Op 12 april 1650 schrijft Christiaan Huygens aan zijn broer Constantijn in Rome dat hij eigenlijk geen nieuws heeft. Het enige wat hij kan melden, heeft hij in de Antwerpse gazette gelezen: ‘dat in Suede een geck gestorven was die seijde dat hij soo langh leven kon als hij wilde’. Christiaan voegt er droog aan toe: ‘Notez que c’est icij M. des Cartes’ [‘Let wel, het gaat hier om meneer Descartes’].

Dat was niet zomaar een grapje. Descartes’ plotselinge overlijden op 11 februari 1650 in Stockholm werd in heel Europa besproken, soms met ironie. Dat had alles te maken met zijn uitspraken over de mogelijkheid van een langer leven. Hoewel Descartes zeker nooit had beweerd onsterfelijk te zijn, achtte hij een aanzienlijke verlenging van de menselijke levensduur in principe mogelijk, ook voor hemzelf. Het hing volgens hem af van juiste kennis van het lichaam en zijn mechanismen.
Al in de jaren dertig van de 17e eeuw had Descartes daarover geschreven, onder meer in zijn correspondentie met Constantijn Huygens, de vader van de broertjes Huygens. Vanuit zijn grote waardering voor Descartes’ intellectuele vermogen vroeg Constantijn Huygens hem in november 1637 of hij dacht dat zijn werk en inzichten konden bijdragen aan een langere menselijke levensduur. In zijn antwoord stelde Descartes dat hij verwachtte zeer oud te kunnen worden, als hij maar bepaalde fouten in zijn levenswijze wist te vermijden, en dat hij zich daar actief mee bezighield. Dat past bij een bredere lijn in zijn denken: Descartes benaderde veroudering als een mechanisch proces. Hij verklaarde ouderdom in termen van verharding van vezels en verstoring van voeding en circulatie, en niet vanuit morele of mystieke oorzaken. Geneeskunde zag hij daarbij als een rationele weg naar een langer leven, al wist hij daar dus zelf niet van te profiteren.1

Dat de Antwerpse krant de spot dreef met Descartes hing samen met diens publieke uitspraken over levensverlenging. Hij presenteerde zich daarbij overigens niet als iemand die het geheim al kende, maar als iemand die aan het begin stond van een lange ontwikkeling. Juist omdat hij die mogelijkheden met overtuiging had benadrukt, wekte hij verwachtingen, en schiep zijn vroege dood gelegenheid voor ironisch commentaar.
Precies daarop doelt ook de sarcastische passage in Christiaans brief aan zijn broer, die de achtergrond van de spotternij kende. Vader Constantijn had Descartes’ visie op de mogelijkheid van een langer leven ongetwijfeld al eerder met zijn zoons gedeeld. Dat blijkt ook uit Constantijn juniors reactie uit Rome van 29 mei 1650, waarin hij schrijft dat de lof in de Gazette drôle [grappig] is en Descartes een coquin [schelm, schurk, boef] noemt. Zo krijgt de krantenopmerking over de dood van een ‘geck’ in Zweden meer betekenis.
Ineke Huysman, 16 december 2025
- Zie ook: M.D. Grmek, “Les idées de Descartes sur le prolongement de la vie”, Revue d’histoire des sciences, 21 (1968), pp. 286-302. ↩︎


Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.