Brieven van Constantijn Huygens uit het Rampjaar 1672

Mijnheer,

Haere Hooch.t seght haere intentie niet te zijn van alhier eenighe Fransche sauvegardes te ontbieden, maer alleen door den heere De Pomponne te doen versoecken, ingevalle het gebeurde dat eenige van des Conings trouppen in Den Hage moghten komen, zijnde een open plaetse, daeruyt Haere Hooch.t wegens haeren ouderdom ende indispositie niet en kan vertrecken, sooals vele andere doen. Dat vanwegen S.M. ordre moghe werden gestelt, teneinde haer persoon, huys ende goederen van allen overlast bevrijet blijven, sulx Haere Ho. vertrouwt dat haer met geene reden qualick kan werden afgenomen. Ende U.W.E. werdt gebeden de sake in sulcker voegen voor te dragen. Ick ben, mijnheer, U.E. ootmoedige dienaer, C. Huygens

De hierboven geciteerde brief van Constantijn Huygens, die wordt bewaard bij Fondation Custodia in Parijs, is niet gedateerd. Hij moet vrijwel zeker geschreven zijn in 1672, in ieder geval nadat de Fransen in april van dat jaar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden waren binnengevallen. Ook de ontvanger van de brief is onbekend, maar het moet een Nederlander zijn geweest met toegang tot het Franse hof. Mogelijk was dit Pieter de Groot, van 20 mei 1670 tot 23 maart 1672 ambassadeur in Frankrijk en op 27 juni van datzelfde jaar als extraordinaris gedeputeerde naar de Franse koning gezonden om te onderhandelen.

Het is een opmerkelijke brief, want Huygens anticipeert erin op een mogelijke Franse bezetting van Den Haag, waarbij zijn werkgeefster Amalia van Solms, de weduwe van stadhouder Frederik Hendrik en grootmoeder van stadhouder Willem III, gevaar loopt. Hij verzoekt de ontvanger van zijn brief er bij de Franse minister Simon-Nicolas d’Arnault, markies De Pomponne, op aan te dringen dat zij in dat geval met rust gelaten zal worden. Ze is immers te oud en in een te slechte conditie om te kunnen vertrekken. Gelukkig zou het allemaal niet nodig zijn, want de Fransen zouden Den Haag nooit bereiken.

Zuilichem

Huis te Zuilichem, gezien van de overzijde van de Waal, door Constantijn Huygens junior, 1679, Rijksmuseum.

Ook Huygens’ eigen bezittingen liepen gevaar. Kasteel Zuilichem in de Bommelerwaard, waarvan hij sinds 1630 de eigenaar was, lag midden in de gevarenzone. Huygens wijdde er enkele brieven aan, onder andere twee aan de Franse legeraanvoerder Henri de la Tour d’Auvergne, ‘le grand Turenne’, kleinzoon van Willem van Oranje, met het verzoek zijn eigendom te sparen. Huygens kende de vermaarde krijgsheer nog goed uit de tijd dat deze in dienst was van het Staatse Leger.

Zuilichem werd inderdaad met rust gelaten, vermoedelijk vanwege de goede betrekkingen met de Fransen, niet alleen vanwege vader Constantijn maar ook vanwege zoon Christiaan, die op dat moment een prominente positie bij de Académie Royale des Sciences te Parijs bekleedde.

In totaal zijn er tachtig brieven van Huygens’ correspondentie bewaard gebleven uit 1672. Enkele gaan over ‘Rampjaar’-gerelateerde zaken, maar veel ook niet. Huygens’ andere bezigheden gingen gewoon door. Opmerkelijk genoeg komt de moord op de gebroeders De Witt geheel niet ter sprake. Het jaar 1672 was overigens voor Constantijn Huygens persoonlijk beslist geen rampjaar, maar een positief keerpunt: de positie van de Huygens-familie kreeg een boost: er kwam opnieuw een stadhouder, een Oranje-Nassau, aan de macht.

Ineke Huysman, 22 juli 2022


De bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest, Uitgeverij Catullus 2022) bevat meer informatie over Huygens’ correspondentie en ook over zijn relatie met de Oranje-Nassaus.

Vijftig ‘nieuwe’ brieven uit 1646 van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, Assenede, 24 juli 1646:

Zijne Hoogheid [stadhouder Frederik Hendrik], teruggekomen van het uitstapje [een bezoek aan het Franse leger], voelde zich een beetje vermoeid, na enkele uren te paard te zijn geweest. Daardoor heeft hij vannacht niet goed geslapen en is hij om 4 uur opgestaan om in een stoel te gaan zitten, waarom begrijp ik niet. Om 7 uur is hij weer terug op bed gaan liggen en heeft twee à drie uur zo diep geslapen dat alle trompetten van de Franse troepen die gezamenlijk onder zijn raam hebben staan blazen, hem niet hebben kunnen wekken. Na dit slaapje voelde hij zich totaal niet verfrist.

