Blogs

Uitgelicht

Digitale tentoonstelling: Constantijn Huygens. Een leven in brieven

Van de objecten en de brieven in het boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven is een digitale tentoonstelling gemaakt. Dat wil zeggen dat alle 36 in de bundel besproken brieven van en aan Constantijn Huygens met bijbehorende schilderijen en objecten in een virtuele museumtour te bezichtigen zijn. De illustraties worden schriftelijk toegelicht en de brieven zijn hertaald en ingesproken.

De brieven zijn raadpleegbaar als 36 afzonderlijke ‘collecties’ waarbij telkens een toelichting op de brief en de bijbehorende objecten wordt gegeven. Ook zijn die objecten afzonderlijk te bekijken, maar dan mist de lezer wel de toelichting op het geheel.

Hoewel deze digitale expositie het boek met zijn objecten op een interactieve manier tot leven brengt, blijft het aanbevolen om het fysieke boek erbij te pakken voor een diepgaandere toelichting op de brieven zelf.

Colofon

Samenstellers digitale tentoonstelling: Geeske Bisschop, Ineke Huysman en Ad Leerintveld. De teksten zijn ingesproken door Ineke Huysman en Ad Leerintveld.

Teksten hertalingen: Nadine Akkerman, Pieta van Beek, Geeske Bisschop, Frans Blom, Erik-Jan Bos, Inge Broekman, Robin Buning, Stan Bussen, Quentin Buvelot, Lieke van Deinsen, Timothy De Paepe, Maurits Ebben, Ed de Heer, Ineke Huysman, Anne Jacobs, Eric Jorink, Eric Ketelaar, Luuc Kooijmans, Johan Koppenol, Margriet Lacy, Ad Leerintveld, Krista van Loon, Tineke ter Meer, Henk Nellen, Koen Ottenheym, Luc Panhuysen, Roosje Peeters, Peter van der Ploeg, Dries Raeymakers, Rudolf Rasch, Ton van Strien, Gillis Tak Labrijn, Jean-Marc van Tol,  Katlijne Van der Stighelen, Jeroen Vandommele, Lea van der Vinde.

Uitgelicht

Terugblik congres Constantijn Huygens. Een leven in brieven

Op vrijdag 2 december 2022 vond in de Aula van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag een congres plaats ter gelegenheid van de voltooiing van het project Huygens’ Briefwisseling Online (resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens), georganiseerd door Huygens Instituut, NL-Lab, KB | nationale bibliotheek van Nederland en Vrienden van de KB.

Thema’s waren: muziek, kunst, architectuur, politiek, wetenschap, parfum, nieuwe brieven en ontdekkingen. Met mooie verhalen over deze onderwerpen uit de briefwisseling van Constantijn Huygens, verteld door gerenommeerde sprekers, kwamen hij en zijn tijdgenoten met behulp van beeld, geluid én geur tot leven op het congres ‘Constantijn Huygens. Een leven in brieven’.

Van deze dag zijn een fotoreportage en video-opnames (een speciaal kanaal op Youtube) gemaakt: een compilatie en van iedere afzonderlijke lezing ook een volledige weergave (hieronder per lezing aan te klikken).

Programma

10.00-10.15 uur: Inleiding: Jeroen Vandommele en Lieke van Deinsen (dagvoorzitter)

10.15-11.15 uur: Huygens digitaal

  • Ineke Huysman en Ad Leerintveld, ‘Terug naar de bronnen’. Ineke Huysman presenteert het project Huygens’ Briefwisseling Online. Ze geeft een overzicht van de opzet, de inhoud en de mogelijkheden die het project biedt aan onderzoekers. Ad Leerintveld toont enkele voorbeelden van de winst van het project: meer informatie doordat de brieven volledig worden gepresenteerd en door de toevoeging van nieuw ontdekte brieven.
  • Dirk van Miert, ‘Constantijn Huygens’ briefwisseling in Nederlandse collecties: een digitaal netwerkperspectief’. Wat kunnen we eigenlijk zeggen over de omvang en de reikwijdte van Constantijn Huygens’ correspondentie in relatie tot andere briefschrijvers uit zijn netwerk? We gaan op zoek naar het antwoord via de big data die we hebben verzameld over de netwerken van zijn tijdgenoten uit de Nederlandse Republiek.
  • Miranda Lewis, ‘Over the North Sea: Constantijn Huygens’s English contacts in Early Modern Letters Online’. The catalogue of Constantijn Huygens’s correspondence in Early Modern Letters Online provides the foundation for a cluster of ‘starter catalogues’ that will expand the ‘circles’ of his correspondents. 

11.45-12.45 uur: Nieuw onderzoek rondom Huygens

  • Jean-Marc van Tol, ‘De rollen omgedraaid? De relatie tussen Constantijn Huygens en Johan de Witt’. Constantijn Huygens en Johan de Witt waren in veel opzichten elkaars tegenpolen. Onlangs doken twee brieven van Huygens aan de raadpensionaris op die inzicht geven in de manier waarop zij zich tot elkaar verhielden.
  • Geeske Bisschop, ‘Dat hi in d’crijch moet leeven en sterven’. Militaire patronage in de correspondentie van Constantijn Huygens’. Constantijn Huygens ontving als secretaris van de stadhouder honderden brieven met militaire verzoeken. Deze brieven geven inzicht in hoe de informele kant van militaire patronage werkte en welke strategieën militairen gebruikten om voorspraak te verkrijgen.
  • Willemijn van Noord, ‘Prinses Mary, Constantijn Huygens en het Chinese lakscherm’. Twee jaar voor zijn dood schreef Huygens een brief aan Prinses Mary II Stuart (1662-1694), waarin hij beweerde een belangrijke boodschap van het Chinese volk voor haar te hebben. Recent onderzoek werpt nieuw licht op Huygens’ listige poging om Mary’s Chinese lakscherm te onderzoeken en te behouden.​

13.45-14.45 uur: Huygens en wetenschap

  • Erik-Jan Bos, ‘Wetenschap in de schaduw van wapens: Huygens als beschermheer van René Descartes’. Uit de briefwisseling die Huygens voerde met Descartes, en over Descartes, blijkt een grote en voortdurende belangstelling van de eerste secretaris van de Stadhouder voor de Franse wijsgeer en wetenschapper. Deze lezing belicht op welke manieren Huygens Descartes stimuleerde en beschermde, en hoe de filosoof hem wederdiensten bewees.
  • Dirk van Delft, ‘Hoe Constantijn Huygens Antoni van Leeuwenhoek vooruit hielp’. Antoni van Leeuwenhoeks microscopische waarnemingen hadden de warme belangstelling van Constantijn Huygens. Deze liefhebber van natuuronderzoek deed een goed woordje voor de ‘ongeletterde persoon’ uit Delft bij de Royal Society.
  • Ineke Huysman, ‘Constantijn Huygens: amateur-parfumeur’. Dat de veelzijdige Constantijn Huygens zich ook bezighield met parfumerie is vrijwel onbekend. Toch heeft hij meer dan 150 recepten nagelaten, die hij uitwisselde met zijn correspondenten. Een van die recepten, getiteld ‘Rieckend water voor mijn moeder’, is gereconstrueerd en opnieuw te ruiken.

15.15-16.15 uur: Huygens en cultuur

  • Frans Blom, `Bouwen aan een beter Den Haag. Huygens’ architectuur in steen en op papier’. De voordracht belicht de rol van Constantijn Huygens in de ontwikkeling van de Haagse en Nederlandse architectuur. We kijken naar zijn bouwprojecten in en rond Den Haag, en naar het gesprek over de nieuwe architectuur in gedichten en brieven.
  • Timothy De Paepe, ‘Een vriend bij vreugde, een medicijn bij verdriet’. Huygens muzikale correspondentie met de familie Duarte’. Constantijn Huygens onderhield decennialang een hartelijke correspondentie met de Antwerpse juweliersfamilie Duarte. Muziek speelde daarin een centrale rol. De overgeleverde brieven vormen samen een uniek venster op het rijke (muziek)leven van beide families, hun vriendennetwerk en de rol die muziek daarin speelde.

Sprekers

Geeske Bisschop MA werkte als medewerker digitalisering mee aan het project Huygens’ Brieven Online. Daarnaast volgde ze de onderzoekmaster ‘Europe 1000-1800’ aan de Universiteit Leiden en de master Publieksgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Voor haar afstudeerscriptie in Leiden deed ze onderzoek naar militaire patronage in de correspondentie van Constantijn Huygens. Nu werkt ze bij het archief van de Koninklijke Verzamelingen.

Dr. Frans Blom is expert op het gebied van Nederlandse en Neolatijnse literatuur van de vroegmoderne tijd. Werkend aan de Universiteit van Amsterdam bestudeert hij Amsterdam als creatieve stad in zijn Europese context, met een focus op het Grand Theatre of de Schouwburg. Naast zijn proefschrift over Constantijn Huygens (2003) heeft hij ook veel van zijn werken en dagen gewijd aan deze sleutelfiguur in de Nederlandse cultuurgeschiedenis.

Dr. Erik-Jan Bos Erik-Jan Bos (Erasmus Universteit Rotterdam) is een specialist van het leven en werk van Descartes, en het Nederlands cartesianisme. Hij is hoofdredacteur van de nieuwe Oxford U.P. uitgave van de briefwisseling van Descartes. Tijdens zijn onderzoek vond hij verschillende onbekende brieven van Descartes, en recentelijk een onbekend manuscript van Descartes’ Traité de l’homme in Leiden.

Dr. Lieke van Deinsen is als docent en onderzoeker verbonden aan de KU Leuven en als gastonderzoeker aan het KNAW NL-Lab-team. Haar onderzoek richt zich op processen van canonvorming, vrouwelijk schrijverschap en de wisselwerking tussen materiële en tekstuele cultuur in de vroegmoderne tijd. Ze is ook verantwoordelijk voor de recente canonenquête waarin Huygens en zijn werk – tot haar verdriet – dramatisch duikelden.

Prof. dr. Dirk van Delft is oud-directeur van Rijksmuseum Boerhaave en emeritus bijzonder hoogleraar ‘Erfgoed van de natuurwetenschappen’ aan de Universiteit Leiden. Hij schreef biografieën van Heike Kamerlingh Onnes, Hendrik Lorentz (met Frits Berends), Henk van de Hulst en Antoni van Leeuwenhoek. Een biografie van Martinus Veltman (Nobelprijs Natuurkunde 1999) is in voorbereiding.

