Een giftich present

Edel heer,

Dese tongh sal dienen om uyt te spreeken den iever, die ick hebbe om U.l. Edelheyt te comen welcom heeten, mijnen dinst presenteren ende door dit giftich present mijn jonghe fortuyn in u gratie te vervoorderen. Dewelcke ick becomen hebbende, sal ghenoechsamen prijs mijnen arbeyt toeschrijven, wiens handen veerdich sijn om met meerder weerdicheyt u ende uwe te believen, als ootmoedieghen dienaer,

Laurens Craen

Brief van Laurens Craen aan Constantijn Huygens, 1648, Koninklijke Bibliotheek, KA 42-aa, nr. 95

Dat schreef de Middelburgse stillevenschilder Laurens Craen (1620-1670) in 1648 aan Constantijn Huygens, waarbij hij hem een kunstwerk stuurde. Craen stond op dat moment nog aan het begin van zijn carrière en zocht een afzetmarkt. In de tweede brief van Craen aan Huygens spreekt hij dat letterlijk uit en vraagt hij hem zijn werk bij het stadhouderlijk echtpaar te willen aanbevelen:

versouck seer gedienstich dat Sin Ed. mij gelieft te houden in recommandatie, om, offer bij gelegenheyt ijts voorviel, voor Sijn Hoogheyt ofte mevrou de Princesse met mijn kunst te konnen dienen; sal mij aengenaem wesen, ’tselfde uyt Sijn Edelheyt te mogen verstaen.

Het lijkt erop dat het Craen niet is gelukt een opdracht van de Oranjes te krijgen, want zijn werk komt niet voor in de inventarissen van de stadhouders. Constantijn Huygens nam het schilderij dat Craen hem zond vermoedelijk wel aan. In de verkoopcatalogus van Huygens’ nalatenschap wordt onder nummer 45 ‘Een stilleeven met vruchten etc. door L. Craan’ aangeboden.[1] Om welk werk het precies gaat is niet duidelijk, er zijn veel stillevens met vruchten van Laurens Craen bewaard gebleven.

Dit jaar eindigt de database met de nog bestaande correspondentie van Constantijn Huygens zijn voltooiing. Ook is inmiddels de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven verschenen.

Ineke Huysman, 17 juni 2022


[1] Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof (proefschrift Universiteit van Amsterdam 2010), 88-89.

Bericht uit het leger aan Amalia van Solms

In de periode dat Constantijn Huygens stadhouder Frederik Hendrik vergezelt op zijn veldtochten tegen het Spaanse leger, schrijft hij Amalia van Solms vrijwel dagelijks. In zijn brieven houdt hij haar op de hoogte van de voortgang van het leger en het welzijn van haar echtgenoot. Soms maakt hij van de gelegenheid gebruik om ook andere zaken aan te kaarten.

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, 18 juni 1639. Koninklijke Verzamelingen, Archief Amalia van Solms, A14a-IIIc-1.

Op 18 juni 1639 schrijft hij haar dat men de dag daarvoor bij Baarland (in het land van Goes) de Westerschelde is overgestoken en bij Philippine (in het huidige Zeeuws-Vlaanderen) aan land is gekomen. De Prins is dadelijk op zijn paard geklommen en heeft ’s avonds nog een wandeling over de zeedijk gemaakt. Deze morgen is hij richting Sas van Gent vertrokken om te beoordelen of het nabijgelegen dorp Assenede geschikt is om het kampement op te slaan. De berichten over de gevechten tussen de Fransen en de Spanjaarden zijn niet bijster positief.

Adriaen Hanneman, Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, 1640, Mauritshuis Den Haag.

Daarna gooit Huygens het over een andere boeg en schrijft hij Amalia hoe blij hij is dat zij het portret van hem en zijn kinderen heeft willen aanschouwen. Hij hoopt dat ze er nu mee wil instemmen dat de schilder een portret van prins Willem mag maken, waarvan hij daarna een kopie in koper wil laten vervaardigen. Het portret met Huygens’ kinderen hangt nu in het Mauritshuis, een koperen portret van Willem II is niet (meer) bekend.

In het gelijknamige boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven zijn een andere brief van Constantijn aan Amalia en afzonderlijke portretten van de Huygens familie te zien.

Ineke Huysman, 29 mei 2022

‘Schrijf toch wat vaker!’

Met Amalia van Solms (1602-1675), de echtgenote van zijn werkgever Frederik Hendrik (1584-1647), heeft Constantijn Huygens de meeste brieven uitgewisseld, namelijk 1.017: 183 van Amalia aan Constantijn en 834 van Constantijn aan Amalia. Zolang de Tachtigjarige Oorlog woedde, was Constantijn ieder jaar met het leger op veldtocht. Hij hield hij haar via brieven op de hoogte van de vorderingen van het leger, maar ook over het welzijn van haar echtgenoot. Zie daarover ook het blog over vijftig onbekende brieven van Huygens aan Amalia.

Zijn werkgeefster dreef Constantijn tot wanhoop wanneer ze hem weer eens aanspoorde vaker te schrijven. Hij antwoordde haar dat één keer per dag vaak al lastig genoeg was: soms verhinderden de gevechten het schrijven of verzenden van brieven, maar soms viel er gewoon niks te melden. Na het overlijden van Frederik Hendrik zakte de correspondentie in, met een opleving vlak na het overlijden van Amalia’s zoon, stadhouder Willem II, en met een nieuwe piek in de jaren ’60, toen Constantijn voor de Oranje-Nassaus in Frankrijk verbleef om, met succes, te onderhandelen over de teruggave van het prinsdom Orange. Toen was Amalia trouwens degene die het meeste schreef.

Eind 1664 was er schot gekomen in de zaak rond de teruggave van het door de Fransen bezette prinsdom Orange. Toen Amalia schoorvoetend akkoord was gegaan met de benoeming van een katholieke gouverneur, was Lodewijk XIV bereid het prinsdom te ontruimen. In ruil moest Constantijn er onder meer voor zorgen dat de daar aanwezige kanonnen werden verwijderd. Deze brief, toegelicht en hertaald door Dries Raeymaekers, is opgenomen in de bloemlezing met Huygens’ brieven.

Het bovenaan dit artikel afgebeelde portret van Amalia van Solms, vervaardigd door Gerard van Honthorst, dat eeuwenlang de nok van Huis ten Bosch sierde, is op de tentoonstelling Constantijn Huygens, Geuren en Beelden te zien, die loopt t/m 3 juli 2022.

