De briefwisseling van Constantijn Huygens: schrijvende zussen

Susanna Hoefnagel (1561-1633), de moeder van Constantijn, huwt in 1592 met de tien jaar oudere Christiaan Huygens sr. (1551-1624). Ze wonen in Den Haag, waar Christiaan secretaris is van de Raad van State. Uit hun huwelijk komen zes kinderen voort, twee jongens, Constantijn en zijn broer Maurits (1595-1642) en vier meisjes, Elisabeth (1598-1612), Geertruyd (1599-1680), Catharina (1601-1618) en Constantia (1602-1667). De twee jongens worden al van jongs af aan onderricht in schrijven en verschillende talen, waar hun vader kosten noch moeite voor bespaart. In zijn autobiografische Mijn jeugd (1629-1631) beschrijft Constantijn dat ze in 1603 (hij is dan zeven) beginnen met ‘de schrijfkunst en het Frans’.[2] Ook leren ze op jonge leeftijd Latijn en Grieks.[3] In 1618 leert Constantijn tenslotte nog Engels, tijdens zijn bezoek van drie maanden aan Engeland.[4] Bij de zusjes blijven de kosten en moeite voor onderwijs enigszins achter. Zij leren wel Frans, maar geen andere talen, en krijgen beduidend minder onderricht.[5]

Portret van Geertruid Huygens uit 1629, door Michiel Jansz van Mierevelt. Frans Hals Museum. Van Constantia Huygens is geen portret bekend.

Leelik schryven

Van zowel Geertruyd als Constantia zijn slechts drie brieven bewaard gebleven, alle zes geschreven in het Nederlands. Ook zijn ze alle zes afkomstig uit 1622, het jaar waarin Constantijn gedurende langere tijd Engeland bezocht. Uit de brieven blijkt dat de twee zussen zich ervan bewust waren dat hun taalgebruik was achtergebleven bij dat van hun broers. Constantia schrijft bijvoorbeeld (waarschijnlijk eind februari of begin maart) aan Constantijn: ‘Dessen brief moet je vermake overmits het blinkende sant, want me dunckt, dat daer alle dingen onder schuylle kan, als leelik schryven, qualick spellen en sulke dingen meer. Geertruyd en ik leggen hier morssen met het sant, dat de tafel blinckt, dat m’er geen oog op houwe kan.’[6] Het zand dat Constantia beschrijft werd gebruikt om de inkt te laten drogen, maar ze grapt dat het wellicht ook haar slechte schrijfstijl kan verbergen. In een andere brief, ontvangen door Constantijn op 2 mei, schrijft Constantia ‘Ick bid je, vergeeft me men leellick schrift; tis door de grootte haest’.[7] Mieke Smits-Veldt schrijft over de brieven van Constantia en Geertruyd dat zij ‘waarschijnlijk een vrijwel directe weergave van de spreektaal in Den Haag uit de vroege jaren twintig’ zijn.[8]

Lees verder “De briefwisseling van Constantijn Huygens: schrijvende zussen”

Droevige berichten

Constantijn en zijn vrouw Susanna van Baerle (1599-1637) krijgen samen vijf kinderen, vier jongens en een meisje, die (op zoon Philips na) allen nog in leven zijn als hij zijn autobiografie Mijn leven verteld aan mijn kinderen in twee boeken (1678) schrijft. Hij draagt het werk dan ook op aan zijn (mannelijke) nakomelingen.[1] Constantijn komt zelf ook uit een groot gezin met zes kinderen, twee jongens en vier meisjes. Hij schrijft in Mijn leven echter weinig over hen. Alleen zijn broer Maurits (1595-1642) komt af en toe aan bod. Het wordt hieruit dan ook helemaal niet duidelijk dat het gezin tweemaal afscheid heeft moeten nemen van een zusje. Zo overleed in 1612 Constantijns zusje Elizabeth (1598-1612) en in 1618 stierf Catharina (1601-1618). Hier rept hij totaal niet over in Mijn leven.

Adriaen Hanneman, Portret van Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, Mauritshuis Den Haag.