Dit vrij vertaalde fragment is afkomstig uit één van de vijftig teruggevonden brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms die zijn toegevoegd aan de online database met de correspondentie van Constantijn Huygens. De verloren gewaande brieven zijn afkomstig uit het Landeshauptarchiv in Dessau en vrijwel allemaal geschreven in 1646. Ze zijn een belangrijke aanwinst voor de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens, in het bijzonder voor zijn correspondentie met Amalia van Solms, de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik. In zijn functie van secretaris van de stadhouder hield Constantijn Amalia vanuit het leger, dat ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht was, vrijwel dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen, maar ook van de gezondheid van haar echtgenoot. In totaal zijn er tussen Huygens en Amalia 1.018 brieven gewisseld. Hij schreef er 834 aan haar en zij schreef 184 brieven aan hem. Op de genoemde vijftig brieven na, bevindt deze briefwisseling zich vrijwel geheel bij Koninklijke Verzamelingen onder signatuur KHA, A14a-XIII-18C-1. Dat deze correspondentie zo compleet is, is te danken aan de afspraak die Constantijn met een van Amalia’s hofdames had gemaakt dat zij al zijn brieven aan Amalia voor hem zou bewaren.

Correspondentie Constantijn Huygens met Amalia von Solms: lichtblauw zijn de brieven áán haar; donkerblauw de brieven van haar

Edities

De belangrijkste gedrukte editie van Huygens’ brieven is op dit moment nog steeds die van J.A. Worp, uitgegeven in de periode 1911-1916 in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën, de serie bronnenpublicaties van het Huygens ING. In de algemene inleiding bij deel I stelde Worp dat de volledige uitgave van de correspondentie van Constantijn Huygens 25 tot 30 delen zou vergen. Dat zou natuurlijk veel te veel worden en daarom beperkte hij de omvang tot zes delen, want niet alles was volgens Worp even belangrijk. Die werkwijze is echter niet meer van deze tijd. De huidige onderzoeker wil over het volledige materiaal kunnen beschikken en niet afhankelijk zijn van de selectie en parafrases van een 19e-eeuwse historicus. En dat kan: het Huygens ING heeft een database ingericht met per brief enkele kerngegevens. Hieraan zijn de bewerkingen van Worp gekoppeld en het geheel is op het web gepubliceerd en doorzoekbaar. Aan de brieven is extra materiaal toegevoegd, zoals de digitale afbeelding van de originele brief, maar ook verwijzingen naar andere edities dan die van Worp, en dikwijls een transcriptie of vertaling.

Herkomst

Willem II, Prins van Oranje, door Jean I Petitot, naar schilderij van Gerard van Honthorst, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

En zo worden ook nieuwe, niet door Worp uitgegeven brieven aan de database toegevoegd. Daar zijn deze vijftig brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms een voorbeeld van. De brieven bevinden zich in het Landeshauptarchiv Sachsen-Anhalt, Abteilung Dessau, A7b, nr. 109 A met als opschrift: ‘Relation de la Campagne 1646’ (Eindelijk weer samen. Inventaris van de archieven van stadhouder Willem II en Amalia van Solms en enige verwanten, samengesteld door J.N. Fernhout (Den Haag) 86). Het was bekend dat de brieven uit 1646 van Huygens aan Amalia ontbraken, maar tot voor kort wist men niet dat ze zich in Dessau bevonden. Ze zijn daar waarschijnlijk ooit terechtgekomen door een beslissing van stadhouder Willem II. Die was tamelijk ongelukkig met de Vrede van Munster, die een einde had gemaakt aan de Tachtigjarige Oorlog. Liever had hij samen met de Fransen de strijd tegen de Spanjaarden willen voortzetten. Kort na het overlijden van zijn vader Frederik Hendrik (maart 1647) besloot hij een aantal documenten uit het archief van zijn vader naar zijn eigen administratie over te brengen om zo goed mogelijk op de hoogte te zijn van zijn vaders contacten met Frankrijk. Zo liet hij 270 folio’s met ingekomen stukken over de voorbereiding van de veldtochten tegen Spanje uit zijn vaders archief lichten (Fernhout, 22 en 98).

Vermoedelijk om dezelfde reden zijn ook de vijftig brieven van Constantijn aan Amalia uit het jaar 1646 in het archief van Willem II ondergebracht. Na diens dood in 1650 is dit deel van het archief bij zijn moeder Amalia terechtgekomen. Toen Amalia op haar beurt in 1675 overleed, werd haar oudste nog levende dochter Albertine Agnes, weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik, executeur-testamentair. Na haar dood is het archief van Willem II, evenals een deel van dat van Amalia en veel Friese stukken in Duitsland, beland bij de enige nog levende zuster Henriette Catharina, de weduwe van de vorst van Anhalt-Dessau. De documenten, maar ook schilderijen en sieraden, stonden daar bekend als Nassauische Erbschaft (Fernhout, 42). Deze verzameling is niet compleet. Het verhaal wil dat Henriette Catharina veel persoonlijke stukken met zich mee heeft genomen in haar graf. De kerk waar zij begraven lag, is in de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd, dus die stukken moeten als voorgoed verloren worden beschouwd.

De archieven van Willem II en Amalia van Solms zijn aldus verspreid geraakt over het Landseshauptarchiv in Dessau en het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Dankzij een initiatief van beide archieven zijn ze virtueel weer bij elkaar gebracht door middel van de eerder genoemde inventaris, samengesteld door J.N. Fernhout, die in 2011 door het Koninklijk Huisarchief is gepubliceerd. Het Koninklijk Huisarchief beschikt over microfilms en scans en heeft deze, met bereidwillige medewerking van het archief te Dessau, aan het Huygens ING beschikbaar gesteld. Vervolgens zijn de vijftig relevante brieven uit het digitale materiaal gelicht, bewerkt, van metadata voorzien, getranscribeerd en aan de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens gekoppeld.