Ineke Huysman, 14 mei 2022

Vijftig ‘nieuwe’ brieven uit 1646 van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms

Constantijn Huygens aan Amalia van Solms, Assenede, 24 juli 1646:

Zijne Hoogheid [stadhouder Frederik Hendrik], teruggekomen van het uitstapje [een bezoek aan het Franse leger], voelde zich een beetje vermoeid, na enkele uren te paard te zijn geweest. Daardoor heeft hij vannacht niet goed geslapen en is hij om 4 uur opgestaan om in een stoel te gaan zitten, waarom begrijp ik niet. Om 7 uur is hij weer terug op bed gaan liggen en heeft twee à drie uur zo diep geslapen dat alle trompetten van de Franse troepen die gezamenlijk onder zijn raam hebben staan blazen, hem niet hebben kunnen wekken. Na dit slaapje voelde hij zich totaal niet verfrist.

Dit vrij vertaalde fragment is afkomstig uit één van de vijftig teruggevonden brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms die zijn toegevoegd aan de online database met de correspondentie van Constantijn Huygens. De verloren gewaande brieven zijn afkomstig uit het Landeshauptarchiv in Dessau en vrijwel allemaal geschreven in 1646. Ze zijn een belangrijke aanwinst voor de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens, in het bijzonder voor zijn correspondentie met Amalia van Solms, de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik. In zijn functie van secretaris van de stadhouder hield Constantijn Amalia vanuit het leger, dat ieder jaar van april tot en met oktober op veldtocht was, vrijwel dagelijks op de hoogte van de militaire vorderingen, maar ook van de gezondheid van haar echtgenoot. In totaal zijn er tussen Huygens en Amalia 1.018 brieven gewisseld. Hij schreef er 834 aan haar en zij schreef 184 brieven aan hem. Op de genoemde vijftig brieven na, bevindt deze briefwisseling zich vrijwel geheel bij Koninklijke Verzamelingen onder signatuur KHA, A14a-XIII-18C-1. Dat deze correspondentie zo compleet is, is te danken aan de afspraak die Constantijn met een van Amalia’s hofdames had gemaakt dat zij al zijn brieven aan Amalia voor hem zou bewaren.

Correspondentie Constantijn Huygens met Amalia von Solms: lichtblauw zijn de brieven áán haar; donkerblauw de brieven van haar

Edities

De belangrijkste gedrukte editie van Huygens’ brieven is op dit moment nog steeds die van J.A. Worp, uitgegeven in de periode 1911-1916 in de Rijks Geschiedkundige Publicatiën, de serie bronnenpublicaties van het Huygens ING. In de algemene inleiding bij deel I stelde Worp dat de volledige uitgave van de correspondentie van Constantijn Huygens 25 tot 30 delen zou vergen. Dat zou natuurlijk veel te veel worden en daarom beperkte hij de omvang tot zes delen, want niet alles was volgens Worp even belangrijk. Die werkwijze is echter niet meer van deze tijd. De huidige onderzoeker wil over het volledige materiaal kunnen beschikken en niet afhankelijk zijn van de selectie en parafrases van een 19e-eeuwse historicus. En dat kan: het Huygens ING heeft een database ingericht met per brief enkele kerngegevens. Hieraan zijn de bewerkingen van Worp gekoppeld en het geheel is op het web gepubliceerd en doorzoekbaar. Aan de brieven is extra materiaal toegevoegd, zoals de digitale afbeelding van de originele brief, maar ook verwijzingen naar andere edities dan die van Worp, en dikwijls een transcriptie of vertaling.

Herkomst

Willem II, Prins van Oranje, door Jean I Petitot, naar schilderij van Gerard van Honthorst, Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

En zo worden ook nieuwe, niet door Worp uitgegeven brieven aan de database toegevoegd. Daar zijn deze vijftig brieven van Constantijn Huygens aan Amalia van Solms een voorbeeld van. De brieven bevinden zich in het Landeshauptarchiv Sachsen-Anhalt, Abteilung Dessau, A7b, nr. 109 A met als opschrift: ‘Relation de la Campagne 1646’ (Eindelijk weer samen. Inventaris van de archieven van stadhouder Willem II en Amalia van Solms en enige verwanten, samengesteld door J.N. Fernhout (Den Haag) 86). Het was bekend dat de brieven uit 1646 van Huygens aan Amalia ontbraken, maar tot voor kort wist men niet dat ze zich in Dessau bevonden. Ze zijn daar waarschijnlijk ooit terechtgekomen door een beslissing van stadhouder Willem II. Die was tamelijk ongelukkig met de Vrede van Munster, die een einde had gemaakt aan de Tachtigjarige Oorlog. Liever had hij samen met de Fransen de strijd tegen de Spanjaarden willen voortzetten. Kort na het overlijden van zijn vader Frederik Hendrik (maart 1647) besloot hij een aantal documenten uit het archief van zijn vader naar zijn eigen administratie over te brengen om zo goed mogelijk op de hoogte te zijn van zijn vaders contacten met Frankrijk. Zo liet hij 270 folio’s met ingekomen stukken over de voorbereiding van de veldtochten tegen Spanje uit zijn vaders archief lichten (Fernhout, 22 en 98).

Vermoedelijk om dezelfde reden zijn ook de vijftig brieven van Constantijn aan Amalia uit het jaar 1646 in het archief van Willem II ondergebracht. Na diens dood in 1650 is dit deel van het archief bij zijn moeder Amalia terechtgekomen. Toen Amalia op haar beurt in 1675 overleed, werd haar oudste nog levende dochter Albertine Agnes, weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik, executeur-testamentair. Na haar dood is het archief van Willem II, evenals een deel van dat van Amalia en veel Friese stukken in Duitsland, beland bij de enige nog levende zuster Henriette Catharina, de weduwe van de vorst van Anhalt-Dessau. De documenten, maar ook schilderijen en sieraden, stonden daar bekend als Nassauische Erbschaft (Fernhout, 42). Deze verzameling is niet compleet. Het verhaal wil dat Henriette Catharina veel persoonlijke stukken met zich mee heeft genomen in haar graf. De kerk waar zij begraven lag, is in de Tweede Wereldoorlog plat gebombardeerd, dus die stukken moeten als voorgoed verloren worden beschouwd.

De archieven van Willem II en Amalia van Solms zijn aldus verspreid geraakt over het Landseshauptarchiv in Dessau en het Koninklijk Huisarchief in Den Haag. Dankzij een initiatief van beide archieven zijn ze virtueel weer bij elkaar gebracht door middel van de eerder genoemde inventaris, samengesteld door J.N. Fernhout, die in 2011 door het Koninklijk Huisarchief is gepubliceerd. Het Koninklijk Huisarchief beschikt over microfilms en scans en heeft deze, met bereidwillige medewerking van het archief te Dessau, aan het Huygens ING beschikbaar gesteld. Vervolgens zijn de vijftig relevante brieven uit het digitale materiaal gelicht, bewerkt, van metadata voorzien, getranscribeerd en aan de digitale brievencollectie van Constantijn Huygens gekoppeld.