Dr. Timothy De Paepe is directeur van Museum Vleeshuis | Klank van de Stad in Antwerpen. Hij studeerde Letterkunde aan de Universiteit Antwerpen en Cultuurmanagement aan de Universiteit Antwerpen Management School (UAMS). In 2011 promoveerde hij op een proefschrift over theater en opera in Antwerpen in de zeventiende en achttiende eeuw.

Dr. Ineke Huysman is als senior-onderzoeker verbonden aan het Huygens Instituut waar zij valt onder de afdeling NL-Lab. Zij is o.a. projectleider van het Huygens Brievenproject en gespecialiseerd in vroegmoderne correspondenties. Samen met leden van De Jonge Akademie en Parijse parfumeurs heeft zij onlangs in het project ‘Geheugen van Geur’ een parfumrecept van Constantijn Huygens nagemaakt, getiteld ‘Rieckend water voor mijn moeder’.

Dr. Ad Leerintveld is na zijn pensionering als conservator bij de Koninklijke Bibliotheek part time gastonderzoeker geworden bij het Huygens Instituut voor het Huygens brievenproject. Hij is literatuurhistoricus en publiceert regelmatig over Constantijn Huygens.

Dr. Miranda Lewis is the Editor of Early Modern Letters Online [EMLO], the union catalogue of early modern correspondence created by the Cultures of Knowledge project at the University of Oxford.

Dr. Dirk van Miert is directeur van het Huygens Instituut en universitair hoofddocent vroegmoderne cultuurgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Hij leidt daar het Europese onderzoeksproject SKILLNET, dat gaat over de vroegmoderne wereld van geleerden, die we kennen als de ‘Republiek der Letteren’.

Willemijn van Noord MA is conservator China bij het Nationaal Museum van Wereldculturen (waar Museum Volkenkunde Leiden en Tropenmuseum Amsterdam deel van uitmaken) en Wereldmuseum Rotterdam. Daarnaast werkt ze aan de afronding van haar proefschrift Materialising China: material culture and perceptions of China in the late seventeenth-century Dutch Republic aan de Universiteit van Amsterdam.

Drs. Jean-Marc van Tol studeerde historische letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Behalve tekenaar van Fokke & Sukke is hij ook de auteur van een trilogie rond Johan de Witt, waarvan het eerste deel Musch in 2018 verscheen. Hij legt nu de laatste hand aan deel twee, Buat. Bij zijn uitgeverij Catullus verscheen onlangs de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven (2022).

Dr. Jeroen Vandommele studeerde geschiedenis in Brussel en promoveerde in Groningen op rederijkerscultuur in de zestiende eeuw. Na enkele jaren te hebben gewerkt als docent aan de Universiteit Utrecht bij de studie Nederlandse Taal en Cultuur, werkt hij sinds 2017 als conservator van de namiddeleeuwse en moderne handschriften bij de KB.

Tijdens het congres waren te koop:

Een bloemlezing met 38 hertaalde brieven van en aan Constantijn Huygens uitgegeven ter gelegenheid van de voltooiing van het project met dezelfde titel: Constantijn Huygens. Een leven in brieven. Enkele auteurs van deze bundel gaven op 2 december een lezing.

Een geurkaars ontwikkeld ter gelegenheid van het project Geheugen van Geur, gebaseerd op Huygens’ parfum ’rieckend water van mijn moeder’, naar zijn eigen recept.

Constantijn Huygens, Béatrix de Cusance, Johannes Uyttenbogaert en Amalia von Solms.
Uitgelicht

Constantijn Huygens, Een leven in brieven

V.l.n.r. Constantijn Huygens, Béatrix de Cusance, Johannes Uytenbogaert en Amalia von Solms

Ter gelegenheid van de voltooiing van de digitale editie van de briefwisseling van Constantijn Huygens verscheen op 2 april 2022 een rijk geïllustreerd boek met een selectie van 36 brieven van en aan Constantijn Huygens. Elke brief is door een deskundige vertaald in hedendaags Nederlands en van een inleiding voorzien.

Huygens’ veelzijdigheid komt in de bloemlezing goed tot zijn recht: we zien hem onder meer actief als kunstkenner, musicus, architect, dichter, diplomaat, vriend en familieman.

Een voorproefje uit de bundel:

Constantijn Huygens had een wel heel intieme vriendschap met de hertogin van Lotharingen, Béatrix de Cusance, die levensgroot werd geportretteerd door Anton van Dijck. Haar uitvoerige correspondentie met Huygens handelt over van alles en nog wat, maar vooral over muziek. Eén brief daaruit is geselecteerd voor de bundel. In haar hanenpoten-achtige handschrift verklaart ze Constantijn haar liefde tot de dood voor de muziek. En ze stuurt hem een gouden stemsleutel waarmee ze hem tot ridder van haar Orde van de Klavecimbelhamer benoemt.

Kijk hier voor de brochure met meer informatie over het boek. Ook is er een inkijkexemplaar beschikbaar. De bundel is via de reguliere boekhandel te verkrijgen.

De Universiteitsbibliotheek Leiden besteedt in deze video onder andere aandacht aandacht aan de correspondentie van Constantijn Huygens die daar wordt bewaard.

Op 2 december 2022 vond een congres plaats geheel gewijd aan Huygens’ briefwisseling: een terugblik.

Van Dyck tussen Genua en Rijswijk

Op 26 juni 1638 schreef Constantijn Huygens vanuit Noordgeest (bij Bergen op Zoom) een brief vol militair nieuws aan Amalia van Solms, de echtgenote van zijn werkgever, stadhouder Frederik Hendrik. Die brief sluit verrassend goed aan bij de tentoonstelling Van Dyck, the European in Genua. Huygens berichtte over gevangenen, losgeld, Spaanse officieren, nieuws uit Frankrijk en de nasleep van een mislukte veldtocht in het Waasland.

Fragment brief Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, 26 juni 1638, KV, Archief Amalia van Solms, A14a-XIII-18c-1

Maar tussen al dat oorlogsnieuws door maakte hij ineens een overgang naar iets heel anders. De dag daarvoor, zo schreef hij, was ‘Monsieur Goringh’ aangekomen. Het ging hier om Lord Goring. Deze had portretten bij zich van Karel I en Henriëtta Maria, de koning en koningin van Engeland, geschilderd door Anthony Van Dyck. Huygens liet Amalia weten dat Frederik Hendrik de schilderijen had gezien en goedgekeurd. Zelf was hij diep onder de indruk. Hij schreef dat hij zelden een werk van Van Dyck van deze kwaliteit had gezien. Vooral de weergave van de kleding bewonderde hij. De stoffen leken bijna tastbaar. Ook de sieraden van de koningin vielen hem op, net als haar nauwelijks bedekte hals en boezem.

Dat detail is interessant omdat Huygens hier niet alleen schrijft als secretaris van Frederik Hendrik, maar ook als kunstkenner. Hij kende Van Dyck bovendien persoonlijk. Op 28 januari 1632 had hij zelf voor hem geposeerd. Een geschilderd portret van Huygens door Van Dyck is niet bewaard gebleven, maar Paulus Pontius maakte wel een kopergravure naar het prototype, die werd opgenomen in Van Dycks Iconographie. Huygens wist dus heel goed wie Van Dyck was en wat zijn werk bijzonder maakte.

Portret van Constantijn Huygens, Paulus Pontius naar Anthony Van Dyck, 1632, Rijksmuseum Amsterdam.

Voor Amalia was vooral van belang dat Frederik Hendrik de portretten had goedgekeurd en dat ze zo snel mogelijk naar Huis ter Nieuburch in Rijswijk moesten worden gebracht. Dat de schilderijen juist in Rijswijk terechtkwamen, is veelzeggend. Huis ter Nieuburch was tussen 1630 en 1634 gebouwd als representatief paleis van Frederik Hendrik en Amalia van Solms. Daar functioneerden de verzamelde portretten niet alleen als versiering. Ze lieten zien met wie de Oranjes verbonden waren. Een vorstengalerij maakte familiebanden, diplomatieke relaties en politieke ambities zichtbaar.

De keuze voor portretten van Karel I en Henriëtta Maria lag voor de hand. De banden tussen de Oranjes en de Stuarts waren nauw. Amalia van Solms had een bijzondere band met Elizabeth Stuart, de zus van Karel I en de echtgenote van Frederik V van de Palts, bij wie ze voor haar huwelijk met Frederik Hendrik als hofdame in dienst was geweest. Enkele jaren later werden de relaties nog sterker bezegeld door het huwelijk van Willem II, de zoon van Frederik Hendrik en Amalia, met Maria Henrietta Stuart, de dochter van Karel I en Henriëtta Maria. Dat huwelijk vond plaats op 2 mei 1641.

In de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven is het verhaal van deze portretten uitgewerkt door Katlijne Van der Stighelen, een van de grote Van Dyck-experts en samen met Anna Orlando curator van de tentoonstelling Van Dyck, the European in het Palazzo Ducale in Genua. In haar artikel in de bundel laat ze zien dat de schilderijen die Huygens in 1638 in Noordgeest zag, kunnen worden geïdentificeerd met de levensgrote pendanten van Karel I en Henriëtta Maria die nu op Schloss Oranienburg worden bewaard. Op de tentoonstelling in Genua zijn deze twee portretten niet te zien, maar wel een ander portret van het Engelse koningspaar.

Van Dyck, the European

Van Dyck, the European is een indrukwekkende tentoonstelling. Dat begint al bij de locatie. Het Palazzo Ducale is op zichzelf al een bezoek waard: groots, chic en ruim, zonder dat de schilderijen daardoor verdwijnen. Integendeel, de zalen geven de werken precies de ruimte die ze nodig hebben. De tentoonstelling begint met een overzichtelijke tijdlijn van Van Dycks leven en loopbaan. Meteen daarna zie je hoe vroeg zijn talent zichtbaar was, onder meer in een prachtig zelfportret dat hij al als tiener schilderde.

Zelfportret, Anthony Van Dyck, ca. 1616-1617, Rubenshuis, Antwerpen.