Inhoud

Deze brieven van Constantijn aan Amalia uit 1646 zijn voor de geschiedschrijving een waardevolle toevoeging. Zo was 1646 het laatste jaar waarin stadhouder Frederik Hendrik nog actief was en met het leger op veldtocht ging. Van half juni tot half september van dat jaar verbleef hij met het leger in Oost-Vlaanderen en in de maand oktober was hij gelegerd voor Venlo, dat hij tevergeefs probeerde in te nemen. In zijn brieven doet Constantijn Amalia uitgebreid verslag over de verstandhouding en de ontmoetingen met de geallieerde Fransen, waarin kopstukken zoals legerleiders Condé, Grammont en Orléans figureren. Verder schrijft hij in detail over de verplaatsingen van het leger, de schermutselingen met de vijand en de activiteiten van de vloot bij Duinkerken. Maar ook de verveling die vaak toeslaat terwijl men wacht op instructie, is onderwerp van schrijven. Zo bericht hij over Willem II die, tot ergernis van zijn vader, regelmatig bij de Fransen te vinden is, waarbij er flink wordt gedronken en gekaart om de tijd te doden. Ook de voorbereidingen op de Vrede van Munster zijn in volle gang en er komt er vaak afvaardiging naar het leger om Frederik Hendrik van de onderhandelingen op de hoogte brengen.

Beleg van Venlo in 1646 door Lambert de Hondt de Oudere, Wikimedia Commons

Frederik Hendrik zou op 14 maart 1647 overlijden. Het jaar daarvoor, in 1646, was hij reeds zwak en ziekelijk, vaak mentaal instabiel en lastig in de omgang. Ook hierover doet Constantijn op gepaste maar ook ontroerende wijze verslag. Vaak beschrijft hij tot in detail wat zijn werkgever wel en niet wil eten, hoe hij heeft geslapen, en of en hoe lang hij op zijn paard heeft gezeten. Maar ook Constantijns persoonlijke beslommeringen, waaronder zijn soms moeilijke verstandhouding met Amalia van Solms, komen aan de orde.

In de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven komt de relatie tussen Constantijn en Amalia uitgebreid aan bod.

Ineke Huysman, 18 maart 2022

Justinus van Nassau en Constantijn Huygens

In de database met de correspondentie van Constantijn Huygens bevinden zich acht brieven van Justinus van Nassau (1559-1631) aan Constantijn Huygens. Daarvan zijn er twee nooit eerder uitgegeven. Wie was Justinus van Nassau en wat was zijn relatie met Constantijn Huygens? Waar gaan de brieven over?

De overgave van Breda in 1625 door Diego Velázquez (ca. 1635), Wikimedia Commons. Links Justinus van Nassau die Ambrogio Spinola de sleutels van de stad Breda aanbiedt.

Justinus was de zoon die voortkwam uit de kortstondige relatie tussen Eva Elinx (ca. 1535-1590) en Willem van Oranje na het overlijden van zijn eerste echtgenote, Anna van Buren. Hoewel Justinus nooit als wettige nakomeling werd erkend, kreeg hij wel een adellijke opvoeding aan het hof. Na zijn studie aan de net opgerichte Universiteit van Leiden maakt hij carrière als luitenant-admiraal van Zeeland (1585-1601) en was hij onder meer betrokken bij de verdediging van Antwerpen en de Vlaamse kust tegen de Spanjaarden. Met het landleger vocht hij mee bij de inname van Breda en de Slag bij Nieuwpoort.

Ook reisde hij als diplomaat verschillende malen naar Frankrijk en Engeland, onder andere met Johan van Oldenbarnevelt. In 1597 trouwde Justinus met Anna van Merode (1565-1634) met wie hij drie kinderen kreeg. In 1601 werd hij gouverneur van Breda en hij bekleedde die functie totdat de stad in 1625 moest capituleren. Daarna trok hij zich terug in Leiden en verdiepte zich in de wetenschap. [Verder lezen: A.P. van Vliet, Bastaard van Oranje. Justinus van Nassau: admiraal, diplomaat en gouverneur (1559-1631) (Zutphen 2017)]

Peetvader

Tijdens de uitoefening van zijn functie als secretaris van Willem van Oranje had Constantijns vader Christiaan Huygens een vriendschappelijke band met Justinus opgebouwd. Toen zijn zoon Constantijn in 1596 werd geboren, vroeg Christiaan, inmiddels secretaris van de Raad van State, aan Justinus of hij peetvader (parrain) van zijn tweede kind wilde worden. De andere ‘peetvader’ was het bestuur van de stad Breda, een stad waarmee Christiaan een hechte band had, omdat hij er in de buurt was geboren en getogen. Justinus schonk een ‘pillegift’ (doopgeschenk) in de vorm van een vergulde kelk, die Constantijns moeder Suzanna Hoefnagel later in haar testament aan Constantijn vermaakte.

Ondertekening van een brief van Justinus van Nassau aan Constantijn Huygens van 15 mei 1627, Koninklijke Verzamelingen, Archief Constantijn Huygens, G1-9.1.