Inhoud

Deze brieven van Constantijn aan Amalia uit 1646 zijn voor de geschiedschrijving een waardevolle toevoeging. Zo was 1646 het laatste jaar waarin stadhouder Frederik Hendrik nog actief was en met het leger op veldtocht ging. Van half juni tot half september van dat jaar verbleef hij met het leger in Oost-Vlaanderen en in de maand oktober was hij gelegerd voor Venlo, dat hij tevergeefs probeerde in te nemen. In zijn brieven doet Constantijn Amalia uitgebreid verslag over de verstandhouding en de ontmoetingen met de geallieerde Fransen, waarin kopstukken zoals legerleiders Condé, Grammont en Orléans figureren. Verder schrijft hij in detail over de verplaatsingen van het leger, de schermutselingen met de vijand en de activiteiten van de vloot bij Duinkerken. Maar ook de verveling die vaak toeslaat terwijl men wacht op instructie, is onderwerp van schrijven. Zo bericht hij over Willem II die, tot ergernis van zijn vader, regelmatig bij de Fransen te vinden is, waarbij er flink wordt gedronken en gekaart om de tijd te doden. Ook de voorbereidingen op de Vrede van Munster zijn in volle gang en er komt er vaak afvaardiging naar het leger om Frederik Hendrik van de onderhandelingen op de hoogte brengen.

Beleg van Venlo in 1646 door Lambert de Hondt de Oudere, Wikimedia Commons

Frederik Hendrik zou op 14 maart 1647 overlijden. Het jaar daarvoor, in 1646, was hij reeds zwak en ziekelijk, vaak mentaal instabiel en lastig in de omgang. Ook hierover doet Constantijn op gepaste maar ook ontroerende wijze verslag. Vaak beschrijft hij tot in detail wat zijn werkgever wel en niet wil eten, hoe hij heeft geslapen, en of en hoe lang hij op zijn paard heeft gezeten. Maar ook Constantijns persoonlijke beslommeringen, waaronder zijn soms moeilijke verstandhouding met Amalia van Solms, komen aan de orde.

In de bloemlezing Constantijn Huygens. Een leven in brieven komt de relatie tussen Constantijn en Amalia uitgebreid aan bod.

Ineke Huysman, 18 maart 2022

Droevige berichten

Constantijn en zijn vrouw Susanna van Baerle (1599-1637) krijgen samen vijf kinderen, vier jongens en een meisje, die (op zoon Philips na) allen nog in leven zijn als hij zijn autobiografie Mijn leven verteld aan mijn kinderen in twee boeken (1678) schrijft. Hij draagt het werk dan ook op aan zijn (mannelijke) nakomelingen.[1] Constantijn komt zelf ook uit een groot gezin met zes kinderen, twee jongens en vier meisjes. Hij schrijft in Mijn leven echter weinig over hen. Alleen zijn broer Maurits (1595-1642) komt af en toe aan bod. Het wordt hieruit dan ook helemaal niet duidelijk dat het gezin tweemaal afscheid heeft moeten nemen van een zusje. Zo overleed in 1612 Constantijns zusje Elizabeth (1598-1612) en in 1618 stierf Catharina (1601-1618). Hier rept hij totaal niet over in Mijn leven.

Adriaen Hanneman, Portret van Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, Mauritshuis Den Haag.

Elizabeth

In Constantijns andere autobiografie, Mijn jeugd (1629-1631), die gedetailleerder ingaat op zijn jonge jaren en die hij op een stuk jongere leeftijd schrijft, komt Elizabeths overlijden wel aan bod. Mogelijk herinnert hij het zich nog beter omdat het niet zo lang geleden is, of vindt hij het belangrijk om het hier wel op te nemen omdat het alleen over zijn jeugd gaat. Constantijn schrijft: ‘De maand mei, waarin vanouds de Haagse jaarmarkt, de zogenaamde kermis, gevierd werd, werd voor ons gebrandmerkt door een uiterst rampzalige familiegebeurtenis.’[2] Elizabeth, dan veertien jaar oud, overlijdt aan ‘fatale buikkrampen’. Constantijn schrijft dat het binnen een paar uur gedaan was en dat de artsen niets hadden kunnen betekenen.[3] In Vileine hippocraten schrijft Barend Haseker dat de diagnose ‘stangulatio uteri’ luidde, maar dat het waarschijnlijk is dat het om een ‘steeldraai of torsie (draaiing) van het ovarium (eierstokken) of mesenterium (buikvlies)’ ging, of mogelijk ‘een destijds nog onbekende ziekte als een appendicitis (blindedarmontsteking) […] vergezeld van een buikvliesontsteking’.[4]

Constantijn schrijft in Mijn jeugd over Elizabeth: ‘in zekere zin was zij meer dan de andere het lievelingskind geweest van haar ouders’.[5] Deze waren dan ook niet te troosten toen bleek dat zij overleden was. Constantijn vindt zelf dat zij daarbij ‘de Algoede en Allerhoogste God eigenlijk onrecht’ aandeden, omdat deze Elizabeths ziel slechts weer tot zich had genomen. Hij heeft echter ook begrip voor hun verdriet. Zo vraagt hij God om de last, mocht deze ooit ook hem ten deel vallen, draaglijk te maken en hem te leren de slagen te verduren die zijn ‘vaderhart’ nog zullen treffen.[6] Over Catharina’s overlijden, zes jaar later, schrijft Constantijn niet in Mijn jeugd. Hij beëindigt het werk voor hij bij 1618 is aangekomen. Er zijn echter wel verschillende brieven bewaard gebleven uit deze periode, die een veel persoonlijkere kant van Constantijn weergeven.

Catharina

In 1618 bevindt Constantijn zich gedurende enkele maanden in Engeland, waar hij via een brief te horen moet krijgen dat zijn zusje Catharina (1601-1618) is overleden op 17-jarige leeftijd. Over haar doodsoorzaak is niets bekend.[7] Het is echter wel duidelijk dat zij al geruime tijd ziek was. In zijn eerste brief aan zijn ouders vanuit Engeland, van 16 juni, schrijft Constantijn al dat hij graag hoort hoe het met zijn arme zusje gaat en dat hij haar met veel verdriet heeft achtergelaten: ‘Je désire grandement d’entendre comment il va de ma povre soeur Catherine que j’ay quitté avec beaucoup de regret.’ Op 22 juni schrijft Constantijn dat hij ondertussen een brief van zijn ouders heeft ontvangen die al op 11 juni is verstuurd. Hieruit blijkt dat er nog geen verbetering in Catharina’s gezondheid te melden viel: ‘Pour Catelyntgen, j’en suis tousjours en peine et ne sçay ce que la longueur du temps pourroit apporter. Je désire que ce soyent tousjours les premières nouvelles quand on me fera ce bien de m’escrire. Constantijn vraagt om op de hoogte gehouden te worden, maar Catharina is in de tussentijd al overleden, op 18 juni.[8]

