Bericht uit het leger aan Amalia van Solms

In de periode dat Constantijn Huygens stadhouder Frederik Hendrik vergezelt op zijn veldtochten tegen het Spaanse leger, schrijft hij Amalia van Solms vrijwel dagelijks. In zijn brieven houdt hij haar op de hoogte van de voortgang van het leger en het welzijn van haar echtgenoot. Soms maakt hij van de gelegenheid gebruik om ook andere zaken aan te kaarten.

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, 18 juni 1639. Koninklijke Verzamelingen, Archief Amalia van Solms, A14a-IIIc-1.

Op 18 juni 1639 schrijft hij haar dat men de dag daarvoor bij Baarland (in het land van Goes) de Westerschelde is overgestoken en bij Philippine (in het huidige Zeeuws-Vlaanderen) aan land is gekomen. De Prins is dadelijk op zijn paard geklommen en heeft ’s avonds nog een wandeling over de zeedijk gemaakt. Deze morgen is hij richting Sas van Gent vertrokken om te beoordelen of het nabijgelegen dorp Assenede geschikt is om het kampement op te slaan. De berichten over de gevechten tussen de Fransen en de Spanjaarden zijn niet bijster positief.

Adriaen Hanneman, Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, 1640, Mauritshuis Den Haag.

Daarna gooit Huygens het over een andere boeg en schrijft hij Amalia hoe blij hij is dat zij het portret van hem en zijn kinderen heeft willen aanschouwen. Hij hoopt dat ze er nu mee wil instemmen dat de schilder een portret van prins Willem mag maken, waarvan hij daarna een kopie in koper wil laten vervaardigen. Het portret met Huygens’ kinderen hangt nu in het Mauritshuis, een koperen portret van Willem II is niet (meer) bekend.

In het gelijknamige boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven zijn een andere brief van Constantijn aan Amalia en afzonderlijke portretten van de Huygens familie te zien.

Ineke Huysman, 29 mei 2022

Op blaren lopen in Engeland

In 1618 vertrekt de tweeëntwintigjarige Constantijn Huygens voor het eerst naar Engeland. Hij blijft er voor een periode van ‘drie zoete maanden’ (alhoewel hij er volgens zijn brieven van juni tot en met oktober is), onder begeleiding van Sir Dudley Carleton (1573-1632). Het is tijdens dit bezoek dat hij vloeiend Engels leert spreken, en hij geeft ons de tip om bij het leren van een taal een basis aan te leggen met behulp van boeken, waarop je kunt bouwen in het land van de taal.[1]

Constantijn beschrijft in zijn autobiografie Mijn leven verteld aan mijn kinderen (1678) dat hij tijdens dit bezoek ook een uitstapje heeft gemaakt naar Oxford en de Bodleian Library aldaar. Volgens zijn briefwisseling vond dit eind juli plaats. Ook doet hij verslag van zijn volgende uitstapje dat hem in september naar Cambridge leidt onder begeleiding van Sir William Heydon (1579-?). In geuren en kleuren beschrijft hij zijn bezoek, maar hij wijdt minstens evenveel woorden aan Heydon zelf. De beste man was namelijk tijdens een gevecht zijn linkerhand kwijtgeraakt, waardoor hij zich met een ijzeren exemplaar moest behelpen. Constantijn schrijft echter: ‘het gemis wist hij zo goed te maskeren dat als hij het niet zelf eerlijk onthuld had, ik altijd zou hebben gedacht dat hij nog beide handen had. Hij […] had die door oefenen en uit oefening verkregen gewenning zo leren bewegen dat de functie van de verloren linkerhand precies werd nagedaan.’[2] Dit moet een grote indruk op hem hebben gemaakt, zeker als hij het zestig jaar later nog zo enthousiast beschrijft.

James VI en I ca. 1620, door Paul van Somer I, Royal Collections, Wikimedia Commons.