Elizabeth

In Constantijns andere autobiografie, Mijn jeugd (1629-1631), die gedetailleerder ingaat op zijn jonge jaren en die hij op een stuk jongere leeftijd schrijft, komt Elizabeths overlijden wel aan bod. Mogelijk herinnert hij het zich nog beter omdat het niet zo lang geleden is, of vindt hij het belangrijk om het hier wel op te nemen omdat het alleen over zijn jeugd gaat. Constantijn schrijft: ‘De maand mei, waarin vanouds de Haagse jaarmarkt, de zogenaamde kermis, gevierd werd, werd voor ons gebrandmerkt door een uiterst rampzalige familiegebeurtenis.’[2] Elizabeth, dan veertien jaar oud, overlijdt aan ‘fatale buikkrampen’. Constantijn schrijft dat het binnen een paar uur gedaan was en dat de artsen niets hadden kunnen betekenen.[3] In Vileine hippocraten schrijft Barend Haseker dat de diagnose ‘stangulatio uteri’ luidde, maar dat het waarschijnlijk is dat het om een ‘steeldraai of torsie (draaiing) van het ovarium (eierstokken) of mesenterium (buikvlies)’ ging, of mogelijk ‘een destijds nog onbekende ziekte als een appendicitis (blindedarmontsteking) […] vergezeld van een buikvliesontsteking’.[4]

Constantijn schrijft in Mijn jeugd over Elizabeth: ‘in zekere zin was zij meer dan de andere het lievelingskind geweest van haar ouders’.[5] Deze waren dan ook niet te troosten toen bleek dat zij overleden was. Constantijn vindt zelf dat zij daarbij ‘de Algoede en Allerhoogste God eigenlijk onrecht’ aandeden, omdat deze Elizabeths ziel slechts weer tot zich had genomen. Hij heeft echter ook begrip voor hun verdriet. Zo vraagt hij God om de last, mocht deze ooit ook hem ten deel vallen, draaglijk te maken en hem te leren de slagen te verduren die zijn ‘vaderhart’ nog zullen treffen.[6] Over Catharina’s overlijden, zes jaar later, schrijft Constantijn niet in Mijn jeugd. Hij beëindigt het werk voor hij bij 1618 is aangekomen. Er zijn echter wel verschillende brieven bewaard gebleven uit deze periode, die een veel persoonlijkere kant van Constantijn weergeven.

Catharina

In 1618 bevindt Constantijn zich gedurende enkele maanden in Engeland, waar hij via een brief te horen moet krijgen dat zijn zusje Catharina (1601-1618) is overleden op 17-jarige leeftijd. Over haar doodsoorzaak is niets bekend.[7] Het is echter wel duidelijk dat zij al geruime tijd ziek was. In zijn eerste brief aan zijn ouders vanuit Engeland, van 16 juni, schrijft Constantijn al dat hij graag hoort hoe het met zijn arme zusje gaat en dat hij haar met veel verdriet heeft achtergelaten: ‘Je désire grandement d’entendre comment il va de ma povre soeur Catherine que j’ay quitté avec beaucoup de regret.’ Op 22 juni schrijft Constantijn dat hij ondertussen een brief van zijn ouders heeft ontvangen die al op 11 juni is verstuurd. Hieruit blijkt dat er nog geen verbetering in Catharina’s gezondheid te melden viel: ‘Pour Catelyntgen, j’en suis tousjours en peine et ne sçay ce que la longueur du temps pourroit apporter. Je désire que ce soyent tousjours les premières nouvelles quand on me fera ce bien de m’escrire. Constantijn vraagt om op de hoogte gehouden te worden, maar Catharina is in de tussentijd al overleden, op 18 juni.[8]

