 — Madrid Evening concert: Real Oratorio del Caballero de Gracia, Calle del Caballero de Gracia 5 — Madrid
10:05–11:00 — Keynote II: Fake News, Rumors, and Gossip during the Reign of Carlos II (1665–1700): Political and Diplomatic Contexts Silvia Z. Mitchell — Purdue University (USA)
11:00–11:30 — Coffee break
11:30–13:00 — Session 4: Court Intrigues and the Politics of Reputation
Different Forms of Gossip Sharing at the Court of Louis XIV — Jonathan Spangler, Manchester Metropolitan University
The Poison of Words: Rumours, Gossip and Moral Discourse in the View of María de Guevara, Countess of Escalante (1664) — Ezequiel Borgognoni, Universidad Rey Juan Carlos
Rumor as a Mechanism for Discrediting Female Agency during the War of the Spanish Succession — José Antonio López Anguita, Universidad Complutense de Madrid
13:00–14:30 — Lunch
14:30–16:00 — Session 5: Satire, Culture and the Senses of Gossip
Gossip and Political Ghosts: Satire in the Late 17th Century — Marie-Charlotte Le Bailly, Hendrik Conscience Heritage Library, Antwerp
Being in the Nose: Rumors about Smell and the Smell of Rumor in Early Modern Europe — Kerrewin van Blanken, Leiden University
The Field Has Eyes and the Wood Has Ears — Jeroen Vandommele, National Library of the Netherlands
Performed by: La Sfera Armoniosa — Lydia Boer (organ), Mike Fentross (theorbo, guitar), Ineke Huysman (speaker), Lette Vos (vocals)
Location: Real Oratorio del Caballero de Gracia, C. del Caballero de Gracia, 5, Centro, 28013 Madrid
Welcome by Roel Nieuwenkamp, ambassador of the Kingdom of the Netherlands in Spain.
La Sfera Armoniosa will explore the world of the Dutch statesman Constantijn Huygens — a seventeenth-century homo universalis — through music, scent, and spoken word, tracing his diplomatic contacts with the Spanish court and his fascination with Spanish literature, music, and instruments: strings connecting two worlds.
This conference has been made possible thanks to the support of:
The research project CINTER of the Universidad Rey Juan Carlos; Privilegiadas, impopulares, y olvidadas reinas infértiles y princesas solteras en la España Moderna (Program URJC) and De Excellentia: Teoría y práctica de la virtud en la monarquía de España (siglos XV al XVII) Dexvir, PID 2022-139013 NB-100; Huygens Institute/NL-Lab; The Dutch Embassy in Madrid.
Bij een bezoek aan de Hoge Raad van Adel in Den Haag kreeg ik de gelegenheid om even in het prachtige archief te duiken op zoek naar brieven voor de correspondentie-databases waar ik aan werk. Al snel stuitte ik op een aantal bijzondere stukken. Zo kwam ik verschillende keren de naam en het handschrift van Constantijn Huygens tegen – al heel bijzonder op zich. Maar wat nog veel opvallender was: er dook een originele, eigenhandige brief op van Willem van Oranje die weliswaar bekend was, maar door onderzoekers nooit eerder als origineel werd gesignaleerd.
Eerste pagina van een brief van Willem van Oranje aan Johann Philipp I von Salm-Dhaun-Neufville, Hoge Raad van Adel, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.
Het gaat om een opvallend persoonlijke brief, geschreven op 30 juni 1558 door de toen 25-jarige Willem, gericht aan Johann Philipp I von Salm-Dhaun-Neufville (1520–1566), wild- en rijngraaf. In de brief verontschuldigt Willem zich op geestige toon voor zijn langdurige stilzwijgen: hij is zo overspoeld met correspondentie dat hij het simpele leven Hans en Gerard (wellicht zijn dienaren) begint te benijden. Hij bedankt de rijngraaf voor twee fraaie ‘muilezels’ die net zijn aangekomen, en doet een charmant verzoek: of hij diens koets mag overnemen voor hertogin Christina van Lotharingen, die er volgens hem erg naar verlangt. De toon is losjes en geestig: een zeldzaam inkijkje in de informele kant van de jonge prins. Misschien hangt de toon ook wel samen met de flirterige relatie die Willem en Christina onderhielden. Willem zag in haar vijftienjarige dochter Renata een huwelijkskandidaat, maar voelde eigenlijk veel meer voor de hertogin zelf.
Prent van Willem van Oranje, Hoge Raad van Adel, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.
Deze brief was ook opgenomen in de database van de Correspondentie van Willem van Oranje van het Huygens Instituut, maar dan uitsluitend in de vorm van een digitale afbeelding uit de gedrukte editie van Nicolaas Japikse: Correspondentie van Willem den Eerste (1934). Des te waardevoller dus dat het stuk nu in handschriftvorm is aangetroffen in de particuliere collectie Beelaerts van Blokland – een schenking uit 2007 aan de Hoge Raad van Adel – naast een transcriptie en een vertaling, vermoedelijk van de hand van Japikse. Wat het extra bijzonder maakt: het is een van de weinige eigenhandig geschreven en ondertekende brieven van Willem zelf. Van de meer dan 13.000 brieven in de database zijn er slechts 256 die aan die criteria voldoen. Daaraan is er nu dus eentje toegevoegd.