Over zijn eerste verblijf in Engeland schrijft Constantijn verder nog dat hij koning Jacobus I (James VI in Schotland en James I in Engeland; 1566-1625) heeft mogen ontmoeten, wat volgens zijn briefwisseling op 10 juli plaatsvond. Hij schrijft in een brief dat hij op 17 september zelfs luit heeft mogen spelen voor de koning. Ook noteert Constantijn met welk een enorme gastvrijheid hij overal is ontvangen.[3] Het is duidelijk dat hij positieve herinneringen heeft overgehouden aan de reis. Uit de brieven aan zijn ouders blijkt echter dat het hem niet alleen maar meezat. Zo overlijdt tot zijn grote verdriet zijn zusje Catharina (1601-1618) en ook laat zijn gezondheid het erg afweten. Op 1 juli 1618 schrijft hij zijn ouders nog: ‘Gelukkig ben ik gezond; ziek zijn zou hier ook dubbel onaangenaam en kostbaar zijn, omdat ik even ver van Londen af woon als Den Haag van Delft ligt.’[4]

Een paar dagen later al is daar grote verandering in gekomen. Op 8 juli schrijft hij namelijk aan zijn ouders dat hij zich al enige tijd niet goed voelt: ‘Ik heb een erge zweer aan mijn hiel, daar kwam koorts bij en ik sliep slecht. Maar nu heb ik het ding met eene naald doorgestoken en voel mij oneindig veel beter.[5] Barend Haeseker verklaart in Vileine hippocraten dat Constantijn die blaren heeft opgelopen door zijn lange wandeltochten tussen Londen en zijn logeeradres bij Noël de Caron (Nederlands diplomaat in Londen; ca. 1550-1624).[6]

Constantijn Huygens aan zijn ouders, 14 juli 1618, Koninklijke Bibliotheek KA 49, p. 51-54.

Een ruwe en lompe man

De zweer die Constantijn zelf heeft doorgestoken met een naald, blijft pijn doen. In een brief aan zijn broer Maurits van 14 juli schrijft hij dat hij geen laars aan zijn voet meer kan verdragen. Ook schrijft hij er dan uitgebreider over aan zijn ouders. Hij blijft er, ondanks het doorprikken, veel last van houden door ‘de grote weerstand van de huid van de hiel (die daar dikker en harder is dan overal anders) tegen de warmte van de zweer, die mij van binnen geweldig veel pijn bezorgde.’[7] Dit klinkt alsof de wond is gaan ontsteken, en Constantijn heeft er inderdaad maar een dokter bij geroepen. Zijn houding tegenover de chirurgijn is op zijn minst dubbel te noemen. Zo beschrijft hij de man als ‘un homme rude et grossier’, maar geeft hij ook toe dat de chirurgijn zeer ervaren en populair is. Iets verderop in de brief heeft Constantijn het zelfs over ‘tomber entre les mains de cette vilaine race Hippocratique’.

De voetoperatie, door Pieter Jansz. Quast, ca. 1630, Rijksmuseum.

Een chirurgijn is geen dokter zoals we die nu kennen. Universitair opgeleide artsen hielden zich vooral bezig met interne geneeskunde, terwijl chirurgijns zich richtten op operaties en andere ingrepen. Het vak van chirurgijn kwam dan ook voort uit dat van de barbiers, en zij gebruikten hun scherpe messen voor zowel het knippen van haar als het afzetten van ledematen. Misschien is dit de reden dat Constantijn zijn redder in nood met wat argwaan bekijkt.

Een hoge rekening

Constantijn heeft dus een enigszins negatieve houding tegenover de chirurgijn, die hem uiteindelijk toch heeft geholpen. Hij begint zijn brief van 14 juli met de woorden ‘Sinds mijn laatste brief […] is mijn gezondheid, Gode zij dank, voortdurend vooruit gegaan, wat mij vreugde en tevredenheid verschaft’.[8] Zijn eerdere afkeurende woorden lijken dan ook meer te maken te hebben met zijn wrok over de hoge rekening. Niet alleen moest hij de helft van het bedrag vooruit betalen, wat de gewoonte was in Engeland, ook vond hij het bedrag (2 pond sterling of 40 shilling sterling) erg hoog. Maar, zo was het nu eenmaal ‘in een land waar het geld je uit de hand vliegt’.[9]

Constantijn vond het leven in Engeland sowieso erg duur. Zo schrijft hij in zijn eerste brief vanuit Londen al naar zijn ouders ‘dat men met 6 stuivers in Holland verder komt dan met 10 stuivers in Engeland.’[10] En later, na zijn reisje naar Oxford, klaagt hij dat ‘ma maladie’ en het reisje hem veel hebben gekost. Gelukkig kan Constantijn het in perspectief plaatsen, ‘gezien hoeveel mijn gezondheid mij waard is in dit vreemde land’.[11] Het is jammer dat niet alles met geld te koop is. Constantijn blijft nog tenminste tot eind augustus last houden van zijn zweren.

