Béatrix de Cusance, Constantijn Huygens en de kunst van het verzamelen

Toen Constantijn Huygens in de zomer van 1652 kennismaakte met Béatrix de Cusance, hertogin van Lotharingen, woonde zij al jaren voornamelijk in de Zuidelijke Nederlanden. Haar leven was sterk bepaald door haar omstreden huwelijk met Karel IV, hertog van Lotharingen. Toen Béatrix in 1637 met hem trouwde, leefde zijn eerste echtgenote Nicole van Lotharingen nog. Rome erkende het huwelijk met Béatrix niet en in 1642 werden Karel en Béatrix zelfs geëxcommuniceerd. Na hun verzoening met de kerk moesten zij gescheiden leven.

Béatrix verbleef daardoor lange perioden zonder haar echtgenoot in de Zuidelijke Nederlanden, waar zij overigens zelf familie, bezittingen en een uitgebreid netwerk had. In Brussel woonde zij onder meer in het Hôtel de Berghes en ze verbleef geregeld op haar kastelen in Beersel en Eigenbrakel. Ook Antwerpen speelde een belangrijke rol in haar leven. Daar logeerde zij dikwijls bij de familie Duarte aan de Meir, een welgestelde Portugees-joodse familie die beroemd was om de muziek die in huis werd gemaakt. Bij de Duartes ontmoette Béatrix op 15 juli 1652 Constantijn Huygens.1

Portretten

Muziek werd een belangrijke verbindende factor in hun vriendschap, maar schilderijen en andere kunstvoorwerpen duiken bijna even vanzelfsprekend op in hun correspondentie. Beiden bewogen zich in een wereld waarin kunst werd gekocht en verzameld, maar ook werd gebruikt om vriendschappen en familiebanden zichtbaar te maken.

Dat blijkt bijzonder mooi uit een voorval kort na hun eerste ontmoeting. Een paar maanden daarna verraste Béatrix Huygens met twee portretten van zijn overgrootouders, Joris Vezelaer en Margaretha Boghe, geschilderd door Joos van Cleve. Béatrix had de schilderijen vermoedelijk op 12 september 1652 gekocht bij de Antwerpse kunsthandelaar Matthijs Musson. Ze liet ze eerst in haar eigen kabinet ophangen. Toen Huygens ze daar zag, schonk zij hem de twee portretten. Huygens was zo nieuwsgierig naar hun herkomst dat hij later zelf aan Musson schreef om er meer over te weten te komen.2 Beide hierboven afgebeelde schilderijen bevinden zich tegenwoordig in de National Gallery of Art in Washington.

Huygens liet het daar niet bij. Op 11 januari 1653 stuurde hij Béatrix een camee met een voorstelling van Adam en Eva, vergezeld van een gedicht waarin hij voortborduurde op haar geschenk:

Duchesse, c’est à vous que je doibs mes Parents,
C’est à vous que les miens et les vostres je rends.3

Hertogin, aan u dank ik mijn voorouders,
aan u geef ik de mijne en de uwe terug.

Béatrix had hem zijn voorouders teruggegeven, zo dichtte Huygens, en hij gaf haar nu hun gezamenlijke voorouders Adam en Eva. Hij eindigde door haar aan te spreken als zijn ‘cousine en Ève et en Adam’. De grap beviel kennelijk, want ook later bleef hij Béatrix soms in zijn brieven zijn verwante ‘en Adam et en Ève’ noemen. Beatrix bedankt Constantijn uitbundig in haar brief van 23 januari 1653. Op de adressering herhaalt ze het nogmaals:

Uw geschenk wordt bewonderd door ieder die het ziet; het is een zeldzaam stuk dat mijn verzameling ten zeerste siert.