Brief van Daniel de Burchgrave aan Willem van Oranje, 9 juli 1582, Collectie W.A. Beelaerts van Blokland, inv. nr. 20.
Inmiddels is ook een brief van Daniël de Burchgrave, procureur-generaal van de Raad van Vlaanderen toegevoegd. In die brief verzoekt De Burchgrave om een jaarsalaris van 500 gulden als superintendent voor het beheer en de restitutie van Egmonds goederen. De brief is gedateerd op 9 juli 1582, naar de eigenhandig ondertekende positieve reactie die Willem van Oranje er zelf op noteerde. Bij de Hoge Raad van Adel bevinden zich nog meer contemporaine kopieën van brieven aan en van Willem van Oranje. Binnenkort worden ook die brieven van en aan Willem van Oranje uit het archief van de Hoge Raad van Adel gedigitaliseerd en gekoppeld aan de database.
En er zijn ook juweeltjes van brieven van andere personen uit de Oranje-Nassau omgeving, zoals Louise de Coligny, stadhouder Willem III, Anna van Hannover …
Dat Constantijn Huygens een veelzijdig mens was, behoeft nauwelijks toelichting. Minder bekend is zijn belangstelling voor parfumerie. In de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag zijn meer dan 150 recepten van zijn hand overgeleverd: voor geuren maar ook voor parfumerieproducten, zoals geurzakjes en geparfumeerde handschoenen. Huygens zag het als een hobby en beschouwde zichzelf als een amateur, net zoals hij zichzelf zag op muzikaal gebied. Het was een bezigheid die hem plezier schonk, ruimte bood voor experiment, en tegelijk functioneerde als sociaal instrument: hij wisselde recepten uit, stuurde ingrediënten op en hield zo contact met zijn netwerk.
‘Het Geheugen van Geur’ (‘Memories of Scent’) is een interdisciplinair project van de Jonge Akademie dat in samenwerking met het Huygens Instituut/NL-Lab onderzoekt hoe Huygens’ geurformules tot stand kwamen. Dat gebeurt via reconstructies: men zoekt naar hedendaagse equivalenten van de oorspronkelijke ingrediënten, benadert de verhoudingen zo nauwkeurig mogelijk en volgt de werkwijzen uit de 17e eeuw. Op basis van de resultaten organiseert het project ook publieksexperimenten waarin wordt onderzocht en uitgelegd hoe geur door de hersenen wordt waargenomen en beleefd.
Angel water, recept van Constantijn Huygens, KB KA 47.
Eerder werd op deze manier de geur ‘Rieckend water van mijn moeder’ tot leven gebracht, een ode van Constantijn Huygens aan zijn moeder Susanna Hoefnagel, en inmiddels is ook de geur ‘Angel Water‘ (Engelenwater) gereconstrueerd. Angel Water was een geliefde en veelgebruikte geur waarvoor verschillende recepten circuleerden. Huygens noteerde er twee, waaronder een variant van Paul Ferrein, parfumeur van de Engelse koningin Henriette Maria. De naam ‘Angel Water’ verwijst vermoedelijk naar de zoete, bijna hemelse geur die een associatie met engelen opriep.
Het Geheugen van Geur team dook opnieuw het laboratorium in. Met hulp van de Frans Nederlandse cosmetica-expert Daan Sins van Huygens Paris en de Franse senior parfumeur Marypierre Julien en Marianne Eekhout van het Dordrechts Museum werd hetzelfde gedaan als wat Huygens bijna 400 jaar geleden ook deed: snijden, stampen, koken, ruiken en aanpassen. Ingrediënten als witte wijn, wierookhars, benzoin en rodiola kwamen aan bod, maar ook kruidnagel en kaneel, bekend uit het recept voor zijn moeder. Het koken duurde lang en leverde een geurend residu op dat vermoedelijk werd aangestoken als een soort wierook of gebruikt in geurzakjes. Daarnaast ontstond een vloeistof: het zogenaamde Angel Water, dat niet alleen als parfum diende maar waarschijnlijk ook werd gedronken vanwege de kalmerende werking die eraan werd toegeschreven.
Links: Daan Sins (Huygens Paris), rechts: Marypierre Julien (Givaudan).
Op basis van het resultaat liet parfumeur Marypierre Julien zich inspireren en creëerde met moderne ingrediënten een nieuwe geur. Die werd verwerkt in een geurkaars, geproduceerd door Daans Sins van Huygens Paris, het Franse bedrijf dat zich heeft vernoemd naar de beroemde familie Huygens.