Roosje Peeters, 21 mei 2022

In het gelijknamige boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven zijn portretten en brieven van Constantijn en zijn familieleden te zien.


[1] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 87.

[2] Ibidem, 91.

[3] Ibidem, 93-95.

[4] Nederlands citaat geparafraseerd door J.A. Worp.

[5] Nederlands citaat geparafraseerd door J.A. Worp.

[6] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 49.

[7] Vertaling door Rudolf Rasch.

[8] Vertaling door Rudolf Rasch.

[9] Vertaling door Rudolf Rasch.

[10] Vertaling door Rudolf Rasch.

[11] Vertaling door Rudolf Rasch.

Mijn zoete voedster

In Mijn leven verteld aan mijn kinderen in twee boeken (1678) schrijft Constantijn dat zijn moeder Susanna Hoefnagel (1561-1633) hem als enige van haar kinderen zelf aan de borst heeft gevoed. Sterker nog, hij beschrijft dit meer dan één keer. Aan het begin van zijn biografie stelt hij nog: ‘Op grond van dit laatste feit hebben sommige mensen gedacht dat mijn moeder voor mij een heel speciale genegenheid voelde, ofschoon zij als geen andere vrouw al haar kinderen gelijkelijk met haar liefde omringde.’[1] Maar aan het einde van zijn biografie lijkt hij hierover van mening veranderd. Wanneer Constantijn beschrijft dat zijn moeder op hoge leeftijd is overleden (waarbij hij overigens tot zijn grote verdriet zelf niet aanwezig was), vervolgt hij met: ‘O, met recht prijs ik mijzelf gelukkig, mijn zoete voedster, want hoe bevoorrecht was ik boven mijn broer en vier zussen, dat ik als zuigeling niet de melk van een ander heb gekregen!’[2] Hij erkent dat zij evenveel van al haar kinderen hield, maar ‘toch is het geen verbeelding dat u als een welhaast dubbele moeder een iets sterkere binding had met het kind dat u gedragen en zelf gevoed had. Voor zulke liefde hoeven ook geen duistere verklaringen gezocht te worden. De kracht ervan zit evenzeer in het bloed als in de voeding.’[3] Constantijn lijkt zichzelf hier de rol van moeders lievelingetje toe te bedelen.

Zeer geëerde ouders

Tijdens de reizen die Constantijn als jongeman aflegt, verschillende malen naar Engeland en eenmaal naar Venetië, blijft hij via brieven contact houden met zijn ouders. Hij opent deze telkens met ‘très honnorez parents’. Een enkele keer schrijft hij alleen aan zijn moeder (‘très honnorez mère’), zoals op 27 april 1622, wanneer hij klaagt dat hij geen antwoord krijgt op zijn brieven en dat hij een nieuwe mantel nodig heeft.[4] Van de brieven die zijn ouders terugschrijven, zijn er maar weinig bewaard gebleven. De openingszin van een van die brieven, geschreven door zijn moeder Susanna, doet echter vermoeden dat deze veelal door zijn vader werden geschreven: ‘Breur, Vader geeft mij desen brief om te sluyten, soo moet ick er noch wat bij setten’.[5] Constantijns vader Christiaan wilde misschien dat ze liet weten hoe het met haar gezondheid stond. Een week eerder schrijft Constantijn al aan zijn ouders dat hij opgelucht is dat ‘moeder weer beter is’.[6] Susanna laat hem dan ook weten: ‘het is met mij nu redelijck, Godt lof, maer noch niet ter degen; het hoesten en fluymen en wil niet ophouden, maer tsal eens eynden, believet Godt.’[7]

Journael

Fragment van Susanna’s brief aan Christiaan van 6 maart 1624. Bovenaan staat ‘Journael’.