Een vreemde reactie

Constantijn bevindt zich ver van zijn familie en vrienden in een vreemd land als hij uiteindelijk op 25 juni het bericht krijgt dat zijn zusje niet meer in leven is. Uit zijn brief van 26 juni is op te maken dat hij niet halsoverkop terugkomt naar de Republiek, maar zijn verdriet alleen zal moeten verwerken. Constantijn zou immers nooit op tijd terug kunnen zijn voor de begrafenis. Wanneer afgegaan wordt op de transcriptie van zijn brief, die is opgenomen in de vroeg twintigste-eeuwse editie van de brieven van Constantijn Huygens, bewerkt door J.A. Worp, lijkt het bovendien alsof Constantijn er niet teveel woorden aan vuil wil maken. De editie vermeldt slechts een kort briefje van Constantijn, waarin hij schrijft dat hij zich goed probeert te houden voor zijn omgeving en dat hij niet in Engeland in de rouw wil gaan. Dit lijkt een ietwat koele reactie, zeker gezien de bezorgdheid die blijkt uit zijn eerdere brieven aan het thuisfront. Wanneer de scan van de originele brief (te vinden in de Koninklijke Bibliotheek) erbij wordt gepakt, blijkt de situatie toch iets anders te liggen.

Nooit aan tafel een brief openen

In Constantijns originele brief is te lezen dat hij de brief van zijn ouders rond 8 uur ’s avonds tijdens het diner heeft ontvangen, en dat hij hiervan heeft geleerd nooit meer brieven te openen aan tafel: ‘Pour m’enseigner, je croy, de n’ouvrir jamais plus des lettres à table.’ Ook schrijft hij dat het nieuws hem ontzettend zwaar valt, zeker nu hij in een ‘vreemd land’ en zo ver van zijn ‘trouwe vrienden’ is, maar dat hij zichzelf probeert voor te houden dat het Gods wil is: ‘j’ay dit à par moi sa volonté soit faicte o Eternel’. Ook laat Constantijn weten dat hij wat tijd voor zichzelf heeft moeten nemen omdat hij weer hevige aanvallen van melancholie heeft gekregen: ‘Cependant Dieu sçait la résolution que j’ay prise de bon heure de faire teste aux plus violents assauts de la mélancholie à laquelle naturellement je me trouve fort enclin, quelque mine extérieure que je face devant le monde.’ Uit zijn oorspronkelijke brief blijkt dus duidelijk dat Constantijn helemaal niet koeltjes reageert op het droeve nieuws, maar dat het overlijden van Catharina hem zeer heeft geraakt.

Fragment brief Constantijn Huygens aan zijn ouders, 1 juli 1618, Koninklijke Bibliotheek, KA 49-1, 41.

Bijzonder ongepast

Toch zit de ietwat selectieve transcriptie in J.A. Worp’s editie er niet helemaal naast. Constantijn probeert zich inderdaad goed te houden tegenover zijn omgeving en wil wachten met het in de rouw gaan: ‘jusqu’à tant que je revienne au Pays Bas […] ou au moins jusqu’à sur la fin de mon partiment’. In de originele brief legt hij echter wel uit waarom hij hiervoor kiest. Hij schrijft dat hij het bijzonder ongepast (‘entièrement hors de propos’) zou vinden om in rouwkleding te paard door Engeland zou reizen. Bovendien, merkt hij op, zou hij zo de hele wereld laten weten dat hij vijftig mijlen (een mijl is een ‘klein uur gaans, rond de vier kilometer) verderop een dode zuster heeft: ‘Aussi bien qu’est-il besoin que tout le monde sçache par deça que j’ay une sœur morte à cinquante lieues d’ici.’ Uit een brief van een kleine week later, 1 juli, blijkt dat zijn nieuwe vrienden in Engeland het daarmee eens zijn: ‘Pour des habits de dueil, chascun me conseille de ne m’en donner peine tant que je seray ici, mais bien qu’au partir je me pourvoye de quelque honeste accoustrement, à quoy les estofes se trouvent icy fort propres.’ Wanneer hij vertrekt, zal Constantijn alsnog zijn rouwkleding aantrekken.

Roosje Peeters, 4 maart 2022

In de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven wordt veel aandacht besteed aan Constantijns verblijf in Engeland en ook aan zijn hechte familierelaties.


[1] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 63.

[2] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103.

[3] Ibidem.

[4] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 23.

[5] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103.

[6] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103-104.

 [7] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 23.

[8] J.A. Worp, De briefwisseling van Constantijn Huygens, Eerste deel, Rijks Geschiedkundige Publicatieën 15 (Den Haag 1911) 24.