Adres van brief van Béatrix de Cusance aan Constantijn Huygens van 23 januari 1653, Koninklijke Verzamelingen,
Archief Constantijn Huygens, G1-9.1, nr. 5

Portretten bleven in hun vriendschap een terugkerend onderwerp. Huygens wilde heel graag een portret van Béatrix hebben. Dat liet nogal op zich wachten. De beoogde schilder Justus van Egmont werd ziek en Huygens begon ongeduldig te worden. Hij schreef er brieven en zelfs gedichten over. In zijn gedicht Songe uit 1656 ging hij zelfs zo ver dat hij droomde dat hij Béatrix zelf bij zich had en haar schilderij eigenlijk niet meer nodig had.

Béatrix liet zich vaker portretteren en gaf ook opdracht tot portretten van haar kinderen. Gonzales Coques schilderde haar zoon Charles-Henri, Justus van Egmont haar dochter Anne en ook een van Béatrix zelf. In 1657 stuurde zij deze portretten naar haar echtgenoot Karel IV, die toen in Spanje gevangen zat. Van zijn reactie is alleen iets bekend over het portret van dochter Anne: dat vond hij weliswaar ‘bien à la mode’, maar hij meende ook dat haar gezicht enigszins door de pokken was getekend.

Justus van Egmont, Portret van een onbekende vrouw, ca. 1653–1656. Op grond van de datering, de schilder en de overeenkomsten met andere portretten is hier mogelijk Béatrix de Cusance afgebeeld. Museo Lázaro Galdiano, Madrid, inv. 08446. Afbeelding: Wikimedia Commons.

Kunstverzameling

Béatrix’ belangstelling beperkte zich niet tot portretten. Zij kocht kostbare voorwerpen, juwelen en schilderijen en schakelde daarvoor haar secretaris Claude-François Pelletier en mensen uit haar Antwerpse netwerk in. In 1653 probeerde Béatrix in Antwerpen een schilderij van Peter Paul Rubens ter waarde van 1.200 gulden te bemachtigen. Ze schakelde haar secretaris Pelletier in en hoopte dat hij Karel IV op een goed moment kon bewegen het bedrag ervoor neer te leggen.4

Hoe groot en veelzijdig haar belangstelling voor schilderkunst werkelijk was, wordt nu steeds duidelijker. In de inventaris van haar bezittingen die na haar dood in 1663 werd opgesteld, blijken meerdere werken aan Rubens te worden toegeschreven. Misschien bevond het schilderij dat zij in 1653 zo graag wilde hebben zich daar ook tussen. Voorlopig is alleen nog niet vast te stellen om welk werk het ging. Daarnaast staan er in de inventaris grote namen als Rubens, Titiaan, Mijtens, Brueghel, Veronese, Correggio en Daniel Seghers. Bij sommige schilderijen staat nadrukkelijk dat het om een werk ‘naar’ een kunstenaar gaat, bij andere wordt de naam zonder voorbehoud genoemd.

Ook inhoudelijk vallen enkele patronen op. Zo komen vrouwen vaak in de verzameling voor: vorstinnen en andere adellijke vrouwen, maar ook vrouwelijke heiligen en figuren uit de oudheid. Onder de geportretteerden bevinden zich bijvoorbeeld Christina van Zweden, Maria Henriette Stuart en Amalia van Solms, drie vrouwen die ook in de wereld van Constantijn Huygens een belangrijke plaats innamen en die Beatrix ook persoonlijk heeft gekend. Soms sluit de inventaris zelfs rechtstreeks aan bij wat uit de correspondentie al bekend was. Zo wordt een portret van de ‘Douairière d’Orange’, Amalia van Solms, genoemd. Huygens had Béatrix in Antwerpen in 1653 persoonlijk een portret van Amalia, vervaardigd door Gerard van Honthorst, overhandigd. Of het om precies hetzelfde schilderij gaat, moet nog worden vastgesteld.5