Een paar weken na het overlijden van vader Christiaan op 7 februari 1624 moet Constantijn opnieuw naar Londen met een gezantschap van Van Aerssen.[8] Vanaf dat moment begint hij lange brieven uit te wisselen met zijn moeder. De brieven van Constantijn zijn, voor zover we weten, helaas niet bewaard gebleven, maar de brieven van Susanna wel. Ze zijn aan de lange kant en hebben een bijna dagboekachtige vorm. Bovenaan haar eerste brief schrijft zij dan ook ‘Journael’ (verslag van dag tot dag van iemands leven[9]).[10] Susanna schrijft gedurende ongeveer een week elke dag een stukje aan haar brief. Elk nieuw stukje begint zij met ‘adi’ (van het Latijnse ad diem), gevolgd door de datum van die dag. In totaal hebben we zo’n veertien brieven van haar uit deze periode.

Lees verder “Mijn zoete voedster”

De briefwisseling van Constantijn Huygens: Zo vader, zo zoon

Christiaan Huygens sr. (1551-1624), de vader van Constantijn, huwde pas met Susanna Hoefnagel (1561-1633) in 1592, op de leeftijd van 41 jaar[1] Hun eerste kind, Maurits (1595-1642), werd een paar jaar later geboren en het jaar erop volgde Constantijn (1596-1687). Een van de vroegste herinneringen aan zijn vader die Constantijn beschrijft in Mijn jeugd (1629-1631) betreft iets dat plaatsvond toen hij nog maar anderhalf jaar oud was. Constantijn was aan het spelen bij de open haard waar een hekje voor stond, en ‘op een gegeven moment stak ik daar mijn hoofd doorheen en omdat ik toen niet meer terug kon, was ik duidelijk in levensgevaar.’[2] Zijn broer Maurits rende gelukkig naar hun vader Christiaan, die op dat moment met een jichtaanval op bed lag. Constantijn schrijft: ‘Mijn vader vergat onmiddellijk zijn eigen toestand, vloog naar de andere kamer en redde mij uit mijn benarde positie.’[3]

Dankzij deze anekdote, die gelukkig goed afliep, is bekend dat Christiaan op zijn zevenenveertigste al last had van jicht (ontsteking van de gewrichten door afzet van urinezuurkristallen). Jicht, ook podagra genoemd (gout in het Engels), werd vaak beschreven als ‘de ziekte der rijken’ omdat het vooral voorkwam bij mannen tussen de dertig en zestig jaar die er een ongezonde levensstijl op na hielden (zoals diplomaten die veel moesten drinken en dineren met hun sociale contacten). Overmatige alcoholinname is een van de veelvoorkomende oorzaken van jicht. De wijn die men dronk, werd soms ook nog eens zoeter gemaakt met lood, wat het risico op jicht nog groter maakte, omdat lood een schadelijk effect heeft op de werking van de nieren. 

Frontispice van ‘Verhandelinge van het Podagra en Vliegende Jigt om die Sekerlijk te genesen’ (Amsterdam 1684). Gravure door Stephen Blankaart.
Lees verder “De briefwisseling van Constantijn Huygens: Zo vader, zo zoon”

Rieckend water van mijn moeder

Constantijn Huygens, een leven in brieven is een bloemlezing uit negenduizend brieven van- en aan de beroemde zeventiende-eeuwse dichter. In dit boek wordt de veelzijdigheid van Huygens benadrukt en blijkt dat hij naast dichter, wetenschapper, musicus, diplomaat, componist, architect, jurist, topadviseur van de Oranjes en vader van de uitvinder en wiskundige Christiaan Huygens, ook nog eens amateur-parfumeur is geweest.

Susanna Huygens-Hoefnagel, door Michiel van Mierevelt, Huygens’ Hofwijck.

Eén van zijn parfumrecepten heette ‘Rieckend water van mijn moeder’. Hij creëerde het ter herinnering aan zijn moeder, Suzanna Hoefnagel. In samenwerking met De Jonge Akademie in het project ‘Geheugen van Geur’ en met Huygens Paris, Marypierre Julien, parfumeur bij Givaudan, NL-Lab en Huygens’ Hofwijck is in een historisch experiment getracht dit recept te reconstrueren.

Op 8 april 2022 werd op Huygens’ Hofwijck in het bijzijn van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, Robbert Dijkgraaf, de ‘amuse’-tentoonstelling Constantijn Huygens, Geuren en Beelden geopend. Daarbij staken Marypierre Julien en de minister een geurkaars aan die gemaakt werd op basis van Huygens’ recept, en onder andere in Hofwijcks museumwinkel verkrijgbaar is.

Foto: Michel Groen.