Er is niet zoveel bekend over de relatie tussen Constantijn en zijn peetvader, Constantijn zelf heeft er niets over vastgelegd. We zullen het dus moeten doen met de acht overgeleverde brieven die Justinus aan Constantijn schreef tussen 1627 en 1630, toen hij in Leiden woonde. Zo accepteerde hij op 25 maart 1627 hartelijk Constantijns uitnodiging voor diens huwelijk met Susanna van Baerle, maar moest hij zijn vrouw verontschuldigen omdat zij verkouden was. Uit zijn daarop volgende brief maken we op dat Constantijn hem het verslag van zijn reis naar Venetië had uitgeleend. Justinus schrijft dat hij wenste dat hij twintig jaar jonger was, want dan zou hij al die zeldzaamheden in de mooie en grote steden van die magnifieke republiek van Venetië zelf gaan bezichtigen. In een andere brief lezen we dat hij bewondering maar ook kritiek had op het hem door Constantijn toegezonden relaas van Francis Vere (1560-1609) over de Slag bij Nieuwpoort. Hij had het gelezen en herlezen en kwam tot de slotsom dat de Engelse commandant uitstekend had beschreven wat hij zelf aan verdiensten had geleverd, maar dat de prestaties van de andere partijen, bijvoorbeeld die van onze eigen cavalerie en wijlen prins Maurits, wel wat meer aandacht hadden mogen krijgen. In andere brieven vraagt Justinus aan Constantijn om voorspraak bij de stadhouder Frederik voor benoemingen in het leger, onder andere voor zijn eigen zoon, vermoedelijk Philips jonker van Nassau, heer van Grimhuizen, Hoekelom en Wijchen (1605-tussen 1672 en 1676).

Nieuwe brieven in de British Library

Vier brieven van Justinus van Nassau worden bewaard in het archief van Constantijn Huygens bij Koninklijke Verzamelingen in Den Haag. De twee hiervoor genoemde recommendatie-brieven bevinden zich in de British Library. Daar worden echter nog twee brieven bewaard die niet in de gedrukte brieven-editie van J.A. Worp staan. In zijn brief van 23 november 1630 beschrijft Justinus hoe een ernstige verkoudheid hem nog steeds verhindert het stadhouderlijk echtpaar, en Constantijn en zijn familie, in Den Haag te bezoeken. De winter is niet geschikt voor mensen van zijn leeftijd, zo schrijft hij, maar hij hoopt toch binnen enkele dagen te kunnen komen. In de tweede onbekende brief komt Justinus terug op zijn eerdere verzoek om voorspraak voor zijn zoon. Ook vraagt hij of Constantijn kan regelen dat zijn zoon toestemming krijgt zijn vrouw te kunnen bezoeken die op sterven na dood is geweest. Daarna werd het stil. Constantijns peetvader schreef niet meer, hij overleed op 26 juni 1631.

Uit de brieven van Justinus van Nassau aan Constantijn Huygens komt duidelijk naar voren dat Justinus, zoals het een goede peetvader betaamt, oprecht interesse toonde voor Constantijn. Tegelijkertijd maakte hij, zoals velen in die tijd, grif gebruik van de cruciale positie die Constantijn als secretaris van de stadhouder innam.

In de database met de correspondentie van Constantijn Huygens bevinden zich meer dan 2.000 brieven die nog niet eerder zijn beschreven. Ook in de bundel Constantijn Huygens, Een leven in brieven staan meer brieven die nog niet eerder zijn uitgegeven.

Ineke Huysman, 11 maart 2022

Een ‘Constantijn Huygensjaar’

In 2022 staan we erbij stil dat een mijlpaal in het onderzoek naar leven en werk van Constantijn Huygens is bereikt: de voltooiing van de online database met zijn uitvoerige correspondentie. Tevens is het exact vierhonderd jaar geleden dat Constantijn door de Schots-Engelse koning Jacobus I tot ridder werd geslagen. Dit vormde de aanzet tot een lange diplomatieke carrière die hem naar vele Europese hoven zou voeren.

Wapen en motto van Constantijn Huygens van zijn Engelse ridderorde in het album amicorum van Cornelis de Glarges, KB | nationale bibliotheek, 75J 48, 80.

Om dit luister bij te zetten, organiseren de Voorburgse musea Huygens’ Hofwijck en Huygens’ Swaensteyn samen een expositie in samenwerking met Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis/NL-Lab, met onder meer projecten van de Gerrit Rietveld Academie en De Jonge Akademie in de vorm van een tentoonstelling getiteld Constantijn Huygens. Geuren en Beelden. Deze loopt t/m 4 juli 2022.

Het rijk geïllustreerde boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven met een bloemlezing van brieven uit Constantijns leven is in de boekhandel en bij Huygens’ Hofwijck verkrijgbaar.

Maurits Huygens, ‘de broer van’

Maurits Huygens (1595-1642) is de net iets oudere broer van Constantijn, ze schelen niet veel meer dan anderhalf jaar. Ze zijn niet alleen broers, maar ook vrienden voor het leven. Die innige band dateert uit hun jeugd waarin ze veel op elkaar aangewezen zijn. De broertjes Huygens gaan niet naar school, maar hun vader Christiaan (1551-1624) stelt gouverneurs aan om ze thuis te onderwijzen. Ze krijgen een brede opvoeding waarbij ze niet alleen lessen volgen in rekenen, Frans, Latijn en Grieks, maar ook praktische lessen als paardrijden, schermen, tekenen en boetseren, en natuurlijk muziek- en dansles. Maurits en Constantijn gaan beiden rechten studeren in Leiden, maar daarna scheiden hun wegen: Constantijn gaat in eerste instantie de diplomatie in en Maurits zal in 1624 zijn vader Christiaan opvolgen als secretaris bij de Raad van State.