De tentoonstelling is overzichtelijk opgebouwd rond verschillende thema’s, periodes en locaties uit Van Dycks loopbaan: Vlaanderen, Genua en Engeland, maar ook familie, religie, hofcultuur, vrouwenportretten en internationale representatie. Wat goed zichtbaar wordt, is hoe Europees Van Dyck werkelijk was. Zijn basis lag in Vlaanderen, waar hij al jong naam maakte in de omgeving van Rubens en zich ontwikkelde tot een uitzonderlijk begaafde schilder van portretten en religieuze voorstellingen. Dat vroege zelfportret laat meteen zien hoe zelfbewust hij toen al was. In Genua gaf hij de aristocratie vervolgens een vorstelijke uitstraling, met lange figuren, zwierige gewaden, trappen, zuilen en gordijnen. In Engeland werd hij de schilder van Karel I, Henriëtta Maria en hun hof. Daar ontwikkelde hij een beeldtaal die tot ver buiten Engeland herkenbaar bleef. 

De tentoonstelling bevat prachtige werken, ook uit particuliere collecties, en daardoor zie je schilderijen die je niet snel elders tegenkomt. Er zijn grote portretten, religieuze schilderijen, studies, familieportretten en een paar echte verrassingen. Een van de meest ontroerende werken vond ik het kleine portret van de prinsessen Elizabeth en Anne, dochters van Karel I en Henriëtta Maria. Het gaat om een olieverfschets uit 1637, gemaakt ter voorbereiding op het grote groepsportret van de vijf oudste kinderen van het Engelse koningspaar. Op de oude inscriptie wordt het jongste kind ten onrechte aangeduid als Henry, Duke of Gloucester. In de tentoonstelling is dit rechtgezet: het gaat om Anne, de jongste dochter van Karel I en Henriëtta Maria. Anne stierf al in 1640. Ook Elizabeth werd niet oud: zij stierf in 1650, veertien jaar oud, in Carisbrooke Castle op het Isle of Wight, waar ze gevangen werd gehouden na de executie van haar vader. Juist doordat het zo klein is, komt dat portret dichtbij.  Elizabeth draagt een parelketting, waardoor je meteen ziet in welke wereld ze thuishoort. Tegelijk blijven het kinderen. Van Dyck kon pracht en status schilderen, maar ook kwetsbaarheid. Dat maakt dit werk zo ontroerend.

Elizabeth en Anne, dochters van Karel I and Henrietta Maria, Anthony Van Dyck, 1637, National Gallery of Scotland.

Ook de vrouwenportretten behoren tot de mooiste onderdelen van de tentoonstelling. Van Dyck schilderde vrouwen niet als bijfiguren in een mannelijk hofverhaal, maar als dragers van status, smaak en karakter. Dat zie je in de portretten van de adellijke vrouwen, maar ook in de werken waarin zijn eigen leven dichterbij komt. Bijzonder is bijvoorbeeld zijn tekening van Margaret Lemon, die bekendstaat als zijn minnares en model.

Margaret Lemon, Anthony Van Dyck, Fitzwilliam Museum.

Daartegenover staat Mary Ruthven, Van Dycks vrouw, afkomstig uit een Schotse adellijke familie en hofdame van koningin Henriëtta Maria. Volgens latere overlevering zou Karel I hebben aangedrongen op dit huwelijk, mogelijk omdat hij Van Dycks verhouding met Margaret Lemon onwenselijk vond. Ook dat maakt de tentoonstelling boeiend: naast de grote dynastieke portretten van koningen, koninginnen en prinsenkinderen zie je hoe vrouwen rond Van Dyck zelf – als model, minnares, echtgenote of vorstelijke opdrachtgever – deel werden van zijn beeldwereld.

Mary Ruthven, Anthony Van Dyck, ca. 1640, Prado, Madrid.

Voor mijzelf was het bijzonder om het levensgrote portret van Henriëtte van Lotharingen in het echt te zien. Zij was de schoonzus van Béatrix de Cusance, een goede vriendin van Constantijn Huygens, en bovendien een vrouw met wie Béatrix bepaald geen eenvoudige verhouding had. Van Dyck schilderde Béatrix de Cusance in dezelfde periode, al is dat portret niet in deze tentoonstelling te zien. Juist daardoor werd Henriëtte van Lotharingen voor mij een soort onverwachte persoonlijke schakel in de tentoonstelling: ineens kwamen Van Dyck, Huygens, de Lotharingse hofwereld en mijn eigen eerdere onderzoek bij elkaar.

Henriëtte van Lotharingen, 1634, Anthony van Dyck, Kenwood House.

Op de tentoonstelling hangt ook een prachtig duoportret van Karel I en Henriëtta Maria. Dat zijn dus niet de pendanten die Huygens in 1638 in Noordgeest zag, maar het portret roept wel dezelfde wereld op: die van het Engelse hof en de internationale reputatie van Van Dyck.

Karel I en Henrietta Maria, Anthony van Dyck, 1632, Aartsdiocesaan Museum Kroměříž.

Terug naar de portretten voor Frederik Hendrik en Amalia

Met die hofwereld in gedachten keren we terug naar Van Dijcks portretten van Karel I en Henriëtta Maria die in 1638 via Lord Goring naar Frederik Hendrik en Amalia kwamen. Waarschijnlijk werden ze vanuit Londen overgebracht en vanwege hun grote formaat opgerold vervoerd. Huygens twijfelde niet aan de eigenhandigheid van de schilderijen. Voor hem waren het werken van Van Dyck zelf, gemaakt in vorstelijke opdracht en bestemd voor een vorstelijke omgeving.

Later is daar door sommigen genuanceerder naar gekeken. Oliver Millar omschreef de pendanten in Oranienburg als ‘repetitions’. Dat hoeft niet te betekenen dat Van Dyck er geen aandeel in had. Bij tweede versies kon het atelier de compositie overnemen, waarna Van Dyck zelf de afwerking verzorgde. Juist wat Huygens bewonderde – de tastbaarheid van de kostuums en de glans van de juwelen – past goed bij zulke laatste ingrepen van zijn hand.

Hoe dan ook zijn de portretten belangrijk. Ze behoren tot de oudste staatsieportretten van Karel I en Henriëtta Maria die op het vasteland arriveerden. Ze hielpen mee om het beeld van het Engelse koningspaar in Europa te verspreiden. In 1702 werden ze geïnventariseerd in Slot Honselaarsdijk, waar ze in 1742 nog steeds waren. Daarna kwamen ze terecht in de Bildergalerie van Schloss Sanssouci in Potsdam en uiteindelijk in Schloss Oranienburg.

De brief van Huygens aan Amalia van Solms laat goed zien hoe kunst, diplomatie en familiepolitiek in de zeventiende eeuw met elkaar verbonden waren. Wat hij aan Amalia meldt, lijkt op het eerste gezicht een praktisch bericht: Goring is aangekomen, Frederik Hendrik heeft de portretten gezien, ze moeten naar Rijswijk. Maar daarachter schuilt een groter verhaal. De portretten waren geschenken, zichtbare schakels in een Europees netwerk van vorstenhuizen.

Precies dat maakt de tentoonstelling in Genua zo sterk. Van Dyck verschijnt er niet als schilder van één stad of één hof, maar als kunstenaar van een Europese elite die zichzelf presenteerde. Voor mij maakte dat de brief van Huygens aan Amalia nog interessanter. Door de tentoonstelling zag ik nog duidelijker wat er in juni 1638 eigenlijk in Noordgeest gebeurde: niet alleen de aankomst van twee schilderijen, maar de komst van het Engelse hof in beeldvorm naar de wereld van Frederik Hendrik en Amalia van Solms.

Wie deze zomer naar Italië of Zuid-Frankrijk op vakantie gaat moet snel zijn. De tentoonstelling is beslist een bezoek waard. Mijn overzicht met eigen en niet altijd even perfecte foto’s geeft maar een kleine en heel persoonlijke selectie van wat er te zien is. Van Dyck, the European is nog tot en met 19 juli te zien in het Palazzo Ducale in Genua. Het stuk van Katlijne Van der Stighelen over Huygens en Van Dyck is terug te vinden in het boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven.

Ineke Huysman, 14 juni 2026

Huygens’ draaier, un homme de rares qualités   

In liefst zestien brieven die Constantijn Huygens en René Descartes met elkaar wisselden tussen 1635 tot 1640 duikt een persoon op die steevast wordt aangeduid als de ‘tourneur d’Amsterdam’.[1] Het gaat dan om de ambachtsman die door Huygens werd betaald om de lenzenslijpmachine te bouwen die Descartes had ontworpen en beschreven in La Dioptrique (behorend bij het Discours de la méthode, 1637).

Machine om lenzen te slijpen. Descartes, La Dioptrique, p. 144, in Discours de la méthode (Leiden, 1637). München, Bayerische Staatsbibliothek.

Doorlopend bespreken Huygens en Descartes de voortgang, de problemen en de resultaten van het project, en Descartes zocht de vakman ten minste één keer op om het werk te bekijken.[2] Ondanks de gezamenlijke inspanningen lijkt het in 1639 duidelijk dat de onderneming geen echt succes is, en daarna wordt de persoon in kwestie nauwelijks meer in de briefwisseling genoemd.[3]

De identiteit van de ‘tourneur’ of draaier kon tot op heden niet met zekerheid worden vastgesteld, al bestond er een vermoeden. Nu veel archivalische bronnen op internet doorzoekbaar zijn, was het mogelijk om dat vermoeden te testen. Het digitaal doorspitten van archieven en bibliotheken bleek meer dan de moeite waard, en de resultaten leggen we hieronder vast. We weten nu zeker wie de draaier van Huygens was, en dus wie er in al die brieven bedoeld werd. We konden ook een klein mysterie ontrafelen: de laatste brieven over de ambachtsman laten zien dat Huygens en Descartes zich inspanden om hem aan een betrekking helpen, maar tot nu toe was het onduidelijk waar dat over ging. De kers op de taart van dit onderzoek is misschien wel dat de draaier van Amsterdam nog over een andere en onverwachte vaardigheid bleek te beschikken, die hem in dienst van de Prins van Oranje bracht.