De kaars werd ook gemaakt ter gelegenheid van een andere mijlpaal: de 400e verjaardag van Huygens’ tijdgenoot raadpensionaris Johan de Witt (1625–1672). Om die reden siert op de kaarshouder een berekening in het handschrift van De Witt, een zogenaamde galeideling, vanwege de visuele overeenkomst met een galeischip. Deze deling gebruikte De Witt om de achterstallige rente te berekenen over een vermogensbelasting voor de steden in Zuid-Holland, de zogenoemde 200e penning. Op de afbeelding is te zien hoe De Witt het aandeel per stad uitrekent, in dit geval voor Dordrecht. Hoe deze deling precies tot stand kwam, wordt uitgelegd in dit filmpje:
Parfumproducten waren in de 17e eeuw echt in de mode, ook bij Johan de Witt. Uit zijn kasboek blijkt dat hij tijdens zijn grand tour door Frankrijk en Engeland onder meer geparfumeerde handschoenen kocht, scheerballetjes, oogwater, (geur)armbandjes, geparfumeerd poeder en een poederdoos, viooltjessiroop en zelfs kandijsuiker, een ingrediënt dat ook vaak in parfums werd verwerkt. Constantijn Huygens ging nog een stap verder: hij maakte zelf parfums en noteerde nauwkeurig zijn recepten. Beiden waren vertrouwd met formules: Huygens vanuit zijn belangstelling voor scheikunde, De Witt vanuit zijn vaardigheid in de wiskunde.
Met de overhandiging van het eerste exemplaar van de Angel Water-geurkaars aan de Nederlandse ambassadeur Jan Versteeg in Parijs, onderstreepten Marypierre Julien en Daan Sins het succes van deze Nederlands-Franse interdisciplinaire samenwerking.
Foto: Maarten Nauw.
Op 5 juli 2025 vierde de Jonge Akademie haar 20-jarig bestaan. Tijdens de feestelijke bijeenkomst lieten neurowetenschapper Hanneke Hulst en kunsthistorica Marjolijn Bol Koning Willem-Alexander de resultaten van het project Het Geheugen van Geur zien – én ruiken.
Tijdens een publieksexperiment van het Geheugen van Geur werden vier geuren anoniem aangeboden aan bezoekers. De geur Angel Water riep opvallend vaak gevoelens van vreugde en verrassing op. Deze geur, nu dus verwerkt in een geurkaars, is te koop op verschillende locaties: in het Dordrechts Museum, waar tot en met 7 december 2025 de tentoonstelling De Wereld van De Witt te zien is en ook De Witts originele berekening van de zogenaamde galeideling wordt getoond. Daarnaast is de kaars verkrijgbaar in het Dordts Patriciërshuis, bij Huygens Paris, bij uitgeverij Catullus, bij het Nationaal Archief in Den Haag en bij Huygens Museum Hofwijck in Voorburg. Ook de kaars met de geur ‘Rieckend water van mijn moeder’ is nog beperkt verkrijgbaar.
Gebruikstips:
De geurkaars is gebaseerd op een 17e-eeuws parfumrecept met geurharsen zoals benzoë en storax. Die zorgen voor een warme geur en geven de was een iets stevigere structuur. Laat de kaars de eerste keer 2 tot 3 uur onafgebroken branden, zodat het oppervlak mooi gelijkmatig smelt. Door die vollere wasstructuur kan de vlam wat kleiner worden. Een korte, voorzichtige kanteling van het glas – af en toe tijdens het branden – helpt de vloeibare was langs de wand te verdelen, zodat de kaars gelijkmatig blijft branden.
Op zondag 30 maart 2025 vindt op Kasteel Maurick in Vught een nieuwe aflevering van de succesvolle reeks ‘De Koerier’ plaats. In deze editie staat Constantijn Huygens en zijn muziek centraal. De Koerier is een meeslepende muziektheatervoorstelling over het Beleg van ‘s-Hertogenbosch in 1629, gezien door de ogen van een koerier. Deze fictieve figuur, gespeeld door Victor Lange, verbindt de historische gebeurtenissen met de locatie: Kasteel Maurick. Dit brengt het publiek dicht bij deze ingrijpende periode uit de vaderlandse geschiedenis.
Victor Lange als De Koerier. Foto: @Vincent Nabbe.
De kamer van Constantijn Huygens Deze episode speelt zich af in de kamer van Constantijn Huygens, secretaris van Frederik Hendrik, maar ook dichter en componist. We ontdekken zijn muziek en horen verhalen over zijn reis naar Venetië en zijn beklimming van de kathedraal van Straatsburg. Vanuit zijn kamer kijken we uit over de Dommel en staan stil bij Frederik Hendriks gewaagde oorlogsstrategie: het omleiden van rivieren om ‘s-Hertogenbosch te veroveren.
Live muziek van Huygens, Sweelinck en Monteverdi Onderdeel van de kracht van De Koerier is de live muziek, uitgevoerd door gerenommeerde barokensembles. Eerdere episodes brachten Holland Baroque, Castello Consort en Tra Noi. In deze aflevering verwelkomen we clavecinist Krijn Koetsveld en sopraan Jennifer van der Hart. Zij spelen muziek van Huygens, Sweelinck en Monteverdi. Elke episode van De Koerier heeft een afgerond verhaal waarmee je een goede indruk krijgt van de betekenis van het beleg toen en nu. En je kunt bij elke episode instappen.
Beleef het mee op zondag 30 maart in Kasteel Maurick (11.00 en 15.00 uur). Bestel je kaarten via www.dichtbijmaurick.nl
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.