Een vreemde reactie

Constantijn bevindt zich ver van zijn familie en vrienden in een vreemd land als hij uiteindelijk op 25 juni het bericht krijgt dat zijn zusje niet meer in leven is. Uit zijn brief van 26 juni is op te maken dat hij niet halsoverkop terugkomt naar de Republiek, maar zijn verdriet alleen zal moeten verwerken. Constantijn zou immers nooit op tijd terug kunnen zijn voor de begrafenis. Wanneer afgegaan wordt op de transcriptie van zijn brief, die is opgenomen in de vroeg twintigste-eeuwse editie van de brieven van Constantijn Huygens, bewerkt door J.A. Worp, lijkt het bovendien alsof Constantijn er niet teveel woorden aan vuil wil maken. De editie vermeldt slechts een kort briefje van Constantijn, waarin hij schrijft dat hij zich goed probeert te houden voor zijn omgeving en dat hij niet in Engeland in de rouw wil gaan. Dit lijkt een ietwat koele reactie, zeker gezien de bezorgdheid die blijkt uit zijn eerdere brieven aan het thuisfront. Wanneer de scan van de originele brief (te vinden in de Koninklijke Bibliotheek) erbij wordt gepakt, blijkt de situatie toch iets anders te liggen.

Nooit aan tafel een brief openen

In Constantijns originele brief is te lezen dat hij de brief van zijn ouders rond 8 uur ’s avonds tijdens het diner heeft ontvangen, en dat hij hiervan heeft geleerd nooit meer brieven te openen aan tafel: ‘Pour m’enseigner, je croy, de n’ouvrir jamais plus des lettres à table.’ Ook schrijft hij dat het nieuws hem ontzettend zwaar valt, zeker nu hij in een ‘vreemd land’ en zo ver van zijn ‘trouwe vrienden’ is, maar dat hij zichzelf probeert voor te houden dat het Gods wil is: ‘j’ay dit à par moi sa volonté soit faicte o Eternel’. Ook laat Constantijn weten dat hij wat tijd voor zichzelf heeft moeten nemen omdat hij weer hevige aanvallen van melancholie heeft gekregen: ‘Cependant Dieu sçait la résolution que j’ay prise de bon heure de faire teste aux plus violents assauts de la mélancholie à laquelle naturellement je me trouve fort enclin, quelque mine extérieure que je face devant le monde.’ Uit zijn oorspronkelijke brief blijkt dus duidelijk dat Constantijn helemaal niet koeltjes reageert op het droeve nieuws, maar dat het overlijden van Catharina hem zeer heeft geraakt.

Fragment brief Constantijn Huygens aan zijn ouders, 1 juli 1618, Koninklijke Bibliotheek, KA 49-1, 41.

Bijzonder ongepast

Toch zit de ietwat selectieve transcriptie in J.A. Worp’s editie er niet helemaal naast. Constantijn probeert zich inderdaad goed te houden tegenover zijn omgeving en wil wachten met het in de rouw gaan: ‘jusqu’à tant que je revienne au Pays Bas […] ou au moins jusqu’à sur la fin de mon partiment’. In de originele brief legt hij echter wel uit waarom hij hiervoor kiest. Hij schrijft dat hij het bijzonder ongepast (‘entièrement hors de propos’) zou vinden om in rouwkleding te paard door Engeland zou reizen. Bovendien, merkt hij op, zou hij zo de hele wereld laten weten dat hij vijftig mijlen (een mijl is een ‘klein uur gaans, rond de vier kilometer) verderop een dode zuster heeft: ‘Aussi bien qu’est-il besoin que tout le monde sçache par deça que j’ay une sœur morte à cinquante lieues d’ici.’ Uit een brief van een kleine week later, 1 juli, blijkt dat zijn nieuwe vrienden in Engeland het daarmee eens zijn: ‘Pour des habits de dueil, chascun me conseille de ne m’en donner peine tant que je seray ici, mais bien qu’au partir je me pourvoye de quelque honeste accoustrement, à quoy les estofes se trouvent icy fort propres.’ Wanneer hij vertrekt, zal Constantijn alsnog zijn rouwkleding aantrekken.

Roosje Peeters, 4 maart 2022

In de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven wordt veel aandacht besteed aan Constantijns verblijf in Engeland en ook aan zijn hechte familierelaties.


[1] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 63.

[2] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103.

[3] Ibidem.

[4] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 23.

[5] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103.

[6] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103-104.

 [7] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 23.

[8] J.A. Worp, De briefwisseling van Constantijn Huygens, Eerste deel, Rijks Geschiedkundige Publicatieën 15 (Den Haag 1911) 24.

De Orde van de Vrolijkheid

Verborgen in een voetnoot in een negentiende-eeuwse uitgave over Christina van Zweden staat een opmerkelijke verwijzing naar een archiefstuk.[1] Het document met de titel Institution de l’Ordre de l’Union de la Joye bevindt zich bij Koninklijke Verzamelingen in het archief van Amalia von Solms (1602-1675), echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647). Het heeft echter niets met Amalia van doen, want het was bedoeld voor haar schoonzoon Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664), de stadhouder van Friesland. De statuten van de Ordre de l’Union de la Joye (de Orde van de Vrolijkheid) vormen een belangrijke aanwinst voor onze kennis van het culturele leven in Holland omstreeks 1650. Er was van deze orde tot dusverre niet meer bekend dan enige verwijzingen ernaar in de correspondentie van Constantijn Huygens en Johan de Witt. Deze verwijzingen werden reeds in de negentiende en begin twintigste eeuw door J.L. ter Gouw, C.A. van Sypestein, R. Fruin en J.A. Worp gepubliceerd, maar zij wisten van het bestaan van de statuten niets af.

De stichtster van de Orde

In 1867 maakte J.L. ter Gouw in het Jaarboekje voor Nederlandsche Vrijmetselaren voor het eerst melding van de Ordre de l’Union de la Joye.[2] Ter Gouw vermoedde dat de stichtster van de Orde, een zekere Madame de Slavata, een Boheemse dame was. C.A. van Sypestein identificeerde haar echter twee jaar later terecht als Amélie van Brederode, barones van Slavata.[3] Amalia Margaretha van Brederode (geb. 1625 of 1626 – 1665) was een van de vijf dochters van Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), voorzitter van de Ridderschap van Holland, en Anna Johanna van Nassau-Siegen (1594-1636). Na het overlijden van Amélie’s moeder hertrouwde Johan Wolfert in 1638 met Louise Christine van Solms (1606-1669), een zuster van Amalia van Solms. Het bruiloftsfeest – waarbij de ongeveer dertienjarige Amélie ongetwijfeld aanwezig zal zijn geweest – duurde twee weken. Het werd opgeluisterd met toernooien, balletten, toneelvoorstellingen, maskerades en andere feestelijkheden. Door dit tweede huwelijk van haar vader kreeg Amélie nog eens zeven halfbroers en –zusters.[4]