Het vermoeden

Er zijn verschillende vermoedens geuit over de identiteit van de ambachtsman, en er bestaat enige consensus — als men die term mag gebruiken, gezien de beperkte aandacht die deze kwestie heeft gekregen — over een mogelijke kandidaat. Ongeveer negentig jaar geleden vond Willem Ploeg in een verzameling papieren van Constantijn Huygens de naam van een zekere meester Paulus Claesz van Arnhem. Hij zou een ‘draeyer’ (tourneur) zijn, van wie schetsen van ornamenten en diverse recepten voor de verfraaiing ervan in het manuscript zijn aangetroffen, gedateerd 4 en 8 januari 1639.[4]

Daarnaast vermeldde Christiaan Huygens in 1653 een lenzenslijper genaamd ‘meester Paulus’, mogelijk dezelfde Amsterdamse ambachtsman.[5] Aangezien dat dit alles was wat bekend was, lijkt Ploegs bewering, dat het ‘niet te gewaagd is te veronderstellen’ dat meester Paulus de draaier van Huygens is, nogal gedurfd.[6] Maar het blijkt dat hij gelijk had. Voorheen ontbrak aanvullende informatie die meester Paulus verbonden met de houtdraaier. Die lacune is nu echter gedicht, mede dankzij de archiefbronnen die tegenwoordig online beschikbaar zijn. Het hulpprogramma Trankribus, dat het Stadsarchief Amsterdam en Het Utrechts Archief aanbieden, was uitermate nuttig. De identificatie verloopt hieronder in drie stappen, die ons langs drie verschillende steden voert, namelijk Amsterdam, voor de broodnodige biografische gegevens, Leiden, met betrekking tot het baantje dat Huygens en Descartes voor de draaier wilden regelen, en tenslotte Breda, waar meester Paulus in dienst trad van de Prins.

Paulus Claesz van Arnhem, een Amsterdamse draaier

Uit diverse notariële akten en andere archiefbescheiden kunnen we de volgende informatie over Paulus Claesz van Arnhem destilleren. De vroegste vermelding tot nu toe is de aankondiging van zijn huwelijk met Josijntje Jans (Bosmans) in Amsterdam in 1630.[7] Het register vermeldt dat hij van beroep ebbenhoutdraaier is, afkomstig uit Utrecht, en dat zijn eerste vrouw, Lysbeth Jans, was gestorven. Josijntje was afkomstig uit Haarlem. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, die tussen 1632 en 1653 in Amsterdam werden geboren, maar slechts twee zoons bereikten de volwassenheid.[8] Twee notariële akten uit november 1656 en november 1667 vermelden zijn leeftijd als respectievelijk 50 en 60 jaar, zodat hij rond 1607 geboren moet zijn.[9] Hij stierf in 1671.[10]

Zijn voornaam Paulus wordt soms geschreven als Pauls of Pouwels. Zijn patroniem Claesz of Claessen (‘zoon van Claes’) wordt in de meeste gevallen vermeld. Vaak geeft hij de familienaam Van Arnhem, maar we vinden ook de familienaam Cleijn, en deze laatste lijkt in de loop der tijd de voorkeur te hebben gekregen. Bij vergelijking van al deze documenten kan er geen twijfel over bestaan dat we met één en dezelfde persoon te maken hebben. Veel documenten vermelden dat Paulus Claesz draaier was, en zodoende is het heel goed mogelijk dat het om dezelfde persoon kan gaan wiens schetsen in Huygens’ papieren worden gevonden. Maar is hij ook de ‘tourneur d’Amsterdam’ uit de brieven tussen Descartes en Huygens?

Een betrekking in Leiden

De laatste vermelding van de ‘draaier van Amsterdam’ in de Descartes-Huygens-correspondentie biedt een cruciaal aanknopingspunt. In juli 1640 deden Descartes en Huygens een poging om voor de tourneur een betrekking in Leiden te regelen. Op 24 juli schreef Huygens aan Descartes vanuit het legerkamp te Reek (nabij Grave):

Mijnheer,

De brief die u mij ten behoeve van onze draaier [tourneur] heeft willen schrijven, bereikte mij nabij Hulst, juist toen ik op het punt stond in allerijl te vertrekken voor een reis die Zijne Hoogheid mij in zijn dienst naar Den Haag had opgedragen; aangezien de wind en het getij mij gunstig gezind waren, kostte het mij slechts één dag om heen te reizen en nog een dag om terug te keren. Maar al dit tumult kon mij er niet toe brengen uw opdrachten, die ik zozeer eerbiedig, te doen verwaarlozen. Ik drong er bij de Kapitein van de Garde met klem op aan mij de brief te verschaffen waarom u hem had gevraagd; en de volgende dag bracht ik die zelf naar Den Haag, vanwaar ik hem onmiddellijk naar Leiden zond, in de hoop dat hij daar het beloofde effect zou sorteren.[11]

Constantijn Huygens aan Descartes, 24 juli 1640. Autograaf, Bibl. nat. de France, NAF 23084, fol. 109r. Huygens Briefwisseling, brief n0238 (niet in Worp).

Descartes antwoordde een week later verheugd vanuit Leiden:

Mijnheer,

Het is mij een buitengewone gunst dat u, te midden van zovele uiteenlopende bezigheden en zoveel gewichtige zaken die uw aandacht opeisen, zich nog verwaardigt een zo nutteloos persoon als ik te gedenken. En ik twijfel er niet aan dat de brief die u de moeite heeft genomen ten behoeve van de draaier te bezorgen zijn doel heeft getroffen, maar hij heeft het effect nog niet gevoeld, behalve voor zover de heren van deze stad nog aan niemand de door hem gewenste betrekking hebben gegeven, en de gezichten van hen met wie hij heeft gesproken hem zijn hoop niet hebben ontnomen.[12]

René Descartes aan Const. Huygens, 31 juli 1640. Autograaf, Bibl. nat. de France, NAF 23084, fol. 111r. Huygens Briefwisseling, brief 2464 (Worp, Briefwisseling, dl. 3, p. 73, niet naar de autograaf).

De ambachtsman had zijn oog laten vallen op een betrekking in Leiden — wellicht had Descartes hem erover verteld — en hij vond Descartes bereid om zich voor hem in te spannen. Descartes schreef aan Huygens om van de Kapitein van de Garde van de prins een brief te verkrijgen die de ambachtsman blijkbaar nodig had om de positie te bemachtigen.[13] Eind juli echter hadden de ‘heren van deze stad’ (Leiden) nog geen beslissing genomen. De bewuste betrekking lijkt een openbare functie te zijn geweest, aangezien de stadsbestuurders erover gaan. Als dat klopt, zou het een functie in gemeentelijke dienst of aan de universiteit kunnen zijn.

Paulus Claesz van Arnhem, schermmeester

Een akte van 15 juni 1641, opgemaakt in Leiden, vermeldt een tweede beroep van Paulus Claesz van Arnhem. Hij wordt ‘schermmeester ende kunstdraeyer’ genoemd.[14]

Ondertekening van de notariële akte van 15 juni 1641 door Paulus van Arnhem: ‘by my Pauls Cla[e]ss van Aernem schermmeester ende kunst draeyer’ (Erfgoed Leiden en Omstreken, zie voetnoot 14).

Het beroep van schermmeester wordt in de meeste documenten na juni 1641 vermeld. De handtekening in dit document en die in de hierboven vermelde Amsterdamse documenten zijn duidelijk van één en dezelfde persoon. Meester Paulus was dus niet alleen een bankdraaier die werkte met goud, zilver, ivoor en kostbare houtsoorten, maar ook een schermmeester.

Is het mogelijk de aanwezigheid van Paulus Claesz als schermmeester in Leiden te verbinden met de betrekking die Descartes en Huygens voor de hem probeerden te regelen? In de zomer van 1640 lijkt er een kans voor een schermmeester aan de Leidse universiteit te zijn geweest. De vaste schermmeester was Henrick van Taden, die enkele malen in de registers van de universiteitssenaat wordt genoemd, hetzij omdat hij vroeg om een jaarlijks salaris (in 1637 en opnieuw in 1638, beide keren geweigerd; de leraar werd immers rechtstreeks door de studenten zelf voor zijn lessen betaald), hetzij omdat hij klaagde over de medische professoren die, vóór hun demonstraties in het anatomisch theater, de vervelende gewoonte hadden door de naastgelegen schermschool te lopen.[15] Mogelijk uit ontevredenheid besloot hij terug te keren naar zijn geboortestad Utrecht om daar stadsschermmeester te worden.[16]

De schermschool van de Leidse universiteit (‘Delineatio ludi publici gladiatorii urbis et academiae Lugdunensis apud Batavos’), 1610. Gravure van Willem Isaacsz. van Swanenburg naar een tekening van Jan Cornelisz. van ’t Woudt (Rijksmuseum, Amsterdam).

Begin juni 1640 verzocht een zekere Johannes Camerarius de universiteitssenaat of hij de (kennelijk vacante) plaats van de ‘gladiator’ (vecht- of schermmeester) Van Taden mocht innemen. Camerarius was sinds 1638 als schermmeester in Leiden actief. De senaat besloot echter de magistraat te verzoeken de kwestie nog enige tijd uit te stellen totdat zij tot een beslissing waren gekomen.[17] Deze omstandigheden passen mooi aan bij de situatie die Descartes in zijn brief aan Huygens van eind juli 1640 beschrijft: er was nog geen beslissing genomen over wie de betrekking zou krijgen. De aanwezigheid van Paulus Claesz van Arnhem in Leiden een jaar later, in documenten die hem zowel als draaier als schermmeester beschrijven, is een sterke aanwijzing dat hij inderdaad de tourneur d’Amsterdam is.