Jan Davidsz. de Heem, stilleven met haring, garnalen, fruit, wijn en bier, 1653, olieverf op paneel. Op de achterzijde staan de wapens van Karel IV van Lotharingen en Béatrix de Cusance; Christie’s noemt hen daarom als waarschijnlijke vroegste eigenaren. Foto en gegevens: Christie’s. Christie’s, lot 6591734

Een van de schilderijen uit Béatrix’ verzameling lijkt mogelijk zelfs te kunnen worden teruggevonden. Een stilleven van Jan Davidsz. de Heem uit 1653 draagt op de achterzijde de wapens van Karel IV van Lotharingen en Béatrix de Cusance. De voorstelling sluit bovendien opvallend goed aan bij een schilderij dat in haar verzameling wordt genoemd.

Juist tegen die achtergrond krijgt de kunstuitwisseling tussen Béatrix en Huygens meer betekenis. De twee familieportretten die zij voor hem opspoorde waren geen toevallig aardig cadeautje van iemand die ook weleens naar schilderijen keek. Béatrix was vertrouwd met de Antwerpse kunsthandel en bezat zelf een aanzienlijke verzameling. Huygens wist met wie hij over kunst sprak. Huygens was zelf een ervaren kunstkenner en verzamelaar. Hij kende de grote kunstenaars van zijn tijd, bemiddelde bij aankopen en opdrachten voor de Oranjes en bouwde in zijn Haagse huis een eigen verzameling op.6 Dat kunst zo vanzelfsprekend deel uitmaakte van zijn contacten met Béatrix, is dan ook niet verrassend. Hun belangstelling voor schilderijen vormde, naast muziek en literatuur, een van de culturele raakvlakken in hun vriendschap en briefwisseling.

De verdere bestudering van Béatrix’ kunstbezit kan het beeld van haar als verzamelaar aanzienlijk verdiepen. De inventaris biedt mogelijkheden om afzonderlijke schilderijen nader te identificeren, mogelijke verbanden te leggen met werken die nu in musea of particuliere collecties worden bewaard en vooral om haar verzameling als geheel beter te begrijpen. Nu al wordt duidelijk dat kunst in haar leven een grotere plaats innam dan uit de correspondentie alleen viel op te maken, en dat haar verzameling nauw verbonden was met de internationale culturele wereld waarin ook Huygens zich bewoog. Misschien duikt daarbij zelfs nog de camee met Adam en Eva op die Huygens haar in 1653 schonk. Béatrix noemde het destijds een ‘zeldzaam stuk’ dat haar verzameling sierde; het is dus goed denkbaar dat zij het tien jaar later nog altijd bezat.

Ineke Huysman, 19 september 2026


  1. J.H.W. Unger, Dagboek van Constantijn Huygens (Amsterdam 1885), 54. ↩︎
  2. L.L.E. Schlüter, ‘“gedaen door N. de Vos tot Antwerpen”: Lotgevallen van de portretten van Joris Vezelaer en Margaretha Boghe van Constantijn Huygens, geschilderd door Joos van Cleve’, Oud-Holland 119 (2006), 147-158, in het bijzonder 150-152. ↩︎
  3. Ineke Huysman en Rudolf Rasch (eds.), Béatrix en Constantijn. De briefwisseling tussen Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens 1652-1662 (Amsterdam 2009), nr. 10, 94-95. ↩︎
  4. Bibliothèque Municipale de Besançon, Ms. 1117, fols. 10-11, Béatrix de Cusance aan Claude-François Pelletier, 10 april 1653 ↩︎
  5. Huysman en Rasch, Béatrix en Constantijn, 97-101. ↩︎
  6. Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof (Dissertatie Universiteit van Amsterdam, Amsterdam 2010), met name 72-73 en 116-122. ↩︎

De komeet van 1665

Op 15 april 1665 schreef de jezuïet Jean Bertet vanuit Lyon een brief aan Constantijn Huygens in Orange. Het was al dagen helder weer en Bertet maakte daar gebruik van om astronomische waarnemingen te doen. Vooral een nieuwe komeet hield hem bezig. Deze komeet wordt tegenwoordig aangeduid als C/1665 F1 en wordt vanwege zijn helderheid gerekend tot de grote kometen van de zeventiende eeuw.