De familie Van Brederode woonde afwisselend op het huis ter Cleef bij Haarlem, op het kasteel Batestein in Vianen, op de kastelen Petershem en Fauquemberg bij Maastricht, en in Den Haag, eerst aan de Lange Vijverberg en vanaf 1652 in de Hof van Brederode. Zij kreeg voortdurend logees uit de hoogste kringen: hoge adellijke militairen uit binnen- en buitenland en andere edelen en vooraanstaande personen. Ook prins Willem II (1626-1650) en de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz kwamen er graag over de vloer. Er werd gejaagd en gevist, gezongen en gedanst, maar ook veel gedronken, gekaart, zwaar gegokt, gebabbeld en geroddeld. Nadat Willem Frederik eerst een relatie met de oudste zuster Sophie (1620-1678) had gehad, kreeg hij in 1648 een verhouding met Amélie’s jongste zusje Anna Trajectina (1629-1672), ook wel ‘Treesje’ genoemd. Hij maakte zich in zijn dagboek geregeld zorgen dat hij ‘L’ – dit was de codenaam die hij haar had gegeven – zwanger had gemaakt en voelde zich daarover schuldig: ‘ick heb het niet kunnen laeten te doen’.[5]

In 1645 trouwde Amélie van Brederode met Albrecht Hendrik, baron van Slavata (gestorven 1660), wiens vader in het gevolg van de uit Bohemen verdreven Winterkoning in 1620 naar de Republiek was gekomen. In 1646 kreeg Slavata een aanstelling als majoor in het regiment cavalerie van de burggraaf van Machault en in 1651 werd hij benoemd tot commandeur van Geertruidenberg. Met haar echtgenoot verbleef Amélie vaak bij haar vader en stiefmoeder in de Hof van Brederode, op de hoek van de Lange Houtstraat en het Korte Voorhout in Den Haag, waar nu de Koninklijke Schouwburg staat. Dit huis werd in 1652 in gebruik genomen met een luisterrijk, acht dagen durend feest, waarbij de gehele elite aanwezig was. Van Sypestein vermoedt dat bij deze gelegenheid het idee is geboren om de Ordre de l’Union de la Joye op te richten.[6] Dat lijkt bij gebrek aan andere aanwijzingen een plausibele datering.

Kaart van Den Haag met in het omcirkelde gebied de locatie van de Hof van Brederode

Afgaand op een gedicht van Mathieu de Montreuil (1620-1692) had Amélie van Brederode kennelijk ook een reputatie buiten de grenzen van de Republiek. Deze Franse dichter en geestelijke schreef galante, soms pikante verzen. In één daarvan waarschuwt hij zijn publiek voor de Madame de Slavata, oftewel Amélie van Brederode:

Ma Mère, en partant de Paris
Pour m’en venir dans la Hollande
Me dit: Savez vous bien, mon fils,
En vous disant adieu, ce que je vous commande?
Gardez-vous bien de jeux, de dez et de pipeurs,
De vin, de maladie, et de gens querelleurs;
Ce sont là tous les maux capables de vous nuire
A deux fois par ses doigts elles les raconta
Hélas! Elle oublia le pire:
Gardez-vous bien surtout, me devoit-elle dire,
De Madame de Slavata.[7]

‘Ze had me moeten zeggen: kijk uit voor mevrouw van Slavata’. Van Sypestein wilde de laatste zinnen van dit gedicht niet geloven, volgens hem omdat Amélie zich in haar brieven aan Johan de Witt ‘in de meest hartelijke bewoordingen over haren man uitlaat’. [8]

Amalia Margaretha van Brederode, door Gerard van Honthorst, ca. 1650, Museum Schloss Mosigkau

Na 1655 zwijgen de bronnen over Amélie van Brederode en haar Orde. Er is nog een brief van Johan de Witt van 3 november 1660 waarin hij haar condoleert met het overlijden van haar man, de baron van Slavata.[9] Eind 1662 hertrouwde zij met Karl Gottlieb Amadeus (1630-1695) rijksgraaf van Windischgrätz, en vertrok naar Bohemen. Amélie overleed in 1665 na een val van haar paard.

De statuten van de Orde

De Ordre de l’Union de la Joye stond blijkens de statuten open voor mannen én vrouwen. Amélie van Brederode vervulde de rol van grootmeesteres (Grande Maîtresse) en haar jongste zus Anna Trajectina (Treesje) – de ‘L’ van de Friese stadhouder Willem Frederik – die van assistente (Coadjutrice). De chevaliers en chevalières van het genootschap hadden hun eigen reglement, medailles, ceremonieën en diploma’s.

Kort samengevat en uit het Frans in het Nederlands vertaald verliep de toelatingsceremonie als volgt:

Het aspirant-lid kreeg, staand op één been, een knip voor de neus van de grootmeesteres of haar assistente, terwijl met een opgestoken linkerpink de eed werd afgelegd. Terug op twee benen maakte hij of zij vervolgens een buiging naar voren en naar achteren. Terwijl ze de betrokkene in de beide wangen kneep om de toelating tot de Ordre de l’Union de la Joye te bevestigen, kuste de grootmeesteres of haar assistente de chevalier of chevalière. Ten slotte maakten zij samen een sprongetje en sloten zij al trippend als een mus de ceremonie af.

De statuten bevatten elf artikelen die Vrolijkheid (Joye) moesten waarborgen:

  1. Het is van het allergrootste belang dat de Vrolijkheid onder alle omstandigheden wordt gehandhaafd.
  2. Men hoort dagelijks een liedje te zingen, desnoods heel zachtjes.
  3. Iedereen wordt geacht, wanneer men althans niet verder dan 20 mijl van haar vandaan woont, de grootmeesteres minstens één keer per jaar te bezoeken en haar op de hoogte te brengen van recente komische voorvallen.
  4. Iedereen die het kan, behoort te dichten om er de anderen mee te vermaken.
  5. Indien mogelijk moet men de grootmeesteres minimaal één keer per semester schrijven.
  6. Zodra er ergens vier of meer chevaliers bijeen zijn, moeten zij minimaal een keer een tricotets (een vrolijke snelle dans) dansen.
  7. Men dient elkaar broederlijk op de hoogte houden van alle vermakelijke nieuwtjes.
  8. Men mag alleen maar zaken te berde brengen die schaterlach zullen veroorzaken, en alleen de grootmeesteres bepaalt of dat inderdaad zo is.
  9. Slechte herinneringen, huidige ongemakken en de vrees voor toekomstige tegenslagen moeten uit ieders hoofd worden gebannen.
  10. Ruzies, geschillen, wrok, jaloezie en geroddel die alle strijdig zijn met de beginselen van de Orde zijn verboden.
  11. Verdriet om het overlijden van een chevalier of chevalière mag men slechts uiten door het slaken van een zacht ‘helaas!’. Ten teken van rouw mag men niet langer dan negen dagen een zwart met roze afgezet lintje dragen.