Of hij de functie van universitaire schermmeester daadwerkelijk heeft gekregen, kan helaas niet worden bevestigd.[18] Ook weten we niet precies wanneer hij in Leiden arriveerde of hoelang hij er bleef. In ieder geval waren schermlessen niet zijn enige bron van inkomsten, want in juni 1641 nam hij een leerling aan die vanuit Amsterdam was gekomen om te leren werken met een draaibank.[19]

Een opvallende getuigenis ten overstaan van een notaris maakt duidelijk dat de verhouding tussen zittende schermmeester Camerarius en zijn entourage, en meester Paulus, de nieuwkomer, gespannen moet zijn geweest. In die getuigenis legt een Franse student, André Thévenot, vast wat er op een zomerse middag was voorgevallen op de Doelen, het terrein waar de schutterij oefende. Die middag waren meester Paulus en de student naar het oefenterrein gegaan om een roer (een kleine musket) uit te proberen. Toen het begon te regenen, gingen ze het gebouw van de schutterij binnen om zich te laven aan een pul bier. Binnen troffen ze Johannes Camerarius en enige van zijn studenten. Camerarius kwam naar hen toe en vroeg of hij het wapen mocht bekijken; hij maakte enige ‘betamelijke’ opmerkingen en gaf het wapen terug. Kort daarop sloeg één van Camerarius’ gezellen ‘zonder enige aanleiding’ meester Paulus in het gezicht, en liet hem met bloedende lippen achter. De volgende dag bezocht Thévenot een notaris om dit voorval formeel vast te laten leggen, ongetwijfeld ten behoeve van meester Paulus, mocht hij besluiten er een zaak van te maken.[20]

Soldaat die de lont aanblaast van zijn roer. Afbeelding uit instructies voor het hanteren van de roer, The exercise of armes … after the ordre of Maurits Prince of Orange, Engelse editie van J. de Gheyns Wapenhandelinghe (Den Haag, 1608).

Schermmeester van Zijne Hoogheid in Breda

Hoe het meester Paulus precies is vergaan in Leiden, blijft onduidelijk. Het is niet bekend hoe lang hij in de sleutelstad bleef, en het lijkt erop dat zijn gezin in Amsterdam bleef.[21] Mogelijk vertrok meester Paulus zelf na enige tijd weer naar Amsterdam, maar hoe dan ook verloor Huygens hem niet uit het oog, en maakte hij uiteindelijk carrière: hij werd ‘schermmeester van Zijne Hoogheid’ aan de Illustre School en het Collegium Auriacum te Breda.

Deze instellingen van hoger onderwijs waren in 1646 gesticht door stadhouder Frederik-Hendrik, Prins van Oranje (1584-1647). Twee van de drie curatoren van deze instellingen waren de theoloog André Rivet (1572-1651) en Constantijn Huygens. In augustus 1647 arriveerde meester Paulus in de Brabantse stad en overhandigde zijn aanstellingsbrief aan de rector. Deze was verrast, zo schreef hij aan Huygens, dat de schermmeester van Zijne Hoogheid een jaarlijks salaris zou ontvangen — gelijk aan een soldatensalaris; de rector uitte enige bezwaren tegen deze bijzondere behandeling — en dat hij zonder middelen en zonder behoorlijke voorzieningen in Breda was aangekomen. De rector verzekerde Huygens echter dat alle praktische zaken zouden worden geregeld.[22]

Gebouw van de Illustre School en het Collegium Auriacum te Breda, in het voormalige Sint Catherinaklooster (nr. 16). Detail van de kaart van Breda in de Atlas van Blaeu (1649).

Meester Paulus dankte zijn aanstelling uiteraard aan Huygens. Huygens had een hoge dunk van meester Paulus en wilde dat hij zijn zonen schermen leerde en mogelijk ook in het slijpen van lenzen zou onderwijzen. Christiaan, Lodewijk en Philips studeerden allen enige jaren te Breda. Christiaan plukte in elk geval de vruchten van de lessen, en schreef zijn oudste broer Constantijn Jr dat hij hem spoedig hoopte zijn nieuwe schermkunsten te demonstreren.[23] Lodewijk liet zich ook niet onberoerd: hij moest in 1649 uit Breda vertrekken na een duel met een medestudent.[24]

Paulus Claesz leek zich echter niet thuis te voelen op de Bredase hogeschool en greep naar de fles. In februari 1648 werd hij ernstig berispt vanwege zijn drinkgewoonten, een kwestie die werd besproken tussen Rivet en Huygens. Huygens schreef aan Rivet dat hij het betreurde van het drinkprobleem van meester Paulus te horen, en zei dat hij hem niet had aangesteld als hij dat had geweten. Hij voegde eraan toe dat hij deze zwakheid nooit eerder had opgemerkt, terwijl de meester vroeger regelmatig twee of drie weken achtereen bij hem in huis had gelogeerd. — Deze opmerking mag alle twijfel wegnemen dat de schermmeester dezelfde persoon moet zijn als de tourneur wiens schetsen en recepten in Huygens’ verzameling papieren worden aangetroffen. — Huygens schreef Rivet voorts dat zijn zonen de schermmeester niet wilden handhaven, maar hem ook niet wilden laten ontslaan ‘omdat hij in dronkenschap dingen had gezegd die anderen dikwijls zeggen als ze nuchter zijn’.[25]

Het ging met meester Paulus in Breda van kwaad tot erger. In juli 1648 werd de schermmeester 24 uur in de gevangenis gezet nadat hij in het openbaar ruzie had gemaakt met een student en hem had beledigd; ook deed het gerucht de ronde, aldus Rivet, dat Paulus Claesz niet echt bekwaam was in de schermkunst.[26] Uiteindelijk verwondde de schermmeester in de zomer van 1651 een student ernstig tijdens een gevecht, en werd hij voor de rechter gebracht. Huygens schreef een lang en vurig pleidooi aan de weduwe van de Prins van Oranje, Amalia van Solms (1602-1675), ten behoeve van de “pauvre maitre des armes”, terwijl hij erop aandrong dat meester Paulus gehoord moest worden alvorens te worden veroordeeld; niet omdat hij (Huygens) verantwoordelijk was voor de aanstelling van deze “homme de rares qualités”, maar omdat “il est encor temps de faire ce qui est de raison et de droit”. In Huygens’ ogen was de man onschuldig en had hij zich verdedigd tegen een agressieve aanvaller.[27] De positie van Paulus Claesz werd echter onhoudbaar, en op advies van de rector werd de schermmeester in 1652 door de Prins ontslagen. Hij keerde terug naar Amsterdam, waar hij zijn beroep als schermmeester voortzette en zelfs stadsschermmeester werd, wat inhield dat hij na het afleggen van een examen burgers opleidde in de stedelijke schermschool.[28]

Conclusie

Al het materiaal dat boven water is gekomen laat er weinig twijfel over bestaan dat Paulus Claesz van Arnhem Huygens’ Amsterdamse draaier is. De tijdlijn klopt precies: hij werkte tussen 1635 en 1640 aan Descartes’ lenzenslijpproject, en zijn decoratieve schetsen en recepten zijn aangetroffen in Huygens’ papieren, gedateerd januari 1639. De poging van Descartes en Huygens in juli 1640 om voor hem een betrekking in Leiden te verkrijgen, gevolgd door de gedocumenteerde aanwezigheid van Paulus Claesz in die stad als zowel draaier als schermmeester in 1641, levert de biografische schakel op. Huygens’ eigen opmerking in zijn correspondentie dat meester Paulus ‘twee of drie weken achtereen’ bij hem thuis had gelogeerd, biedt verder bewijs dat de schermmeester van Breda dezelfde persoon is als de tourneur wiens werk gedocumenteerd staat in Huygens’ verzameling papieren en zijn correspondentie met Descartes.

De identificatie van de ambachtsman die voor Huygens en Descartes werkte is meer dan het oplossen van een biografisch raadsel. Het werpt licht op de wereld van ambachtslieden die verbonden waren met de (intellectuele) elite van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Meester Paulus was een veelzijdig ambachtsman die met kostbare materialen werkte en later schermmeester werd. Zijn loopbaan illustreert zowel de kansen als de kwetsbaarheid van een dergelijk bestaan. Het mislukken van het lenzenslijpproject, ondanks het theoretische genie van Descartes en de steun van Huygens, herinnert ons eraan dat vroegmoderne wetenschappelijke innovatie niet alleen briljante ideeën vereiste, maar ook de praktische vaardigheden van de personen die probeerden die ideeën te verwezenlijken. Het is ook interessant te zien dat Descartes en in het bijzonder Huygens een welwillende houding tegenover meester Paulus handhaafden, door betrekkingen voor hem te verwerven en hem te verdedigen wanneer hij in ernstige moeilijkheden geraakte. Die voortdurende patronage onthult de persoonlijke banden en het plichtsbesef die konden ontstaan tussen de elite en de ambachtslieden op wier vaardigheden zij vertrouwden.

Erik-Jan Bos

CNRS – Université Paris Cité

ERC Philiumm nr. 101020985

Een eerdere en kortere versie, ‘Le tourneur d’Amsterdam’, verscheen in het Bulletin cartésien LV, Archives de philosophie 89 (2026), 158-163. Een Engelstalige versie, ‘Master Paulus, Descartes’ Amsterdam Artisan’, werd gepubliceerd in het Bulletin of the Scientific Instrument Society, no. 169 (2026), 38-42.


[1] We gebruiken de afkorting ‘AT’, gevolgd door deel- en paginanummer, voor de standaardeditie van Descartes’ werken en briefwisseling: Charles Adam en Paul Tannery, Œuvres de Descartes, 2de editie, 11 dln. (Parijs, 1964-1974). De eerste vermelding van de tourneur staat in een brief van Huygens aan Descartes, gedateerd 28 oktober 1635 (AT I, 590), en de laatste in een brief van Descartes aan Mersenne, gedateerd 4 maart 1641 (AT III, 331).

[2] Zie Descartes aan Huygens, 8 februari 1638 (AT I, 655-656).

[3] Voor een gedetailleerde beschrijving van de pogingen om hyperbolische lenzen te slijpen en de lenzenslijpmachine, zie D. Graham Burnett, Descartes and the Hyperbolic Quest: Lens Making Machines and Their Significance in the Seventeenth Century (Philadelphia, 2005), pp. 59-69; en Fokko Jan Dijksterhuis, ‘Constructive thinking: a case for dioptrics’, in L.L. Roberts et al. (red.), The Mindful Hand: Inquiry and Invention from the Late Renaissance to Early Industrialisation (Chicago, 2007), pp. 59-82, i.h.b. pp. 61-67.