Huwelijkspartners

In mei 1633 zal Maurits met Petronella Campe (?-1669) trouwen, met wie hij vijf kinderen krijgt. Hoe anders had het allemaal kunnen lopen als moeder Susanna Hoefnagel (1561-1633) in 1622 haar zin had gekregen. Zij probeert in dat jaar haar achternichtje Suzanna van Baerle (1599-1637) aan haar zoon Maurits te koppelen. Terwijl Constantijn op gezantschapsreis in Engeland verblijft, houden zijn zussen Geertruid (1599-1680) en Constantia (1602-1667) hem daar op de hoogte van Maurits’ vorderingen bij het ‘Apie’, zoals ze Suzanna in hun brieven noemen. Suzanna wijst Maurits echter af omdat ze aan een huwelijk nog niet toe is. Hierop dicht Constantijn plagerig een tekst op de melodie van een bestaand lied, Susanne un jour: als zij zo doorgaat, zal ze net als de Bijbelse Suzanna alleen nog maar oude mannen kunnen krijgen. Het duurt overigens nog tot 6 april 1627 tot het Constantijn zelf lukt om Suzanna van Baerle, zijn ‘Sterre’, te trouwen.

Correspondentie

Brief van Maurits Huygens aan Constantijn Huygens, 20 mei 1622, BHIC, collectie Cuypers 2241, 76; http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/151

Van de correspondentie tussen Maurits en Constantijn zijn maar 29 brieven bewaard gebleven: negen brieven van Constantijn aan Maurits, en twintig brieven van Maurits aan Constantijn. Ze dateren allemaal uit de periode 1617-1625, wat erop wijst dat er veel van hun correspondentie verloren is gegaan, hoewel ze elkaar ook vaak gesproken zullen hebben, en er dus geen noodzaak tot schrijven was. 13 brieven van Maurits worden bewaard in het Brabants Historisch Informatiecentrum in de Collectie-Cuypers (inv. nr. 2241). J.A. Worp, editeur van de oude Huygens-brieven editie, geeft in zijn annotatie aan dat deze brieven vermoedelijk verloren zijn gegaan. Hij heeft wel zeven transcripties kunnen overnemen uit De Militaire Spectator, 2e serie IV, 1852. Van het bestaan van de overige zes brieven was Worp zich niet bewust, en deze zijn nu als nieuwe brieven aan de database toegevoegd. Die brieven van Maurits aan Constantijn zijn heel onderhoudend: hij houdt Constantijn, die dan in Engeland verblijft, niet alleen op de hoogte over de actuele politieke en militaire gebeurtenissen zoals het beleg van Bergen op Zoom, maar hij vertelt ook over allerlei alledaagse zaken, zoals de logeerpartij van Suzanna van Baerle en haar zusjes bij de familie Huygens in Den Haag. De dertien ‘Brabantse’ brieven van Maurits aan Constantijn zijn in de brievendatabase gekoppeld aan een transcriptie die M. de Haas in 1929 publiceerde in de BMHG (50) 1929.

Van Constantijn aan Maurits zijn slechts acht brieven (in conceptvorm) bewaard gebleven. Er moeten er beslist meer zijn geweest, wat ook valt af te leiden uit de brieven van Maurits zelf. Zo feliciteert hij zijn broer Constantijn met de ridderorde die deze laatste op 27 oktober 1622 uit handen van de Schots-Engelse koning Jacobus I ontving op voorspraak van François van Aerssen.

Wapen en motto van Constantijn Huygens van zijn Engelse ridderorde in het album amicorum van Cornelis de Glarges, KB | nationale bibliotheek, 75J 48, 80.
Lees verder “Maurits Huygens, ‘de broer van’”

Een Leidse lobby in Den Haag

Frans van Schooten jr. vraagt Huygens’ steun om zijn vader te kunnen opvolgen als professor aan de Leidse universiteit.

Het project Huygens’ Briefwisseling Online van het Huygens ING/NL-Lab blijft nieuwe vondsten opleveren. Zo is in het Germanisches Nationalmuseum in Nürnberg, Duitsland, een brief van 13 december 1645 van Frans van Schooten jr. (1615-1660) aan Constantijn Huygens ontdekt. J.A. Worp kende de brief niet. Hij is dus niet opgenomen in zijn monumentale uitgave. Nu is een scan van dit schrijven met een transcriptie en een vertaling van het zeventiende-eeuwse Nederlands voor iedereen beschikbaar. Het is een interessante brief die duidelijk maakt dat Frans van Schooten jr. de invloed van Huygens op prins Frederik Hendrik en op de curatoren van de Leidse universiteit hoog inschatte. Hij roept Huygens’ hulp in om aan de Leidse universiteit de opvolger te kunnen worden van zijn vader Frans van Schooten sr. (1581-1645) als hoogleraar in de wiskunde. Van Schooten sr. was de drijvende kracht achter de aan de Leidse universiteit gelieerde Leidse Ingenieursschool, oftewel de ‘Duytsche Matematique’, waar hij wiskundecolleges in het Nederlands verzorgde voor een publiek van praktisch ingestelde ambachtslieden als landmeters, timmerlieden, metselaars en ingenieurs.[1] Vader Van Schooten overleed op 11 december 1645 te Leiden en terwijl die ‘nog boven de aarde staat’ richt zijn zoon zich in de nu gevonden brief tot Huygens. Jantien Dopper bespreekt in haar biografie van Frans van Schooten jr. de inhoud van deze brief, waarvan zij veronderstelde dat hij zoek was, aan de hand van een beschrijving ervan in een veilingcatalogus.[2] De brief zelf levert meer interessante informatie op.