Achtergrondinformatie

Over de totstandkoming van de geur: https://story.durare.eu/vervlogen-geuren-distilleren

Artikel van Maartje Bakker in de Wetenschapsbijlage van de Volkskrant van 2 april 2022

Mieke van der Weij sprak in ‘Met het oog op morgen’ van 3 april 2022 met Ineke Huysman over de bundel ‘Constantijn Huygens. Een leven in brieven’ en over zijn onbekende kwaliteit als amateur parfumeur.

Universiteit Leiden: ‘Wetenschappers maken 17e-eeuws parfum van Constantijn Huygens na‘.

Artikel in AD Den Haag van 5 april 2022:

  • In onderstaande video van De Jonge Akademie gemaakt door Kieran Scannell is te zien hoe Constantijn Huygens op Hofwijck te werk ging bij het maken van zijn parfum recept:
  • Ineke Huysman, projectleider van de Constantijn Huygens Briefwisseling bij Huygens ING / NL-Lab en gastconservator bij de tentoonstelling ‘Constantijn Huygens. Een leven in brieven’ op Huygens’ Hofwijck, geeft in 2022 in verschillende vestigingen van de Haagse bibliotheek lezingen over Huygens als parfumeur en over zijn veelzijdige correspondentie. Zie voor data: https://bibliotheekdenhaag.nl/…/activiteiten.filter.2…

De briefwisseling van Constantijn Huygens: schrijvende zussen

Susanna Hoefnagel (1561-1633), de moeder van Constantijn, huwt in 1592 met de tien jaar oudere Christiaan Huygens sr. (1551-1624). Ze wonen in Den Haag, waar Christiaan secretaris is van de Raad van State. Uit hun huwelijk komen zes kinderen voort, twee jongens, Constantijn en zijn broer Maurits (1595-1642) en vier meisjes, Elisabeth (1598-1612), Geertruyd (1599-1680), Catharina (1601-1618) en Constantia (1602-1667). De twee jongens worden al van jongs af aan onderricht in schrijven en verschillende talen, waar hun vader kosten noch moeite voor bespaart. In zijn autobiografische Mijn jeugd (1629-1631) beschrijft Constantijn dat ze in 1603 (hij is dan zeven) beginnen met ‘de schrijfkunst en het Frans’.[2] Ook leren ze op jonge leeftijd Latijn en Grieks.[3] In 1618 leert Constantijn tenslotte nog Engels, tijdens zijn bezoek van drie maanden aan Engeland.[4] Bij de zusjes blijven de kosten en moeite voor onderwijs enigszins achter. Zij leren wel Frans, maar geen andere talen, en krijgen beduidend minder onderricht.[5]

Portret van Geertruid Huygens uit 1629, door Michiel Jansz van Mierevelt. Frans Hals Museum. Van Constantia Huygens is geen portret bekend.

Leelik schryven

Van zowel Geertruyd als Constantia zijn slechts drie brieven bewaard gebleven, alle zes geschreven in het Nederlands. Ook zijn ze alle zes afkomstig uit 1622, het jaar waarin Constantijn gedurende langere tijd Engeland bezocht. Uit de brieven blijkt dat de twee zussen zich ervan bewust waren dat hun taalgebruik was achtergebleven bij dat van hun broers. Constantia schrijft bijvoorbeeld (waarschijnlijk eind februari of begin maart) aan Constantijn: ‘Dessen brief moet je vermake overmits het blinkende sant, want me dunckt, dat daer alle dingen onder schuylle kan, als leelik schryven, qualick spellen en sulke dingen meer. Geertruyd en ik leggen hier morssen met het sant, dat de tafel blinckt, dat m’er geen oog op houwe kan.’[6] Het zand dat Constantia beschrijft werd gebruikt om de inkt te laten drogen, maar ze grapt dat het wellicht ook haar slechte schrijfstijl kan verbergen. In een andere brief, ontvangen door Constantijn op 2 mei, schrijft Constantia ‘Ick bid je, vergeeft me men leellick schrift; tis door de grootte haest’.[7] Mieke Smits-Veldt schrijft over de brieven van Constantia en Geertruyd dat zij ‘waarschijnlijk een vrijwel directe weergave van de spreektaal in Den Haag uit de vroege jaren twintig’ zijn.[8]

Lees verder “De briefwisseling van Constantijn Huygens: schrijvende zussen”