[4] Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, KA 47. De tekeningen bevinden zich op fos. 539r-542r; zie ook 546r; diverse recepten op 550r-555v; de naam en de dateringen staan op fo. 539r, fo. 549r en fo. 550r. Ik dank de conservator der handschriften, Jeroen Vandommele, voor het verschaffen van een reproductie, en Fokko Jan Dijksterhuis voor het onder mijn aandacht brengen van het proefschrift van Willem Ploeg, Constantijn Huygens en de natuurwetenschappen (Rotterdam, 1934, pp. 36-37). Zie ook Cornelis de Waard (red.), Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634, dl. 3 (Den Haag, 1945), p. xiii*; en Huib Zuidervaart, ‘The invisible technician made visible: Telescope making in the Dutch Republic’, in A. Morrison-Low et al. (red.), From Earth-bound to Satellite: Telescopes, Skills and Networks (Leiden, 2012), pp. 71-72, 81.

[5] Christiaan Huygens, Œuvres complètes, red. D. Bierens de Haan, dl. 1 (Den Haag, 1888), p. 215.

[6] Ploeg, Constantijn Huygens, p. 37.

[7] Stadsarchief Amsterdam (SAA), Ondertrouwregister, archiefnummer 5001, inventarisnummer 436, fo. 121. Hierna zullen we ‘archiefnummer’ afkorten als ‘arch.’, ‘inventarisnummer’ als ‘inv.’, ‘notarieel archief’ als ‘NA’ (de naam van de notaris (not.) wordt vermeld) en doop-, trouw- en begraafregisters als ‘DTB’.

[8] SAA, DTB-registers. De eerste twee kinderen werden beiden gedoopt als Annetje (1632, 1637); de eerste dochter moet zijn gestorven vóór de geboorte van de tweede. Daarna volgden Claes (1639), Paulus (1643) en Alexander (1653). In het testament van meester Paulus uit 1669 worden slechts twee kinderen vermeld, Paulus en Claes (SAA, NA, arch. 5075, not. R. Duee, inv. 2468, pp. 342-344).

[9] SAA, NA, arch. 5075, not. P. de Bary, inv. 1706B, pp. 1403-1404, datum: 23 november 1656 (zie Jaap van der Veen, ‘By his own hand: The valuation of autograph paintings in the 17th century’, in A Corpus of Rembrandt Paintings, dl. 4 (Dordrecht, 2005), p. 38); SAA, NA, arch. 5075, not. H. Friesma, inv. 3084, p. 782, datum: 14 november 1667.

[10] Hij maakte zijn testament op 16 december 1669 (noot 8) en vermaakte zijn zoon Paulus alle gereedschappen voor draaien en polijsten; geen vermelding van zwaarden e.d. Een akte gedateerd 11 juni 1671 wijst erop dat hij toen nog in leven was, maar een latere akte gedateerd 16 september 1671 vermeldt dat zijn vrouw weduwe is (SAA, NA, arch. 5075, not. J. de Vos, inv. 2972A, p. 424; arch. 5075, not. R. Duee, inv. 2470, aktenr. 159).

[11] Huygens aan Descartes, 24 juli 1640, AT III, 749; vertaling EJB. Huygens Briefwisseling, brief n0238.

[12] Descartes aan Huygens, 31 juli 1640, AT III, 750-751; vertaling EJB. Huygens Briefwisseling, brief 2464 (Worp, Briefwisseling, dl. 3, p. 73, niet naar de autograaf).

[13] George Gleser (gest. 1652), Kapitein (later Kolonel) der Garde van de Prins van Oranje, een verre verwante van Huygens, via zus Geertruydt Huygens [ https://brievenconstantijnhuygens.net/tag/huygens-geertruyd/ ]. In 1645 vroeg ook de wiskundige Frans van Schooten jr., die de illustraties voor Descartes’ Discours de la méthode had verzorgd, aan Huygens om een aanbeveling van Gleser ten behoeve van zijn benoeming aan de Leidse universiteit; zie de blog-post ‘Een Leidse lobby in Den Haag’ https://brievenconstantijnhuygens.net/2022/02/03/een-leidse-lobby-in-den-haag/.

[14] Erfgoed Leiden en Omstreken (ELO), NA, arch. 506, not. P. Dircxz. van Leeuwen, inv. 274, aktenr. 131.

[15] P.C. Molhuysen, Bronnen tot geschiedenis der Leidsche universiteit, dl. 2 (Den Haag, 1916), pp. 216, 222, 223.

[16] Van Taden was in 1636 van Utrecht naar Leiden verhuisd en keerde in 1640 terug. De Utrechtse stadsarchieven vermelden dat hij op 14/[24] september 1640 werd aangesteld als ‘stadsschermmeester’ (Het Utrechts Archief (HUA), arch. 702, Resoluties van de Vroedschap, 1639/40-1640/41, inv. 121-19, fol. 122). Van Taden overleed in Utrecht in januari 1643 (HUA, DTB, online database van personen, ‘Henrick Schermmeester’).

[17] “Iun. 5 [1640]. Cum exhibitus esset libellus supplex a Ioachimo Camerario, qui petebat in locum Henrici gladiatoris substitui, visum est petendum a Magistratu, ut adhuc aliquamdiu res differretur, done gravamina sua proponeret atque exhiberet Senatus Academicus.” Molhuysen, Bronnen, dl. 2, p. 243. De naam ‘Joachim’ in de universiteitsarchieven moet een vergissing zijn voor ‘Johannes’, want ene Johannes Camerarius, niet verwant aan de beroemde familie Camerarius, wordt in diverse Leidse archieven tussen 1638 en 1651 vermeld als schermmeester (‘vechtmeester’). Hij is vermoedelijk dezelfde als degene die zich op 28 januari 1654 aan de universiteit inschreef: “Joannes Camerarius, qui art. digladiat. profitetur. 45” (W.N. du Rieu, Album studiosorum Academiae Lugduno Batavae MDLXXV–MDCCCLXXV (Den Haag, 1875), 433). Hij overleed in de loop van 1654.

[18] In Molhuysen, Bronnen, wordt verder niets vermeld over de positie van schermmeester.

[19] De notariële akte van 15 juni 1641 (noot 14) bevat een contract voor de duur van één jaar tegen de som van 250 gulden.

[20] ELO, NA, arch. 506, not. P. Dircxz. van Leeuwen, inv. 275, akte nr. 33, datum: 7 augustus 1641. André Thévenot had zich ingeschreven als student wiskunde in februari 1641 (Album Stud. Lugd.-Bat., 321).

[21] Thiemo Wind was zo vriendelijk me te wijzen op een akte uit 1644 waarin Josijntje Jansdr, de vrouw van meester Paulus genoemd wordt (LinkedIn). Ze figureert ook in akte uit 1645 (SAA, NA, arch. 5075, not. J. de Wijse, inv. 1920, p. 185). Zoon Paulus werd in oktober 1643 in Amsterdam gedoopt.

[22] Lodewijk Gerard van Renesse aan Huygens, 6 februari 1647, in J.A. Worp (red.), De briefwisseling van Constantijn Huygens, 6 dln. (Den Haag, 1911-1917), dl. 4, p. 387, brief 4540. De correspondentie van Huygens is online raadpleegbaar, zowel Worps editie als in de meeste gevallen de handschriften: https://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens. Er dient op gewezen te worden dat in deze brief en de brieven die er kort op volgen de volledige naam van de schermmeester (weer) niet wordt vermeld, maar een Bredase notariële akte van 10 april 1649 verwijst naar ‘meester Pauwels van Arnhem, schermmeester van Zijne Hoogheid’ (Stadsarchief Breda, NA, not. J.P. Beeris, inv. nr. 140, fol. 219r), zodat er geen twijfel bestaat over de identiteit van de schermmeester. Volgens die akte vervaardigde meester Paulus twee ‘broucxkens artificael’ die de urine en uitwerpselen van een incontinente patiënt zouden opvangen tijdens het lopen, staan en liggen. De patiënt heette Cornelis Wijnants van Bernagien (1626-1687), de zoon van een welgestelde, inmiddels overleden brouwer uit Breda, wiens voogden meester Paulus 250 gulden zouden betalen.

[23] Christaan Huygens aan Constantijn Huygens Jr, 2 maart 1648, Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, p. 82.

[24] Zie Huygens aan Rivet, 18 maart 1649 (Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 516, brief 4924; volledige tekst in Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, pp. 103-104), en Rivet aan Huygens, 23 maart 1649 (Worp, Briefwisseling, dl. 5, p. 1, brief 4926; volledige tekst in Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, pp. 104-105).

[25] Huygens aan Rivet, 13 februari 1648, Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 456, brief 4755. Ook binnen de staf van professoren speelde op dat moment een affaire, zie de blog-post ‘Trouw en tegenslag: de vriendschap tussen Constantijn Huygens en Johan Brosterhuisen’ https://brievenconstantijnhuygens.net/2024/12/25/trouw-en-tegenslag-de-vriendschap-tussen-constantijn-huygens-en-johan-brosterhuisen/.

[26] Rivet aan Huygens, 14 juli 1648, Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 485, brief 4840.

[27] Huygens aan Amalia van Solms, 19 december 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, p. 132, brief 5203. De citaten zijn ontleend aan het handschrift. Zie ook Huygens aan Amalia van Solms, 14 december 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, pp. 131-132, brief 5201, en Van Vliet aan Huygens, 13 september 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, pp. 117-118, brief 5177. Zie ook D. Langedijk, ‘De Illustre Schole en de Collegium Auriacum te Breda’, Taxandria: Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis en Volkskunde, 42 (1935), pp. 31-32. Volgens Langedijk heette de student Bartholomeus Snellius.

[28] Stadsarchief Breda, ‘Paulus van Arnhem’ is vermeld in het lidmatenregister van de Protestantse Kerk: Vertrokken lidmaten Breda 1642-1679, inv. nr. 88, fol. 20v, datum 9 november 1652, met de aantekening ‘attestatie gestuurd naar Amsterdam’.

Gemengde gevoelens: Huygens herinnering aan Sweelinck

Constantijn Huygens was al vroeg uitzonderlijk muzikaal. Zijn eigen jeugdherinneringen laten dat goed zien. Als klein jongetje speelde hij al viola da gamba en luit, en dat soms zelfs in aanwezigheid van Jan Pieterszoon Sweelinck. Constantijn kon al vroeg vrijwel alles van het blad spelen. Zelf benadrukt hij vooral zijn aanleg voor improvisatie: hij speelde liever eigen muziek dan ingestudeerde stukken en zag dat als een gave die niet aan te leren was.1

Over een van die vroege momenten schrijft Constantijn dat hij al vele uren lang foutloos gespeeld had, terwijl anderen om hem heen fouten maakten. Juist in die context ging het mis. Hij keek even op van zijn muziekblad, raakte de regel kwijt en kon er niet meer inkomen. Wat volgde beschrijft hij nauwkeurig: hij raakte volledig van slag en barstte ‘in een bitter en ontroostbaar huilen’ uit. Niets kon hem nog kalmeren of ertoe bewegen om zijn gamba weer ter hand te nemen.2

Jan Pietersz. Sweelinck, Gerrit Pietersz. Sweelinck 1606, Kunstmuseum Den Haag, Wikimedia Commons.