Constantijn Huygens, codekraker (vervolg)

De onlangs hier besproken en afgebeelde brief in geheimschrift ( https://brievenconstantijnhuygens.net/2022/02/12/constantijn-huygens-codekraker-2/) was, door de ontcijfering die Huygens eronder schreef, betrekkelijk makkelijk te ‘kraken’. Voor het weergeven van letters als cijfers moet een sleutel als deze zijn gebruikt:

Op een rijtje:

A: 12, 13, 14, 15, 16,
B: 17, 18, 19
C: 20, 21, 22
D: 23,24, 25
E: 26, 27, 28, 29, 30, 31
F: 32, 33, 34, 35
G: 36, 37, 38
H: 39, 40
I: 41, 42, 43, 44
K: 45, 46, 47
L: 48, 49, 50, 51
M: 52, 53, 54
N: 55, 56, 57, 58
O: 60, 61, 62, 63
P: 64, 65, 66
Q: nvt
R: 83, 84, 85, 86, 87
S: 88, 89, 90, 91
T: 92, 93, 94
V: 99, 100, 101
X: nvt
Y: nvt
Z: nvt


In het bericht stonden ook hogere getallen. Dit waren combinaties voor veel gebruikte namen en woorden. Het kon niemand zijn ontgaan dat 509 voor (le) Prince d’Orange stond. Uit de vergelijking met de ontcijfering die Huygens onder het bericht schreef, levert dat het volgende op:

121: avoir
131: affaire
220: donne(r)
223: esperance
232: en
266: faire
316: lui
320: Etats
393: elle
396: quelque
474: l’Anglais
509: (le) Prince d’orange
578: (la) France

In het geheimschrift werden geen zogenaamde ‘nullen’ gebruikt: cijfers die geen betekenis hadden, en vaak willekeurig er tussen werden gezet, met de bedoeling om ontcijfering lastiger te maken.

Deze redelijk eenvoudige sleutel moet voor Huygens (als hij er al niet over beschikte) weinig problemen hebben opgeleverd. Als geheimschrijver had hij wel hardere noten gekraakt.

Exacte ontcijfering van het bericht:

[Prince d’Orange se donnera] le soin en cas que [la France desire

quelque chose] de nouveau en de [lui ou des mess Estat

s de tenir un peu la main] a fin que pour

facilitation des toutes choces [proposes en l’affaire du sie

ur de Goffe d’Anglois] par le moyen [du Prince d’Orange peut avoir

de faire avoir a la France c. e. Elle
] aura [a desirer du

Prince d’Orange et des Estats
] pour la mesme le donner [les Etats esperances

des celles q’ elle aura a desirer de France
]

In rood: 509 (Prince d’Orange)

Jean-Marc van Tol, 18 februari 2022

Constantijn Huygens, codekraker

Een van de vele kwaliteiten waarover Constantijn Huygens beschikte, was het maken van sleutels voor brieven in geheimschrift. Daarnaast was hij was zeer bedreven in het ontcijferen van (onderschepte) gecodeerde brieven.[1]  Voor de huidige onderzoeker is het erg fijn dat Huygens de oplossing boven de cijfers noteerde. De hierboven afgebeelde brief van Johan van Reede en onderstaande brief van Willem Boreel van 26 augustus 1644 zijn daar een voorbeeld van.

Willem Boreel aan Constantijn Huygens, 26 augustus 1644, Koninklijke Verzamelingen, Archief Constantijn Huygens, G1-8.1

Ook onderstaand briefje dat niet in de oude editie van J.A. Worp voorkomt, aangetroffen in de Koninklijke Bibliotheek, is illustratief. Huygens noteerde erop dat hij het op 9 augustus 1644  te Assenede had ontvangen. Deze keer schreef hij de oplossing niet boven de regels maar aan de onderkant van het papier. De afzender en de plaats van verzending ontbreken, maar dat spreekt eigenlijk vanzelf, het is immers een geheime boodschap.