Degene die deze wetten belooft te gehoorzamen zal worden vereerd met een bijzonder privilege. Maar degene die de wetten niet naleeft, zal op een stoel bij een open deur worden gezet, opdat hij of zij een flinke verkoudheid zal oplopen. Aldus de statuten van de Orde.

Vermaak en scherts waren blijkbaar het hoofddoel van de Orde: dansen, lachen, lol en plezier in plaats van ruzie, conflict, chagrijn en weemoedigheid. De Tachtigjarige oorlog was net voorbij, een tijd van bloedige strijd die internationaal was uitgevochten. Er was een besef van: dat nooit meer, en wellicht lag dit besef mede ten grondslag aan de oprichting en de bezigheden van de Orde. Over de feesten van de Orde zijn weinig gegevens beschikbaar, alleen een brief van Johan de Witt – over zijn lidmaatschap van de Orde hierna meer – aan Sophia Margaretha van Nassau-Siegen (1610-1665) biedt mogelijk een aanknopingspunt. Johan de Witt (1625-1672) was als raadpensionaris van Holland een van de machtigste mannen in de Republiek. Sophia Margaretha was een zuster van Johan Maurits van Nassau-Siegen, bijgenaamd ‘de Braziliaan’, en een halfzuster van de moeder van Amélie van Brederode. De Witt en Margaretha correspondeerden in de periode 1653-1654 geregeld, en het onbekende voorwerp dat De Witt aan Margaretha ontfutselde, wijst wel enigszins in de richting van een intiemere relatie: ‘ … dat, waarvan ik u beroofde in de nacht van plezier [‘nuict de joye’] die wij onlangs samen doorbrachten, zal ik altijd bewaren en koesteren’ .[10] Men zou uit deze zinsnede kunnen concluderen dat De Witt hier op een feestavondje van de Ordre de l’Union de la Joye doelt.

Chevalier Constantijn Huygens

Ook Constantijn Huygens heeft zich tot Amélie van Brederode gewend met een verzoek om toelating tot haar Orde. In een brief van 5 juli 1653 installeert zij hem – met een gedicht en een medaille – als ‘très digne Chevalier’ van haar Orde. Het is dat Constantijns zoon Christiaan (1622-1693) op de brief aantekende ‘Lettre de Mme Slavata à mon père en luy envoyant l’Ordre’, anders had men niet zo snel gedacht aan de vader als de ontvanger van de brief. Van Sypestein meent – ons inziens ten onrechte, omdat vader Constantijn op zijn tijd ook best van een verzetje hield – dat men:

… anders eer zou denken, dat zijn oudste zoon Constantijn de gelukkige was, daar deze toen 25 jaren oud, een vrolijke gast, een goed danser en een trouwer bezoeker was van de feesten bij Brederode, dan zijn vader, die toen reeds 57 jaren oud, bovendien overstelpt was met werkzaamheden.[11]

Huygens bedankt Amélie nog dezelfde dag met een gedicht waarin hij zijn diensten aanbiedt als knechtje van de koksjongen (‘valet du marmiton de l’Ordre’), het laagste van het laagste. [12]

À sa Gayeté la Grande Maistresse’ Constantijn Huygens, Geertruidenberg 5 juli 1653, Koninklijke Bibliotheek, KA 41, 204.

Ook Christiaan en Constantijn junior, de zonen van Constantijn Huygens, waren lid van de Orde. Omdat de portretten van Amélie en haar zusje Anna Trajectina deel uitmaken van de ‘schoonhedengalerij’ van Maurits Lodewijk van Nassau-Beverweerd (1602-1665), de buitenechtelijke zoon van prins Maurits en Margaretha van Mechelen, is het niet denkbeeldig dat ook Nassau-Beverweerd lid van de Orde was. Als dat inderdaad het geval is, zou deze portrettencollectie de sleutel kunnen zijn voor de identificatie van de leden van de Orde.[13]

Chevalier Johan de Witt

Diploma van Johan de Witt van de Ordre de l’Union de la Joye , NA, Collectie De Witt-Gevaerts 3.20.66.02, 7

Johan de Witt behoorde eveneens tot de leden van de Orde, want hij heeft op 23 februari 1653 het diploma met het lidmaatschap gekregen.[14] Van Sypestein meldt in dit verband over De Witt:

Gewoonlijk stelt men zich den grooten Raadpensionaris de Witt voor, als een bij uitnemendheid stijf, ongezellig, deftig en ingetogen geleerde, die zich uitsluitend met staatszaken bezig hield, en wien het te gering was, zich met de dagelijksche zaken en de genoegens van het gezellig verkeer in te laten. Die opvatting is echter ten eenemale onjuist, want, ofschoon de jeugdige Johann de Witt, toen reeds in 1652, werd geroemd als een bij uitstek kundig Advocaat en zich ook als wiskunstenaar grooten naam had weten te verwerven, was hij tevens een alleraangenaamst gezellig mensch, die zooveel mogelijk bij de feesten, waarop hij werd genoodigd, tegenwoordig was, die iedereen innam door zijne wellevend en aangename vormen, en wiens gezelschap, zoowel om zijne hoedanigheid van goed danser, als van ervaren beoefenaar der muzijk – hij bespeelde de viool – zeer gezocht was. In 1653, toen hij reeds Raadpensionaris was, schreef hij onder anderen, als antwoord op eene uitnoodiging om eene bruiloft bij te wonen, dat hij vreesde, door zijne ‘serieuse occupatien’ daarin te worden belet en dit zeer betreurde, daar hij naar zulk een feest ‘snackte als een vischje naer ’t waeter’.[15]

Er bevinden zich twee brieven van Amélie van Brederode aan Johan de Witt in diens archief. [16] In de eerste brief van 30 september 1653 vraagt zij om voorspraak voor een niet nader genoemd persoon. Op 10 oktober 1653 antwoordt De Witt gespeeld onderdanig dat hij vereerd is met het geluk dat hem is overkomen dat hij ridder van haar Orde mocht worden en dat hij al haar bevelen gehoorzaam zal opvolgen. In het naschrift doet hij de speciale groeten aan haar zusjes, en wel speciaal aan Anna Trajectina, de assistent-grootmeesteres. In haar tweede brief van 16 januari 1654 vraagt Amélie De Witt of hij het verlof van haar man, de baron van Slavata, wil verlengen. Nog dezelfde dag antwoordt De Witt positief. Misschien aangemoedigd door het naschrift dat Amélie er aan toevoegt waarin ze Johan de handkussen van haar zusje en van haarzelf aan hem overbrengt, antwoordt De Witt geheimzinnig in zijn naschrift dat het niet nodig is dat Amélie zijn handkussen aan haar zusje stuurt. In gedachten is hij namelijk altijd bij haar, hoewel zijn lichaam door een krachtig obstakel van haar verwijderd blijft. [17]

Amalia Margaretha van Brederode aan Johan de Witt, 10 januari 1654, NA, Archief Johan de Witt 3.01.17, 2232

De brieven zijn een bevestiging van het feit dat Johan de Witt, ook toen hij al raadpensionaris was, nog steeds banden had met deze Orde. Amélie maakt hier immers melding van en vraagt zich tegelijkertijd af of dat eigenlijk wel is toegestaan gezien zijn functie.[18] We moeten niet vergeten dat Johan op dat moment een 27-jarige jongeman was en het vast erg leuk vond om in de aandacht te staan bij de twee aantrekkelijke dames. Bovendien waren zijn lidmaatschap en deelname aan de activiteiten van Orde voor hem een manier om op een informele manier te ‘netwerken’ met de elite van de Republiek.