Die scène speelde zich af in Amsterdam, in het huis van Jean Louis Calandrini, een uit Genève afkomstige koopman die daar muziekavonden organiseerde. De muzikale leiding lag bij Jan Pieterszoon Sweelinck, organist van de Oude Kerk, ‘een man die zijns gelijke niet had’, aldus Huygens.3 De toen zevenjarige Constantijn kwam hier vermoedelijk met zijn vader, Christiaan Huygens senior, die zelf een groot liefhebber van muziek was en veel zorg besteedde aan de muzikale vorming van zijn zoon.

De bewondering voor Sweelinck bleef. Op zeer late leeftijd, op 26 maart 1684, schreef Constantijn Huygens een Latijns grafschrift ter ere van hem (Epitaphium Ioannis Sweeling organistae summi).4 Daarin klinkt dezelfde waardering door: Sweelincks grootheid laat zich niet in woorden vangen, maar alleen in zijn eigen muziek.

Op 25 april a.s. brengt barokgezelschap La Sfera Armoniosa in samenwerking met het Huygens Instituut in de Amsterdamse Waalse Kerk de voorstelling ‘Huygens!’. Muziek uit zijn wereld, in de stad waar hij als kind leerde spelen, en waar hij, in het bijzijn van Sweelinck, ook een keer volledig vastliep. Tickets: https://www.klassiekemuziek.nl/e/19638/la-sfera-armoniosa-huygens-amsterdam


  1. Constantijn Huygens, Mijn Jeugd, vertaald en toegelicht door C.L. Heesakkers (1987) 29-30. ↩︎
  2. Idem, 25-26. ↩︎
  3. Ibidem. ↩︎
  4. Gedichten van Constantijn Huygens (editie J.A. Worp, periode 1671-1687) 335. ↩︎

Winterpraktijken. Kou, eten en feestjes in de Huygens’ familiebrieven

Strenge winters zijn in de brieven van de kinderen van Constantijn Huygens senior vaak het decor voor verhalen over feestjes, diners, bals en nachten die heel laat eindigen. Ze zijn geschreven in een periode waarin West-Europa zich midden in een fase van de Kleine IJstijd bevond en de ongemakken van kou, ijs en sneeuw vaak het dagelijkse leven bepaalden.

Het kaartspel, Caspar Netscher, ca. 1665, Metropolitan Museum, NY.

Reizen in de winter kon letterlijk fataal zijn. In de winter van 1663 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Lodewijk dat een koerier tussen Amsterdam en Den Haag onderweg is doodgevroren. Het paard kwam alleen aan en werd verstijfd teruggevonden bij het Malieveld. Maar de winter is ook een tijd van gezellig samenzijn. In 1648 studeert Christiaan aan de Illustere School van Breda en schrijft hij zijn broer Constantijn:

[vrij vertaald] Ik twijfel er geen moment aan dat jij afgelopen vastenavond niet hebt doorgebracht zonder te dansen, want de bals van deze winter zijn overal in de mode. Wat mijzelf betreft is het hier allemaal heel netjes en fatsoenlijk toegegaan, al ben ik onder andere bij de drost buitengewoon vorstelijk onthaald. Er was een hele stoet juffers uitgenodigd. Vanaf vijf uur ’s middags hebben we een beetje zitten kaarten en daarna ’s avonds een kostelijke maaltijd genuttigd. Aan het slot daarvan verschenen er tal van confituren op tafel, niet minder aangenaam om te zien dan om op te eten. Ze waren door de juffers zelf heel mooi opgemaakt met kransen van groen en met de bloemen die beschikbaar waren.

Maar nu ik toch bezig ben met zulke bijzonderheden, moet ik wel voorkomen dat ik opnieuw het verwijt krijg dat ik de juffers niet noem. We zaten met vijftien personen aan een ronde tafel, en wel als volgt: de president; de oudste van de twee juffers Rossem; juffrouw Ceters; Bornius; juffrouw Van der Veeck; een zoontje van de drost; juffrouw Stas; juffrouw Boxstaert; Stas; de tweede dochter van de drost; kapitein Despon; Becker; de oudste dochter van de drost; ikzelf; en de andere juffrouw Rossem. De drost zelf was in Den Bosch.

Na afloop van het eten werd er gedanst, heel wat ‘zesjes’ en couranten, begeleid door drie violen, en dat ging door tot drie uur ’s nachts. Zeg nu nog eens dat ik geen bijzonderheden schrijf! En als ik met Pasen misschien naar Den Haag kom, zul je zien dat ik heb leren schermen. Adieu.

In december 1680 bericht Susanna haar broer Christiaan in Parijs over kou en een Haags feestje:

[vrij vertaald] Vader heeft veel minder last van dat gesuis in zijn hoofd. Hij past wat beter op met de kou, vooral ’s avonds, zoals de artsen en zijn vrienden hem hebben aangeraden. Maar als hij naar míj zou luisteren, liet hij zijn muts dikker voeren. Dat wil hij voorlopig echter niet doen. […] Afgelopen vrijdag werden we in goed gezelschap onthaald bij onze broer Constantijn. Hij had al lang geleden een weddenschap verloren aan mevrouw Boreel, die hij nu moest inlossen met oesters, wat hij royaal deed. Behalve deze dame en haar goede man waren er ook meneer en mevrouw Cau van Hulst, neef Eeck met zijn dierbare wederhelft, neef De Wilhem met zijn oudste zuster, de filosoof Heemskerck, mijn man en ikzelf. […] Het hele gezelschap was in opperbeste stemming en het feest duurde tot twee uur ’s nachts. Nadat we grote hoeveelheden oesters hadden gegeten, stond in een andere kamer nóg een voortreffelijk en rijk uitgestald buffet. U weet dat mijn schoonzus [Constantijns vrouw Susanna Rijckaert] ‘geen struijf om een Eij sal bederven’. Adieu, mijn lieve broer.

Oesters, fruit en wijn, Osias Beert de oude, ca. 1620-1624, National Gallery of Art, Washington.

Ook in 1695 was er overal een strenge winter. Constantijn junior, inmiddels secretaris van Koning Willem III, schrijft vanuit Kensington Palace in Londen aan Christiaan:

[vrij vertaald] Men dacht hier dat we van de winter af waren, maar vandaag is er opnieuw zo’n dikke laag sneeuw gevallen als we deze hele winter nog niet hebben gehad. Patrijzen zijn spotgoedkoop, vijf of zes sols per stuk, zoveel je maar wilt, omdat hun sporen hen in de sneeuw verraden. Is er bij die laatste dooi [in Nederland] nergens een dijk doorgebroken? Adieu

Slee op het ijs. Gesina ter Borch, ca. 1656-1687, Rijksmuseum.

Wat deze winterbrieven zo aantrekkelijk maakt, is hoe menselijk ze zijn. Kou en gevaar, eten en muziek, zorgen en plezier. De kinderen van Constantijn woonden vaak ver bij elkaar vandaan maar ze bleven contact houden. En dankzij de brieven van Christiaan Huygens kunnen we niet alleen kennis nemen van zijn wetenschappelijke verdiensten maar ook van het dagelijkse leven in een gezin als dat van familie Huygens.

“Een gek is dood”: Descartes, Huygens en het idee van een lang leven

Op 12 april 1650 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Constantijn in Rome dat hij eigenlijk geen nieuws heeft. Het enige wat hij kan melden, heeft hij in de Antwerpse gazette gelezen: ‘dat in Suede een geck gestorven was die seijde dat hij soo langh leven kon als hij wilde’. Christiaan voegt er droog aan toe: ‘Notez que c’est icij M. des Cartes’ [‘Let wel, het gaat hier om meneer Descartes’].

René Descartes, naar Frans Hals, 1649, Louvre.

Dat was niet zomaar een grapje. Descartes’ plotselinge overlijden op 11 februari 1650 in Stockholm werd in heel Europa besproken, soms met ironie. Dat had alles te maken met zijn uitspraken over de mogelijkheid van een langer leven. Hoewel Descartes zeker nooit had beweerd onsterfelijk te zijn, achtte hij een aanzienlijke verlenging van de menselijke levensduur in principe mogelijk, ook voor hemzelf. Het hing volgens hem af van juiste kennis van het lichaam en zijn mechanismen.

Al in de jaren dertig van de 17e eeuw had Descartes daarover geschreven, onder meer in zijn correspondentie met Constantijn Huygens, de vader van de broertjes Huygens. Vanuit zijn grote waardering voor Descartes’ intellectuele vermogen vroeg Constantijn Huygens hem in november 1637 of hij dacht dat zijn werk en inzichten konden bijdragen aan een langere menselijke levensduur. In zijn antwoord stelde Descartes dat hij verwachtte zeer oud te kunnen worden, als hij maar bepaalde fouten in zijn levenswijze wist te vermijden, en dat hij zich daar actief mee bezighield. Dat past bij een bredere lijn in zijn denken: Descartes benaderde veroudering als een mechanisch proces. Hij verklaarde ouderdom in termen van verharding van vezels en verstoring van voeding en circulatie, en niet vanuit morele of mystieke oorzaken. Geneeskunde zag hij daarbij als een rationele weg naar een langer leven, al wist hij daar dus zelf niet van te profiteren.1

Christiaen Huygens, Caspar Netscher, Museum Boerhaave, 1671.

Dat de Antwerpse krant de spot dreef met Descartes hing samen met diens publieke uitspraken over levensverlenging. Hij presenteerde zich daarbij overigens niet als iemand die het geheim al kende, maar als iemand die aan het begin stond van een lange ontwikkeling. Juist omdat hij die mogelijkheden met overtuiging had benadrukt, wekte hij verwachtingen, en schiep zijn vroege dood gelegenheid voor ironisch commentaar.