Van Schooten jr. en Constantijn Huygens

Frans van Schooten jr, Collectie Universiteit Leiden. Wikimedia Commons

Frans van Schooten jr. en Huygens kenden elkaar. Descartes bracht ze met elkaar in contact. In de marge van een brief van 22 maart 1637 schrijft Descartes aan Huygens: ‘C’est le jeune Schooten qui vous presentera cette lettre, mais je vous prie de ne point juger de lui par sa contenance, car il vaut mieux qu’il ne paroist.’ De jonge Van Schooten schijnt nogal verlegen te zijn geweest. En dat zowel Huygens als Descartes inderdaad van mening waren dat Van Schooten jr. meer in zijn mars had dan op het eerste gezicht leek, blijkt wel uit het feit dat  – op aanraden van Huygens – Van Schooten de illustraties verzorgde in Descartes’ beroemde Discours de la Méthode (1637). Behalve wiskundige was Van Schooten jr. namelijk ook een begenadigd tekenaar. Als wiskundige heeft hij later enorm bijgedragen aan de verspreiding van Descartes’ ideeën via zijn colleges en door de vertaling in het Latijn van La Géometrie, een van de drie essays uit het Discours.[3]

In 1640 ontving Van Schooten jr. via Huygens van Frederik Hendrik een bedrag van 300 gulden voor een door hem getekende kaart van het beleg van Breda.[4] En als Huygens zijn zonen Constantijn en Christiaan in mei 1645 in Leiden laat studeren besteedt hij ze meteen ‘onder den jonghen Schooten,’ die hen de algebra van Descartes leerde, waar Christiaan in uitblonk.[5]

De lobby bij stadhouder en curatoren

Kennelijk heeft Van Schooten jr. nog vóór de nu ontdekte brief van 13 december 1645 Huygens gevraagd voor hem te bemiddelen bij Frederik Hendrik. Hij begint deze brief namelijk door erop te wijzen dat ‘ene meester Pieter Smits,[6] Frans schoolmeester alhier’ ook interesse heeft in de positie van hoogleraar wiskunde en zich ‘op dezelfde manier als ik u heb voorgesteld’ via de hovelingen Heenvliet en André Rivet en diens zoon Claude[7] bij de prins laat aanbevelen. Van Schooten hoopt dat de prins meer geloof hecht aan Huygens’ woorden en diens raad zal opvolgen. In zijn brief geeft hij en passant nog even aan dat hij betere kwaliteiten heeft dan een schoolmeester. Hij is namelijk heel zijn leven geoefend in de wiskunde en kent de praktijk van de oorlog zegt hij. Op advies van professor Golius, hoogleraar oosterse talen en wiskunde aan de Leidse universiteit en een vriend van Huygens,[8] vraagt de jonge Van Schooten of Huygens ook bij de curatoren van de Leidse universiteit die dan in Den Haag zijn, voor hem wil lobbyen. Dat zijn de heren Schaep, Van Wimmenum en Van Wevelichoven.[9] Hij vraagt Huygens met klem om als hij Van Wimmenum en Van Wevelichoven spreekt, niet te beginnen over Descartes’ Discours de la méthode. Bij anderen zou dat een aanbeveling zijn, maar bij hen niet ‘omdat ze daar niet in thuis zijn’, zegt hij. Als de pensionaris van Leiden Van Wevelichoven zich achter zijn kandidatuur stelt, zal ook de Leidse burgemeester Baersdorp wel voor hem stemmen in het college van burgemeesters en curatoren. De stemmen van Van Wevelichoven en Baersdorp zullen de doorslag geven, meent Van Schooten jr.

Een geduchte concurrent

Jan Jansz. Stampioen door Crispijn van den Queborn, 1638, Rijksmuseum

Vier dagen later, op 17 december 1645 schrijft Van Schooten Huygens opnieuw over zijn sollicitatie. Hij maakt zich zorgen over zijn kansen. In Leiden gaat het goed, schrijft hij. Pensionaris Van Wevelichhoven heeft hem inderdaad ook bij de heer Baersdorp gerecommandeerd. En hij gelooft niet dat er ‘eenighe andre van consideratie’ zijn die het professoraat ‘sijn naerstaande’. Maar in Den Haag kon het weleens fout gaan, vreest hij. De heer Van Wimmenum is namelijk Jan Jansz. Stampioen ‘seer toegedaen’.[10] Stampioen was in zijn dienst en geeft nu Willem II les. Van Wimmenum kan hem dus gemakkelijk bij Frederik Hendrik hebben aanbevolen, mogelijk al voor het overlijden van Van Schooten sr. Daarom, schrijft Van Schooten jr., zou het dienstig zijn als bekend wordt dat ik met toestemming van de heren curatoren van de universiteit al ruim tien jaar gedurende de ziekte  van mijn vader diens plaats inneem. Ik heb daar geen officiële schriftelijke benoeming van, maar de curatoren wensten wel dat ik hiervoor examen deed bij professor Golius. Als dit door goede vrienden bij Frederik Hendrik en de heer Van Wimmenum bekend gemaakt zou worden, zullen zij ‘aen niemant anders haer woort wech en geven’, stelt Van Schooten. Hij vraagt vervolgens aan Huygens of hij aan de officieren uit de garde van de prins, ’Monsieur Poulot’ en ‘Mijnheer Gleeser’, de zaak wil voorleggen. Zij zouden dan bij Zijne Hoogheid en de heer Van Wimmenum voor hem kunnen bemiddelen.[11]

Descartes

Elisabeth van de Palts, door G. van Honthorst, 1636, Koninklijke Verzamelingen.