De komeet was vanaf 27 maart zichtbaar en werd in april op verschillende plaatsen in Europa gevolgd. Ook de bekende astronoom Johannes Hevelius observeerde hem vanuit Danzig. Van de komeet maakte hij tussen 6 en 20 april nauwkeurige waarnemingen. Op 6 april zag hij hem in het sterrenbeeld Pegasus, met een staart van ongeveer 17 graden. Ook de jonge Isaac Newton zag de komeet en tekende op 5 april 1665 de positie ervan aan in een van zijn notitieboeken. Op 24 april kwam de komeet het dichtst bij de zon. Kort daarna verdween hij vanaf het noordelijk halfrond uit het zicht.

Brief van Jean Bertet aan Constantijn Huygens, 15 april 1665, Universiteitsbibliotheek Leiden, Cod. Hug. 45 (Bertet) 2.

Jean Bertet zelf was meer dan een toevallige waarnemer. Hij werd in 1622 in Tarascon geboren, trad op jonge leeftijd toe tot de jezuïeten en doceerde later filosofie en wiskunde in Grenoble en Aix-en-Provence. In 1671 werd hij docent aan het jezuïetencollege in Parijs. Hij maakte deel uit van een Europees netwerk waarin geleerden waarnemingen, boeken en ideeën met elkaar uitwisselden.

Bertet volgde de komeet al enige tijd, zo schreef hij Constantijn. Op 12 april dacht hij even dat hij iets over de afstand van de komeet tot de aarde kon bepalen, maar later kwam hij daarop terug. Hij noteerde eveneens dat de komeet bij zonsopgang nog maar 18 graden boven de horizon stond. Bertet probeerde uit de beweging van de komeet ook iets af te leiden over de plaats van de aarde in het heelal. Volgens hem ondersteunden zijn waarnemingen het idee van Copernicus dat de aarde om de zon draait.

Christiaan Huygens

De brief gaat ook over Christiaan Huygens. Bertet noemt hem tegenover zijn vader ‘vostre illustre Archimède’, ‘uw beroemde Archimedes’. Christiaan had toen al naam gemaakt met zijn onderzoek naar Saturnus, de ontdekking van de maan Titan en met zijn slingeruurwerk.

Christiaan Huygens door Caspar Netscher, 1671.

Ook Christiaan volgde de nieuwe komeet. In zijn eigen aantekeningen staan waarnemingen van 11, 12, 13, 14 en 17 april 1665. Hij bepaalde waar de komeet aan de hemel stond en keek naar de lengte en richting van de staart. Op 16 april stuurde hij de Franse astronoom Adrien Auzout zijn waarnemingen van de nieuwe komeet die hij tot dan toe had verzameld.

Bertet en Christiaan keken dus in dezelfde periode op verschillende plaatsen naar hetzelfde verschijnsel. De verbinding tussen hen liep in eerste instantie via vader Constantijn. Constantijn was kort daarvoor zelf in Lyon geweest. Hij was onderweg van Parijs naar Orange, waar hij namens de Oranjes de teruggave van het prinsdom aan Willem III moest begeleiden. Op 6 april kwam hij in Lyon aan. Daar bleef hij enkele dagen en ontmoette hij verschillende geleerde jezuïeten. Henri-Louis Habert de Montmor, een Parijse geleerde die een belangrijke wetenschappelijke kring om zich heen had, schreef Bertet al op 24 maart dat Constantijn eraan kwam en vroeg hem goed voor zijn gast te zorgen. In die aanbevelingsbrief roemde hij ook uitgebreid Constantijns beroemde zoon Christiaan.