Precies daarop doelt ook de sarcastische passage in Christiaans brief aan zijn broer, die de achtergrond van de spotternij kende. Vader Constantijn had Descartes’ visie op de mogelijkheid van een langer leven ongetwijfeld al eerder met zijn zoons gedeeld. Dat blijkt ook uit Constantijn juniors reactie uit Rome van 29 mei 1650, waarin hij schrijft dat de lof in de Gazette drôle [grappig] is en Descartes een coquin [schelm, schurk, boef] noemt. Zo krijgt de krantenopmerking over de dood van een ‘geck’ in Zweden meer betekenis.

Ineke Huysman, 16 december 2025


  1. Zie ook: M.D. Grmek, “Les idées de Descartes sur le prolongement de la vie”, Revue d’histoire des sciences, 21 (1968), pp. 286-302. ↩︎

Geur en stank in de 17e eeuw: reukervaringen van tijdgenoten

Over de belangstelling van Constantijn Huygens voor parfumerie is de laatste tijd veel geschreven. Maar hoe verhield die wereld van verfijnde geuren zich tot de dagelijkse werkelijkheid van vieze luchtjes en stank? In een samenleving zonder moderne riolering en zonder onze opvattingen over hygiëne moet stank alom aanwezig zijn geweest. De vraag is: hoe werd dat ervaren, en hoe schreef men erover?

In de dagboeken van Constantijn Huygens jr. en van stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz wordt vaak melding gemaakt van onaangename geuren. Ook in correspondentie van Christiaan Huygens duikt het onderwerp op.1 Wat uit dagboeken en brieven uit de 17e eeuw naar voren komt, sluit opmerkelijk goed aan bij wat wij vandaag als vies ervaren: lichaamsgeur, slechte adem, vuile straten, modder, latrines, rottend water. Het is allemaal verrassend herkenbaar.

Christiaan Huygens: een scherpe neus in Londen en Parijs

Christiaan Huygens, ca. 1687-1688, door Gerard Edelinck naar tekening van Jacques-Antoine Friquet de Vauroze, Rijksmuseum

Christiaan Huygens was bijzonder gevoelig voor de lucht om zich heen. Tijdens zijn verblijf in Londen in 1661 klaagt hij uitgebreid over de dichte steenkoolrook die in de stad hangt: zwaar, zwart en ongezond. Hij merkt op hoe het roet zich overal op afzet en gebouwen en kleding donker maakt, een voortdurende herinnering aan de verstikkende atmosfeer.

Op reis ontdekt Christiaan dat stank geen grens kent. Zoet water aan boord van schepen bederft snel en begint te ruiken. In Parijs wordt hij ’s nachts gebeten door bedluizen, terwijl ratten en muizen in zijn kamer scharrelen. Hij beklaagt zich er over de modder en dampen van de stad die hem doen verlangen naar de frisse lucht van het platteland. In Kleef moet hij tot drie keer toe van logies wisselen om een plek te vinden die minder vuil en beter te verdragen is.

Niet alleen de omgeving, ook zijn onderzoek brengt hem dichtbij nare geuren. Bij experimenten merkt hij op dat het residu van buskruit een zeer slechte geur geeft en dat de damp lang blijft hangen en zwaar op de borst slaat.

Constantijn Huygens jr.: hofleven met een luchtje

Constantijn Huygens jr., zelfportret, 1685. Rijksmuseum

Bij Constantijn Huygens jr. speelt reuk een opvallende rol in hoe hij mensen en situaties beoordeelt. In zijn dagboeken2 noteert hij geregeld wanneer iemand of iets hem letterlijk tegenstaat, vooral in de nabijheid van het Engelse hof waar hij jarenlang verbleef als secretaris van Willem III.

Zo noteert hij roddelend dat mrs. Howard ‘een quade lucht uyt haer mondt’ heeft, tegelijk is hij bang dat hij daar zelf ook last van heeft. Over de koning schrijft hij dat er ‘vuyle, stinckende materie’ uit zijn neus liep. En ook op bepaalde plaatsen blijkt het te stinken. De markies van Winchester loopt volgens Huygens buiten zijn huis voortdurend met een servet of zakdoek voor zijn mond om ‘de quade lucht uyt te houden’. Een ander voorbeeld van een vieze, stinkende omgeving komt uit een legerkamp in Sombreffe (augustus 1692). Huygens beschrijft dat het huis waar de koning logeert ‘seer vuyl en stinckende’ is, wegens de boeren die daar hun toevlucht hebben gezocht. Bij een eerdere veldtocht in 1676 omschrijft hij zijn logies in het dorp bij Tongeren als ‘vilain et puant’.

Daar staat tegenover dat reuk ook positieve waardering kan hebben. Tijdens een van zijn reizen, ver weg van het hof, beschrijft Huygens de geur van tijm en lavendel in het landschap rond Orange als een ‘seer goeijen reuck’. Geur bepaalt hier de sfeer van een plaats, bijna als een eerste indruk van het landschap zelf.

Het zijn maar een paar voorbeelden, er zijn er talloze, maar wat deze notities zo opvallend maakt, is dat reuk voor Huygens onderdeel is van zijn sociale observatie. Niet alleen wat hij ziet of hoort, maar ook wat hij ruikt vormt een oordeel over personen, gedrag en omgeving.

Willem Frederik van Nassau-Dietz: reuk als lichamelijke afkeer en gekrenkte trots

Willem Frederik van Nassau-Dietz, anoniem, ca. 1645-1684, Rijksmuseum

In de dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz3 krijgt zijn beleving van geur vooral een negatieve lading. Hij noteert nauwkeurig hoe anderen ruiken en verbindt dat bijna automatisch met hun gezondheid en waardigheid. Het meest uitgesproken is hij over zijn oud-oom, stadhouder Frederik Hendrik. Zijn adem is ‘heel vielein’, zodanig dat men er ‘geïnkommodeert’ door raakt, vooral in de ochtend. Zijn lichaam ruikt volgens Willem Frederik ‘muffs en sweterich’ en hij noemt hem ‘heel vuil en vet’. Stank wordt zo een manier om de lichamelijke aftakeling van een machtige oude man te registreren; iemand van wie hij afhankelijk is, maar voor wie op dat moment hij nog maar weinig bewondering voelt.

Ook anderen in zijn omgeving blijven niet buiten schot. Over Amalia van Solms noteert hij dat zij ‘heel sterck roock uyt de mont’. Tegelijkertijd laat hij merken dat hij ook op zijn eigen uitwasemingen let. Zo neemt hij in 1647 sennebladeren in, officieel bedoeld om te laxeren, maar volgens zijn aantekening ook in de hoop dat het zijn adem verfrist.

Die lichamelijke afkeer krijgt ook vorm in zijn opmerkingen over de prins van Talmont, over wie gezegd wordt dat hij ‘soo stonck’ en dat een kamer waarin hij verbleef ‘soo leelijck roock’. Dat is geen neutrale observatie. Talmont was eerder Willem Frederiks rivaal geweest in de hoop de hand te krijgen van Louise Henriette, dochter van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, ook al was Talmont daar niet in geslaagd omdat Amalia hem beneden haar stand vond. Willem Frederik geeft hier af op iemand die hem ooit in de weg stond; de beschrijving van stank fungeert als wapen van rancune en beschadigd eergevoel.

Frederik Wilhelm, keurvorst van Brandenburg en Louise Henriette van Oranje Nassau, Gerard van Honthorst 1646, Rijksmuseum

Het wordt nog persoonlijker wanneer Willem Frederik op 29 april/9 mei 1649 noteert dat hij het ‘lijff geroocken’ had van prinses Louise Henriette, dat ‘wat sterck’ rook, en dat zij van dichtbij ‘naebij gheen fray vel ofte tain’ had. Zij was inmiddels getrouwd met de keurvorst van Brandenburg en allang buiten zijn bereik. Over de keurvorst zelf noteert Willem Frederik dat hij aan het hof als ‘soo lelijck’, ‘grof en vet’, ziekelijk en zwak van karakter werd gezien, geneigd tot grove gesprekken en geregeld dronken. Zijn woorden verraden teleurstelling, gekrenkte trots en een wrange poging zichzelf te overtuigen dat hij aan Louise Henriette niets had gemist.

Ook de stank van het dagelijks leven ontgaat hem niet. Over waterputten schrijft hij: ‘Als een put ofte back stinckt, moet men hem lucht geven, soo vergaet de reuck’. Over de loopgraven in de Tachtigjarige Oorlog noteert hij hoe het er ‘slijckerich’ is en hoe de lucht er zwaar en onaangenaam kan zijn. Wanneer hij er zijn diamanten ring verliest, wijt hij dat aan ‘sooveul sant ende vuilicheit daer was’: modder, stof, stank, nabijheid van soldaten en paarden.

Wat deze notities vooral laten zien: voor Willem Frederik ligt reuk dicht bij emotie. Walging, machteloosheid en soms rancune klinken mee in in zijn beschrijvingen. Wie onaangenaam ruikt, kan hij klein maken. De beleving van geur wordt zo voor hem een middel om zichzelf te beschermen in een wereld waarin hij zich vaak kwetsbaar voelt.

Ten slotte

Deze voorbeelden laten zien dat de perceptie van geur in de 17e eeuw geen bijkomstigheid was, maar iets wat heel nadrukkelijk werd ervaren. Tegelijkertijd zijn het vooral de observaties van personen uit de sociale bovenlaag die ons hierover informeren. Het zijn hun gedachtes, indrukken en gevoeligheden die zijn opgeschreven en bewaard gebleven. En dat terwijl zij zelf tot de bevoorrechte groep behoorden, met toegang tot parfum, geurige waters en manieren om vieze luchtjes te maskeren. Wat het betekende voor de velen die die middelen níet hadden, laat zich raden.

Ineke Huysman, 10 december 2025


  1. Bron: Oeuvres Complètes van Christiaan Huygens, 22 delen: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=huyg003oeuv00. ↩︎
  2. Bron: Journalen 1673-1696 van Constantijn Huygens jr.: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=huyg007jour01 ↩︎
  3. Bron: Gloria Parendi, dagboeken van Willem Frederik van Nassau-Dietz: https://www.dbnl.org/titels/titel.php?id=will077glor01 ↩︎