N.N. aan Constantijn Huygens, Koninklijke Bibliotheek, 79 C 11, nr. 3

Transcriptie:

Le prince d’Orange se donne le soin, en cas que la France désire quelque chose de nouveau ou de luy ou de messieurs les Estats, de tenir un peu la main, afin que pour facilitation de toutes choses proposées en l’affaires du Sr Goff, l’Anglois par le moyen du prince d’Orange puisse avoir celuy de faire avoir à la France ce qu’elle aura à désirer du prince d’Orange et des Estats pour par le mesme se donner les espérances de celles qu’elle aura à désirer de la France.

Wat speelde er? Stephen Goffe, die in de brief wordt genoemd, was kapelaan en agent van de Engelse koning Karel I, die op dat moment in een burgeroorlog was verwikkeld met de troepen van het Parlement. In juli 1644 had zijn echtgenote Henriette Maria halsoverkop met haar zoons naar Frankrijk moeten vluchten. Tussen de bedrijven door onderhandelde de Engelse koning met Frederik Hendrik over een mogelijk huwelijk tussen zijn oudste zoon Karel, de prins van Wales, en stadhoudersdochter Louise Henriette. De koning wilde gelijktijdig een politiek verbond met de Republiek sluiten, bij voorkeur ook met Frankrijk. Daarbij was het de bedoeling dat de Republiek schepen ter beschikking zou stellen om Franse troepen naar Engeland te vervoeren.[2] Goffe was daarvoor als bemiddelaar aangewezen.

Dit ontcijferde briefje wekt de indruk dat Frederik Hendrik bereid was zich in te willen inspannen om alle partijen op één lijn te krijgen. Van dat verbond kwam overigens niets terecht en ook de onderhandelingen over een tweede huwelijk tussen Oranje en Stuart werden in april 1646 definitief afgebroken. Resteert de vraag van wie het briefje zou kunnen zijn. Huygens ontving het in het legerkamp bij Assenede, in Oost-Vlaanderen, waar hij met Frederik Hendrik en zijn troepen verbleef. Mogelijk is het informatie die Huygens werd toegespeeld door iemand met goede connecties zowel bij de Staten-Generaal als aan het Haagse hof.

Dan nog de ontcijfering. Huygens moet over de sleutel hebben beschikt. Het lijkt erop dat deze gebaseerd was op een lijst van letters corresponderend met nummers die wisselden als de sleutel veranderde. Voor belangrijke personen en namen waren dan speciale nummers gereserveerd. Dankzij Huygens’ ontcijfering weten we in ieder geval dat nummer 509 de geheime code voor de prins van Oranje was.

Ineke Huysman, 12 februari 2022

In de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven wordt veel aandacht besteed aan de functie van Constantijn Huygens in dienst van de Oranjes.


[1] Zie S. Groenveld, ‘”Chijffre pour la communication avec Mr. Jermijn, de l’année 1647″. Geheimschriftsleutels als bron voor netwerkreconstructies rond prins Willem II’ in: Jaarboek Oranje-Nassau 2009-2010 (Rotterdam, Gronsveld 2010), 54-78; S. Groenveld, ‘Frederik Hendrik en Antwerpen in 1646’ in: Een vorstelijk archivaris. Opstellen voor Bernard Woelderink (Zwolle 2003), 134-139.

[2] P. Geyl, Oranje en Stuart (Arnhem 1963), 35-36.

De commandeur van Buren

Op 29 januari 1638 ontvangt Constantijn Huygens uit Parijs een noodkreet van de 14-jarige commandeur van Buren over zijn lievelingsleraar: ‘Neem hem niet van me af, ik hou van hem, wat heeft het voor zin hem te ontslaan zo vlak voor mijn vertrek!’