Intussen maakt ook Descartes zich sterk voor de jonge Van Schooten. Hij stuurt Van Schooten jr. gewapend met een aanbevelingsbrief naar prinses Elisabeth van de Palts, met wie hij sinds 1643 een vriendschappelijke briefwisseling onderhoudt.[12]  Van Schooten moet haar vragen of zij zijn benoeming bij de curatoren wil bepleiten. Dat heeft zij bij hoge uitzondering uit vriendschap met Descartes ook allereerst gedaan bij de heer Van Wimmenum, schrijft zij Descartes op 27 december 1645. Van Wimmenum zegde haar toe de kandidatuur van Van Schooten te steunen, hoewel hij haar vertelde dat men van plan was de hoogleraarspositie op te heffen. Ook zouden tegenstanders Van Schooten jr. kunnen verwijten dat hij ‘de dwalingen van de arminiaanse leer’ door zijn wiskundelessen zou mengen. In haar brief aan Descartes geeft de prinses een treffende karakteristiek van de verlegen de jonge Van Schooten die in haar ogen teveel ontzag had voor de titels van mensen. Zij schrijft dat hij haar zó snel weer verliet, dat zij ‘tot aan de deur’ achter hem aan moest lopen ‘om te vragen tot wie ik mijn diensten ten behoeve van hem moest richten’.[13]

Bezwaren in Leiden

De wiskundige Jan Jansz. Stampioen was inderdaad een concurrent die door Van Wimmenum naar voren werd geschoven, zoals Van Schooten jr. in een volgende brief aan Huygens verhaalt. Op 4 februari 1646 doet hij aan Huygens verslag van de stand van zaken rond zijn sollicitatie. Men schijnt bezwaar tegen zijn godsdienstige overtuiging te hebben. Hij zou niet van de ware gereformeerde religie zijn. Van Schooten brengt daar tegenin dat tweemaal drie zes is bij iedereen van welke religie dan ook. Bovendien zegt hij dat de professor van de ‘Duytsche Matematique’ niet in de senaat van de universiteit mee vergadert en dus buiten religieuze kwesties blijft. Hij leidt alleen maar ‘kloucke ingenieurs’ voor het land op. Van Schooten doet vervolgens zijn theorie uit de doeken dat Van Wimmenum volgens hem eropuit is om op termijn de ‘Duytsche Matematique’ op te heffen en andere sollicitanten met dat verhaal afschrikt ten gunste van Stampioen die dan al examens afneemt bij de ‘Duytsche Matematique’.[14]

Dat Van Wimmenum op de hand is van Stampioen, is waarschijnlijk ook de reden dat Van Schooten jr. in de hier nu boven water gekomen brief van 13 december 1645 aan Huygens zegt dat hij liever niet heeft dat hij Descartes noemt. Juist in deze jaren maakten de ideeën van Descartes in de Leidse academische wereld opgang, zeer tegen de wil van de curatoren in.[15]

Missie geslaagd

Frans van Schooten jr. werd op 8 februari 1646 door het college van curatoren en burgemeesters van Leiden benoemd tot hoogleraar ‘Nederduyts Professor Mathesos’ in de plaats van wijlen zijn vader.[16] Hij werd buitengewoon hoogleraar tegen een salaris van 400 gulden per jaar.[17] Van Schootens lobby had succes. Met inzet van Huygens, prinses Elisabeth van de Palts en op de achtergrond de medewerking van Descartes verkozen de curatoren en burgemeesters de jonge Van Schooten. Zeer waarschijnlijk heeft ook de stadhouder, prins Frederik Hendrik, invloed gehad op de besluitvorming van de curatoren. Het is namelijk niet goed voorstelbaar dat Van Schooten jr. met Huygens overlegt over het benaderen van Frederik Hendrik via hovelingen en officieren van zijn persoonlijke garde, als zowel hij als Huygens, niet het idee hadden dat dat een kansrijke weg zou zijn.

In zijn geschiedenis van de Leidse universiteit stelt Otterspeer dat Frederik Hendrik zich niet bemoeide met benoemingen aan de Leidse universiteit. Zijn vader, Willem van Oranje, en zijn halfbroer prins Maurits deden dat wel. Ook Sluijter is deze mening toegedaan.[18] De hier uit Huygens’ briefwisseling gepresenteerde lobby doet anders vermoeden.

Huygens’ briefwisseling is een rijke bron, bijvoorbeeld voor zijn contacten met (het hof van) Frederik Hendrik en Amalia, maar ook met geleerden als Descartes. In de bundel Constantijn Huygens. Een Leven in brieven wordt aan deze en andere contacten ruim aandacht besteed.

Ad Leerintveld


[1] Jantien G. Dopper, A life of learning in Leiden. The mathematician Frans van Schooten (1615-1660). Proefschrift Universiteit Utrecht 2014. http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/288935  .

[2] Dopper, p. 38, n. 130. Op de originele brief is een knipsel geplakt uit: Catalogue d’une collection importante de lettres autographes et de documents historiques en manuscrit, formée par M. A.G. de Visser à La Haye, ou provevant de diverses successions comme de celle du Professeur F.J. Stamkart etc.. Amsterdam, Frederik Muller, 1822, p. 55, lot 377 (UB Gent, BIB.VC.1882/11/22), met dank aan Dr. Hendrik Defoort.