Op 9 april kreeg Constantijn in Lyon van Bertet een brief met astronomische waarnemingen, bestemd voor Christiaan. De eerste daarvan dateren van 2 april. Bertet noteerde van dag tot dag waar de komeet aan de hemel stond. Constantijn stuurde deze gegevens daarna door aan zijn zoon.

Astronomische waarnemingen van Jean Bertet uit april 1665, bestemd voor Christiaan Huygens.

Christiaan had zich overigens enkele maanden eerder al uitvoerig beziggehouden met een andere grote komeet die vanaf december 1664 zichtbaar was, nu bekend als C/1664 W1. In juni 1665 schreef hij rechtstreeks aan Bertet dat hij diens waarnemingen had vergeleken met zijn eigen observaties. Zijn conclusie was dat de baan van deze komeet veel moeilijker te verklaren was dan die van de vorige. De waarnemingen pasten minder goed bij het idee van een rechte baan. Bertet was in april nog uitgegaan van de hypothese dat de nieuwe komeet zich in een rechte lijn bewoog.

Orion en Saturnus

In Bertets brief aan Constantijn Huygens komt nog een ander astronomisch onderwerp ter sprake. Hij vertelt dat de jezuïet en natuuronderzoeker Honoré Fabri veranderingen meende te zien bij de kleine sterren in het zwaard van het sterrenbeeld Orion. Juist dat gebied had Christiaan beschreven in zijn Systema Saturnium uit 1659. Daarin gaf hij ook een afbeelding van wat wij nu de Orionnevel noemen.

De Orionnevel, afgebeeld door Christiaan Huygens in Systema Saturnium (1659).

Fabri kende Christiaans werk goed. Hij had zich eerder in de discussie over Saturnus tegen Huygens gekeerd. Fabri betwijfelde Huygens’ verklaring dat Saturnus door een ring werd omgeven. Eind 1664 meldde de jezuïet en astronoom Gilles-François de Gottignies vanuit Rome dat Fabri inmiddels door zijn eigen waarnemingen overtuigd was geraakt en Christiaan alsnog gelijk gaf. Als Bertet aan Constantijn schrijft dat Fabri nu ‘bekeerd’ is, doelt hij dus op diens veranderde standpunt over Saturnus.

Bertets brief aan Constantijn Huygens laat goed zien hoe astronomische kennis in de zeventiende eeuw circuleerde. Dezelfde komeet werd op verschillende plaatsen waargenomen, metingen werden per brief uitgewisseld en vervolgens met elkaar vergeleken. Bertets gegevens gingen via Constantijn naar Christiaan, die ze naast zijn eigen waarnemingen legde en later weer rechtstreeks aan Bertet schreef.


Christiaans belangstelling voor de hemel bleef zijn hele leven bestaan. Aan het einde van zijn leven schreef hij Cosmotheoros, waarin hij nadacht over andere werelden en de mogelijkheid van leven op andere planeten. Het boek verscheen na zijn dood. In 2024 verscheen bij Boom Cosmotheoros. Christiaan Huygens over buitenaards leven, hertaald, geannoteerd en ingeleid door Daphne Stam, theoretisch natuurkundige en gespecialiseerd in onderzoek naar planeten en hun atmosferen.

Op zaterdag 31 oktober 2026 spreekt Daphne Stam over Christiaan Huygens tijdens het symposium Haagse Vrijdenkers in de Nieuwe Kerk in Den Haag. Daar staan drie zeventiende-eeuwse denkers centraal die nauw met Den Haag verbonden waren: wetenschapper Christiaan Huygens, filosoof Benedictus de Spinoza en politicus Johan de Witt. Yoram Stein spreekt over Spinoza en Jean-Marc van Tol over De Witt. ’s Middags wordt de verbinding gelegd met de vraag wat vrijdenken tegenwoordig betekent. Het programma loopt van 10.00 tot 15.00 uur.

Meer informatie en kaarten voor Haagse Vrijdenkers, 31 oktober 2026