Frederik van Nassau-Zuylestein komt in 1624 ter wereld als buitenechtelijk kind van Frederik Hendrik van Oranje-Nassau, verwekt bij Margaretha Catharina Bruyns. Voordat jonker Frederik in 1640 door zijn vader wordt beleend met Kasteel Zuylestein voert hij de titel ‘commandeur van Buren’. Zijn opvoeding staat onder toezicht van Constantijn Huygens, secretaris van de stadhouder, en door diens toedoen wordt Frederik op tienjarige leeftijd naar Parijs gestuurd om daar onder meer Frans, Latijn, paardrijden, schermen en de kneepjes van het militaire vak te leren. Jonker Frederik stuurt Huygens brieven uit Parijs – er zijn 26 brieven uit deze correspondentie bewaard gebleven – waarin hij zich vaak beklaagt: Parijs bevalt hem niet, het is er vies en hij heeft permanent geldgebrek. Geregeld verzoekt hij Huygens zijn opleiding te mogen staken, het duurt hem te lang, de studie valt hem zwaar; zelfs na een verblijf van drie jaar heeft hij er niet veel van opgestoken, zo zegt hij zelf. Ook staat Huygens in nauw contact met Frederiks Parijse leermeesters en houdt hij de stadhouder op de hoogte over de vorderingen van zijn bastaardzoon.

Gezicht op de Seine met het Louvre te Parijs, door Jacques Callot 1630, Rijksmuseum Amsterdam

Een van deze leermeesters is Pierre van Chalas, over wie Huygens de wanhopige smeekbede ontvangt. Eerder heeft hij deze Chalas al eens vermanend geschreven dat hij meer aandacht moet besteden aan de geestelijke opvoeding van zijn pupil en minder aan de lichamelijke. Daarnaast dient hij ook beter op de uitgaven te letten. Huygens ontvangt negatieve berichten over Chalas: ‘zijn dwalingen zouden hem eerder van de wal in de sloot brengen dan hem wijzer maken’. Chalas zelf beklaagt zich bij Huygens dat hij ten onrechte is belasterd, waarop Huygens hem antwoordt dat er geen sterker weerwoord tegen laster is dan het te ontkennen. Uit Frederiks bovengenoemde brief valt op te maken dat Chalas de wacht is aangezegd als gevolg van lasterpraatjes uit Holland. Hij vindt dat zeer onterecht, Chalas is de beste leraar die je je maar kunt wensen. Ook de gezanten in Parijs hebben hem te kennen gegeven voor deze honnête homme in te willen staan. Bovendien heeft het weinig zin, zo kort voor Frederiks op handen zijnde vertrek, nog iemand anders aan te stellen. Zijn smeekbede heeft succes en Chalas krijgt de kans zijn verdediging puntsgewijs op papier te zetten. Helaas is die niet bewaard gebleven, we zullen dus nooit precies weten waarvan hij is beschuldigd.

Twee maanden later dankt Frederik voor de ‘bevrijding’ uit zijn opleiding en hij belooft Huygens’ groeten over te brengen aan de Franse koning, diens broer en Richelieu. Hij vertrekt – met Chalas – naar Italië, waarna hij nog naar Orange en La Rochelle reist, vermoedelijk als onderdeel van een kleine grand tour. Teruggekomen in Parijs, vlak voor zijn definitieve terugkeer naar de Republiek, schrijft hij begin januari 1639 Huygens nog één keer: diens inspanningen hebben zijn jarenlange verblijf in Parijs dragelijk gemaakt, maar hij kan niet wachten om de stad te verlaten.

Frederik van Nassau-Zuylestein, naar Jan de Baen, door Jean-Marc van Tol, 2022

Hierna eindigt Huygens’ bemoeienis met zijn pupil. Twintig jaar later zal Frederik van Nassau-Zuylestein door tussenkomst van Huygens ook een beschermeling krijgen: zijn neefje, de jonge Willem III, prins van Oranje. Navrant is dat Zuylestein deze keer zelf het onderwerp van een smeekbede is om aan te mogen blijven. Tot groot verdriet van Willem III ontdoet raadpensionaris Johan de Witt in april 1666 de entourage van de jonge prins van ongewenste Engelse invloeden en laat Zuylestein, ook nog eens getrouwd met een Engelse, vervangen. Willem III wordt ‘Kind van Staat’. Met tranen in de ogen wendt Willem zich tevergeefs tot de Franse gezant Godefroi d’Estrades om zijn invloed te gebruiken dit besluit te voorkomen.