[3] Mathijs van Otegem, A bibliography of the Works of Descartes (1637-1704). Part I, p. 4-150, met name p. 6-7 (illustraties) en 114-138 (Latijnse edities); Zie ook de correspondentie tussen Huygens en Descartes nu beschikbaar in de database van het project Huygens’ Briefwisseling Online: https://bit.ly/3eHwlJ3; Eric Jorink, ‘Geef zicht aan de blinden’. Constantijn Huygens, René Descartes en het Boek der Natuur. Voorburg, Huygens Museum Hofwijck / Leiden, Primavera Pers, 2008, p. 30-34; Dopper, p. 26-30.

[4] Deze kaart is niet teruggevonden. Dopper, p. 29. Brief van Huygens aan Frans van Schooten sr. 31 jul 1640 Huygens’ Briefwisseling Online, 2468.

[5] Constantijn Huygens, Vervolgh van ‘tLeven mijner sonen(…), in: Arthur Eyffinger (red.), Huygens herdacht. Den Haag 1987, p. 141.

[6] Over Pieter Smits is mij niet meer bekend dan dat hij de auteur is van De Aritmetica […] verdeelt in vier delen, met eenighe tafelen van interest, die voor desen noch by niemandt uyt ghegeven en sijn. Seer nut ende bequaem voor alle liefhebberen der selven Const. Tot Leyden, Ghedruckt voor Iacob Roels, Boeckverkooper wonende over het Wees-huys Anno 1635. (Klaas Hoogendoorn, Bibliography of the Exact Sciences in the Low Countries from ca. 1470 to the golden Age (1700).  Leiden/Boston, Brill 2018, p. 824).

[7] Johan Polyander van den Kerckhove Jr. (1594-1660), Heer van Heenvliet, hoveling en diplomaat, vertrouweling van Frederik Hendrik. André Rivet (Andreas Rivetus) (1572-1651),  theoloog, hoogleraar te Leiden, opvoeder van prins Willem II. Claude Rivet, Heer van Montdevis (1603-1647), hoveling aan het hof van Frederik Hendrik.

[8] Zie: Theo Verbeek, ‘Huygens, Descartes en Golius’, in: Lise Gosseye, Frans Blom, Ad Leerintveld (eds.), Return to Sender: Constantijn Huygens as a Man of Letters. Gent 2013, p. 129-139.

[9] Gerard Schaep (1598-1666), Heer van Kortenhoef, vanaf 1641 tot zijn dood curator van de Leidse universiteit. Amelis van den Bouchorst, Heer van Wimmenum, (1613-1669), president van de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland, sinds 1643 namens de ridderschap curator van de Leidse universiteit. Joachim van Wevelichoven (ca. 1619-?), pensionaris van de stad Leiden en secretaris van de curatoren van de Leidse universiteit.

[10] Jan Jansz. Stampioen (1610-1653) wiskundige met verschillende publicaties op zijn naam (Hoogendoorn, Bibliography, p. 839-840).Hij is bekend geworden door zijn controverse met Descartes. (Dopper, p. 32, 34). Constantijn Huygens trok hem aan als huisleraar voor zijn zonen Constantijn en Christiaan. Een studieadvies van hem voor Christiaan is gepubliceerd door Ad Davidse: https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/01/005-stampioen.html

[11] ‘Pollot’ is Alphonse Pollot (ca. 1602-1668), militair in Staatse dienst, na 1642 lid van de hofhouding van Frederik Hendrik. Zie; Theo Verbeek (2015). In L. Nolan (Ed.), The Cambridge Descartes Lexicon (pp. 603-604). Cambridge: Cambridge University Press. doi:10.1017/CBO9780511894695.207. ‘Gleeser’ is George Gleser († 1652) officier in de garde van Frederik Hendrik; Dopper, p. 38.

[12] Zie: René Descartes en Elisabeth van de Palts, Briefwisseling. Met een inleiding van René Gude. Vertaald en van een nawoord voorzien door Jeanne Holierhoek. Amsterdam 2000.

[13] Dopper, p. 38-39; De citaten zijn genomen uit: René Descartes en Elisabeth van de Palts, Briefwisseling, p. 116-117.

[14] Zie het in noot 16 genoemde rekest.

[15] Dopper, p. 38: W. Otterspeer, Het bolwerk van de vrijheid. De Leidse Universiteit, 1575-1672. Amsterdam 2000, p. 373 vlgg.

[16] Dopper, 39; P.C. Molhuysen, Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche universiteit 1574-1811. Deel 2. 1610-1647. ’s-Gravenhage 1916, p. 304. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/leidsche_universiteit/#page=315&accessor=toc&source=2&view=  Bij de tekst van de benoeming staat in de notulen dat de curatoren niet ingaan op het rekest  ‘van seeckere mathematici ende landtmeters alhier’ om de ‘candidaten van die konst’ voortaan niet door ‘enen Stampioen’ maar door de ‘Professoren Matheseos’ te laten examineren. Kennelijk was de opheffing van de ‘Duytsche Matematique’ voor even van de baan.

[17] Dopper, p. 172.

[18] Otterspeer, p. 78; Dopper, p. 38-39: Ronald Sluijter, ‘Tot ciraet, vermeerderinge ende heerlyckmaeckinge der universiteyt’. Bestuur, instellingen, personeel en financiën van de Leidse universiteit, 1575-1812. Hilversum 2004, p. 53 [Proefschrift Universiteit Leiden.] https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/item%3A2880104/view