Chevalière Christina van Zweden

De Ordre de l’Union de la Joye telde zelfs een voormalige koningin onder haar leden, namelijk Christina van Zweden (1628-1689). Toen Christina in 1655 te Brussel verbleef – ze had het jaar ervoor afstand gedaan van de Zweedse kroon – was Amélie van Brederode enige dagen haar gast. Raimundo vorst van Montecuccoli (1608-1681), keizerlijk ambassadeur bij Christina, deed hierover verslag in zijn dagboek, en hij schreef zelfs enkele gedichten over de wonderschone ogen van de barones van Slavata.[19]

Christina van Zweden door Robert Nanteuil naar Sébastien Bourdon, 1654, Rijksmuseum

Amélie zelf bericht op 20 augustus 1655 uit Den Haag over haar kennismaking met Christina in een lange brief aan haar ‘neef’ Christophe Delphicus, graaf van Dohna (1628-1668), ook ridder van haar Orde.[20] Eerst wijst Amélie Dohna terecht omdat hij zich niet aan de regel van de Orde heeft gehouden haar één keer per semester te schrijven. Vervolgens vertelt ze hem dat ze Christina van Zweden eerst heimelijk vanuit het struikgewas had bespied om later te worden opgehaald en aan haar te worden voorgesteld. Daarna nodigde de koningin Amélie uit haar enkele dagen gezelschap te houden. De dames waren zo ingenomen met elkaar dat ze tot elkaars Orde toetraden: Christina was namelijk grootmeesteres van de Ordre de l’Amarante. Ook liet de koningin een schilder – een zekere Ventier – komen om ter plekke een portret van Amélie te maken en zij schonk haar twee portretten van zichzelf. Christina wil Amélie zelfs mee naar Rome nemen en haar voor altijd bij zich houden. Het speet Amélie Christina te moeten zeggen dat dat echt niet mogelijk was, en de koningin had er gelukkig alle begrip voor dat de barones in haar eigen land ook veel verplichtingen had. Na een gezamenlijk bezoek aan een theatervoorstelling vertrok Amélie weer huiswaarts.[21]

Navolging

Béatrix de Cusance, door Justus van Egmont, ca. 1655, Wikimedia Commons.

De Ordre de l’Union de la Joye kreeg al snel navolging, want in 1653 richtte Béatrix de Cusance hertogin van Lotharingen (1615-1663) ook een orde op, namelijk de Ordre du Marteau de Clavecin (de Orde van de Klavecimbelhamer). Béatrix was een goede vriendin van Constantijn Huygens. Constantijn had haar over de Orde van Amélie geschreven en haar kopieën van de stukken van de Orde gezonden en in zijn brieven verslag gedaan van wat men daar zoal deed. Op 24 juli 1653 schrijft hij

U zult hierin grappige schertsgedichten aantreffen, en zodanig in overeenstemming met uw mooie inborst dat het naar mijn mening heel jammer is dat anderen u met dit plan zijn voor geweest, aangezien er niemand is aan wie het grootmeesteresseschap van deze orde meer toebehoort dan aan u en er niemand is die beter in staat is de bijbehorende voorschriften met welwillendheid te handhaven.

Béatrix liet Huygens vervolgens door hun wederzijdse muziekvriend Diego Duarte, koopman te Antwerpen (1612-1691), met haar brief van 17 augustus 1653 een gouden klavecimbelhamertje bezorgen en zij benoemde hem tot lid van haar eigen Orde.

Wat de hamer betreft die ik u heb gezonden via de zoon van de waarde [Gaspar] Duarte, deze is voor uw dierbare vriendin mejuffrouw [Maria] Casembroot [in het oorspronkelijke Frans gespeld als Guaissenbrote]. Ik weet niet of u deze zo slecht gespelde naam goed begrijpt, maar ik ken het Vlaams niet beter. Tenslotte is het voldoende dat u instaat voor haar verdienste om daaraan te geloven zonder die te hebben gezien; en de bijgevoegde hamer is voor u. Aldus ontvangt u deze rechtstreeks van mij zoals u wilde, met de verzekering dat ik met vreugde tekenen van herinnering aan u en de nieuwtjes van uw hof ontvang, terwijl ik gelegenheden zal scheppen om u te betuigen dat ik zeer dankbaar ben en voldaan over alle goedheden die u bewijst aan haar, die u deze hamer zendt als teken van de blijvende vriendschap-tot-de-dood voor de muziek.

Daar moest Constantijn natuurlijk weer overheen met een gedicht, getiteld: À Madame de Lorraine sur son Ordre du Marteau de clavecin. Raillerie.[22] Vervolgens bedankt hij haar in zijn brief van 28 augustus 1653 nogmaals voor het hamertje.

Beatrix vond het prachtig en schrijft Constantijn op 6 september 1653:

U zult wel weten dat ik veel verschillende narigheden heb gehad sedert uw vertrek van hier, waardoor ik geen tijd heb gehad om u te zeggen dat ik uw brieven met al die zaken betreffende uw Orde van de Vrolijkheid heb ontvangen, die ik met veel genoegen en luid lachend heb gelezen, alsof ik die hele mooie ceremonie had gezien, die zo goed gevonden is en uitgedacht als maar mogelijk is.

Béatrix de Cusance aan Constantijn Huygens, 6 september 1653, Koninklijke Verzamelingen Den Haag, Archief Constantijn Huygens, G1-9.1

Tot besluit

Historici hebben tot nog toe niet bepaald gunstig geoordeeld over Amélie van Brederode en haar Orde van de Vrolijkheid. Fruin noemde het gezelschap weinig complimenteus ‘Haagsche pretmakers uit de groote wereld’ en sprak het vermoeden uit dat De Witt vooral tot de Orde is toegelaten

… dankzij zijn invloed in de Statenvergadering. Herhaaldelijk riepen de dames zijne voorspraak in, wanneer zij zich voor zich zelve of voor een beschermeling een gunstbetoon van de Staten verlangden. [23]

Verder merkte hij bij de brieven van De Witt aan Sophia Margaretha van Nassau op:

Deze brieven doen ons den jongen Raadpensionaris als hoveling en hofmaker kennen. Van Sijpesteyn […] houdt het niet voor onmogelijk, dat De Witt aan een huwelijk met Margaretha van Nassau gedacht heeft! Wij achten deze onderstelling ten enenmale verwerpelijk. De galante toon zijner brieven was in de kringen der ‘Union de la Joye’ gebruikelijke. De Witt bewees er mede, dat hij, zooals de freule van Nassau schrijft, was ‘aussy parfait courtisan que polecticque’. Zoodra hij eene vrouw zocht, sloeg hij het oog niet op eene arme gravin van Nassau, die vijftien jaren ouder was dan hij en wier familie hem van weinig dienst kon zijn, maar op eene jonge, rijke, Amsterdamsche patricische, verwant aan de regeerende families der hoofdstad.[24]

Dat Fruin niet alle correspondentie tussen Amélie van Brederode en De Witt heeft opgenomen, zegt genoeg over zijn houding ten opzichte van dit type geschiedschrijving. Van Sypestein had duidelijk meer interesse voor het alledaagse vermaak en nam de hem bekende correspondentie over de Orde dan ook volledig op. Ook in de modernere historiografie wordt doorgaans niet bijster positief over de Orde geoordeeld. Zo merkt Jacob Smit in zijn publicatie op dat een dergelijk gezelschap de toen 57-jarige Constantijn Huygens noch raadpensionaris De Witt echt paste. [25] Elisabeth Keesing laat zich eveneens laatdunkend uit over de Ordre de l’Union de la Joye. Zij noemt Amélie van Brederode een vrouw van het ‘krampachtiger soort’ en vermoedt dat achter ‘die dik opgelegde vrolijkheid’ wanhoop school, omdat het land in oorlog was en de handel stil lag.[26]

Op de hedendaagse lezer zal het reglement tamelijk oubollig en gekunsteld overkomen. Als we onszelf proberen voor te stellen hoe het er aan toe is gegaan, komen er Monty Python-achtige taferelen voor de geest, waarbij we ons mensen als Johan de Witt en Constantijn Huygens voorstellen die, op één been staande met opgestoken linkerpink de gelofte afleggen om tot de Orde te mogen worden toegelaten. Het gaat echter te ver om Amélie van Brederode en haar Orde negatief te beoordelen. Zij toont ons met haar activiteiten juist een geheel nieuw aspect van het sociale leven van de elite in Holland omstreeks 1650. Er kan zich in Holland een vervrouwelijking van de omgangsvormen hebben voorgedaan, misschien overgewaaid uit Parijs. Een generatie eerder, ten tijde van militaire houwdegens als stadhouder prins Maurits, had een dergelijke orde niet kunnen bestaan. Ook leren we grootheden als Huygens en De Witt door de Orde juist nu eens van een geheel andere, meer persoonlijke kant kennen. Bovendien bewijzen Christina van Zweden en Béatrix de Cusance met hun Ordes dat het oprichten en onderhouden van een eigen orde bon ton was onder adellijke vrouwen in het midden van de zeventiende eeuw.

De opgedoken statuten hebben onze kennis over de Ordre de l’Union de la Joye enigszins vergroot, al het blijft door gebrek aan aanvullende gegevens onzeker in hoeverre de regels ook werkelijk werden toegepast. Het beschikbare bronnenmateriaal is te schaars om op deze vraag afdoende antwoord te kunnen geven. Er is dan ook meer onderzoek nodig. De archieven met correspondenties van de Hollandse elite en wellicht daarbuiten zouden systematisch moeten worden doorgenomen. Ook zou moeten worden nagegaan of Amélie’s eigen archief zich wellicht ergens in Duitsland of in een voormalig Oostblokland bevindt. Pas dan kan een vergelijkend onderzoek van de Ordre de l’Union de la Joye met de activiteiten van andere elitaire genootschappen in West-Europa in het midden van de zeventiende eeuw worden uitgevoerd. [27]

Ineke Huysman, 14 juni 2020


[1] Charles de Burenstam, La reine Christine de Suède à Bruxelles et à Anvers (Brussel 1891) 121.

[2] J.L. ter Gouw, ‘Eene merkwaardigheid betreffende Constantijn Huygens’, in: Jaarboekje voor Nederlandsche vrijmetselaren 1867 5867 (Amsterdam 1867) 271-275.

[3] C.A. van Sypestein, ‘Johan de Witt in zijne betrekking tot den veldmaarschalk Brederode, tot de freule Margaretha van Nassau en tot l’Ordre de l’Union de la Joye (1653-1655)’, Vaderlandsche Letteroefeningen (1869) 431-434.

[4] A.W.E. Dek, ‘Genealogie der Heren van Brederode’, Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie (1959) 139-142.

[5]  Gloria Parendi. Dagboeken van Willem Frederik stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe 1643-1649, 1651-1654, J. Visser ed. (Den Haag 1995) 685.

[6] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 431.

[7] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 435.

[8] Ibidem.

[9] Nationaal Archief (NA), Archief Johan de Witt 3.01.17, 9, fol. 426.

[10] Brief van Johan de Witt aan Sophia Margaretha van Nassau 14 maart 1654 ,NA, Archief Johan de Witt, 3.01.17, 3, fol. 174.

[11] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 431.

[12] J.A. Worp (ed.), De gedichten van Constantijn Huygens (1607-1687) V (Groningen 1895) 43-44.

[13] M.E. Tiethoff-Spliethoff, ‘Twee zeventiende-eeuwse schilderijenreeksen van Beverweerd’, Antiek (1981) 383-390.

[14] NA, Collectie De Witt-Gevaerts 3.20.66.02, 7.

[15] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 426.

[16] NA, 3.01.17, 2232.

[17] NA, 3.01.17, 3, fol. 42.

[18] NA, 3.01.17, 2232.

[19] Raimundo Montecuccoli, Alois Veltzé (ed.),  Ausgewaehlte Schriften des Raimund Fürsten Montecuccoli III (Wenen-Leipzig 1899-1900) 194.e Witt, I, 270.

[20] Charles de Burenstam, La reine Christine de Suède à Bruxelles et à Anvers (Brussel 1891), 121-139.

[21] Ibidem.

[22] Worp, Gedichten Huygens V, 45.

[23] Fruin, Brieven van Johan de Witt, I, 268.

[24] Ibidem.

[25] Jacob Smit, De grootmeester van woord- en snarenspel. Het leven van Constantijn Huygens 1596-1687 (Den Haag 1980) 246.

[26] Elisabeth Keesing, Het volk met de lange rokken. Vrouwen rondom Constantijn Huygens (Amsterdam 1987) 136.

[27] Dit artikel is een bewerking van een artikel dat eerder in uitgebreidere vorm verscheen in: ‘Haagse pretmakers uit de groote wereld’. L’Ordre de l’Union de la Joye omstreeks 1650″, gepubliceerd in Eef Dijkhof, Michel van Gent (red.) Uit diverse bronnen gelicht. Opstellen aangeboden aan Hans Smit. Met dank aan Jos Gabriëls voor de vertaling van de statuten van de Ordre de l’Union de la Joye.