Willem III van Oranje-Nassau, door Abraham Raguineau, 1660-1666, OS-I-195 (schilderij), Kunstwerken uit het Frans Hals Museum, Haarlem. Geheugen van Nederland

Het zal Zuylestein niet lekker hebben gezeten en hij zal het De Witt beslist hebben nagedragen. Bij de moord op de gebroeders De Witt is zijn rol dan ook op zijn minst verdacht. Zuylestein sneuvelt op 12 oktober 1672 bij de Franse aanval op de schans Kruipin bij Woerden.

In de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven wordt veel aandacht besteed aan Huygens’ relatie met de (Oranje-)Nassaus. In de bloemlezing Johan de Witt en het Rampjaar is een brief van Zuylestein aan De Witt opgenomen.

Ineke Huysman, 29 januari 2022

Italiaanse les

‘Eindelijk heb ik de moed genomen om u deze paar regels te sturen, de eerste die ik ooit in het Italiaans heb geschreven’: aldus de 18-jarige Constantijn Huygens in zijn (tot nu toe onbekende) eerste Italiaanse brief, gericht aan zijn leraar Giovanni Francesco Biondi.

Sir Giovanni Francesco Biondi (1572–1644), Wikimedia Commons.

Giovanni Francesco Biondi (Lessina [nu Hvar, Kroatië] 1572-1644), een protestantse Italiaan, was in 1609 gezant voor Savoye bij de koning van Engeland geworden en bleef daarna in Londen wonen. Hij verwierf tevens bekendheid als schrijver van historische en literaire werken. En Biondi maakte muziek. In 1618, toen Constantijn zijn eerste reis naar Londen maakte, bezocht hij daar het collegium musicum ten huize van Biondi. Constantijn schreef daarover aan zijn ouders [vertaling en transcriptie door Rudolf Rasch]:

Bij de heer Biondi is er een collegium musicum, allemaal Italianen, deugdzame en vriendelijke mensen. Daar gaan we tweemaal per week heen. Anderen hebben mij beloofd mij het ensemble van de koningin [Anna van Denemarken] te laten horen, allemaal Fransen, met bewonderenswaardige stemmen. [U begrijpt] dat ik me hier als een vis in het water voel.

Maar eerder had Constantijn dus al in Den Haag Italiaanse les gevolgd bij Biondi, die in het gezantschap van zijn beschermheer sir Henry Wotton (1603-1639) van 1614 -1615 in de Republiek der Verenigde Nederlandsen verbleef. Huygens noteerde in zijn dagboek dat hij met zijn Italiaanse lessen in februari 1615 begonnen was, eerst bij Biondi en daarna bij Willem van Lyere (1588-1649), heer van Oosterwijk en vanaf 1627 ambassadeur in Venetië. In zijn brief van 26 februari 1615 aan Biondi demonstreert Constantijn in mooi schoonschrift zijn kunnen: [vertaling en transcriptie door Ingeborg van Vugt]:

Ik vertrouw volledig, mijn zeer illustere heer, op de beloften die u een tijdje geleden heeft gedaan, met het vriendelijke aanbod om de Italiaanse taal te onderwijzen, en ik ben er zeker van dat, zo gul als u het heeft aangeboden, zo oprecht heeft u uw genegenheid getoond. Eindelijk heb ik de moed genomen om u deze paar regels te sturen, de eerste die ik ooit in het Italiaans heb geschreven. Voor die tijd heb ik geoefend in het lezen van enkele goede schrijvers. Er is dus geen twijfel over mogelijk dat mijn eerste experiment niet zonder verscheidene fouten is verlopen. Ik verzoek u een helpende hand te bieden op deze rommelige tekst en me deze terug te sturen in de manier waarop het had moeten zijn om waardig te zijn aan uw geleerd oor. Aan uw goede wil beveel ik mij nederig.
Op 26 februari 1615
Van uw meest toegewijde dienaar,
Constantijn Huygens

In het Italiaans zou Huygens niet veel corresponderen. In totaal zijn er 96 brieven in die taal bewaard gebleven, 22 van zijn hand en 74 aan hem gericht.

Ineke Huysman, 5 december 2021