Huygens’ draaier, un homme de rares qualités   

In liefst zestien brieven die Constantijn Huygens en René Descartes met elkaar wisselden tussen 1635 tot 1640 duikt een persoon op die steevast wordt aangeduid als de ‘tourneur d’Amsterdam’.[1] Het gaat dan om de ambachtsman die door Huygens werd betaald om de lenzenslijpmachine te bouwen die Descartes had ontworpen en beschreven in La Dioptrique (behorend bij het Discours de la méthode, 1637).

Machine om lenzen te slijpen. Descartes, La Dioptrique, p. 144, in Discours de la méthode (Leiden, 1637). München, Bayerische Staatsbibliothek.

Doorlopend bespreken Huygens en Descartes de voortgang, de problemen en de resultaten van het project, en Descartes zocht de vakman ten minste één keer op om het werk te bekijken.[2] Ondanks de gezamenlijke inspanningen lijkt het in 1639 duidelijk dat de onderneming geen echt succes is, en daarna wordt de persoon in kwestie nauwelijks meer in de briefwisseling genoemd.[3]

De identiteit van de ‘tourneur’ of draaier kon tot op heden niet met zekerheid worden vastgesteld, al bestond er een vermoeden. Nu veel archivalische bronnen op internet doorzoekbaar zijn, was het mogelijk om dat vermoeden te testen. Het digitaal doorspitten van archieven en bibliotheken bleek meer dan de moeite waard, en de resultaten leggen we hieronder vast. We weten nu zeker wie de draaier van Huygens was, en dus wie er in al die brieven bedoeld werd. We konden ook een klein mysterie ontrafelen: de laatste brieven over de ambachtsman laten zien dat Huygens en Descartes zich inspanden om hem aan een betrekking helpen, maar tot nu toe was het onduidelijk waar dat over ging. De kers op de taart van dit onderzoek is misschien wel dat de draaier van Amsterdam nog over een andere en onverwachte vaardigheid bleek te beschikken, die hem in dienst van de Prins van Oranje bracht.

Het vermoeden

Er zijn verschillende vermoedens geuit over de identiteit van de ambachtsman, en er bestaat enige consensus — als men die term mag gebruiken, gezien de beperkte aandacht die deze kwestie heeft gekregen — over een mogelijke kandidaat. Ongeveer negentig jaar geleden vond Willem Ploeg in een verzameling papieren van Constantijn Huygens de naam van een zekere meester Paulus Claesz van Arnhem. Hij zou een ‘draeyer’ (tourneur) zijn, van wie schetsen van ornamenten en diverse recepten voor de verfraaiing ervan in het manuscript zijn aangetroffen, gedateerd 4 en 8 januari 1639.[4]

Daarnaast vermeldde Christiaan Huygens in 1653 een lenzenslijper genaamd ‘meester Paulus’, mogelijk dezelfde Amsterdamse ambachtsman.[5] Aangezien dat dit alles was wat bekend was, lijkt Ploegs bewering, dat het ‘niet te gewaagd is te veronderstellen’ dat meester Paulus de draaier van Huygens is, nogal gedurfd.[6] Maar het blijkt dat hij gelijk had. Voorheen ontbrak aanvullende informatie die meester Paulus verbonden met de houtdraaier. Die lacune is nu echter gedicht, mede dankzij de archiefbronnen die tegenwoordig online beschikbaar zijn. Het hulpprogramma Trankribus, dat het Stadsarchief Amsterdam en Het Utrechts Archief aanbieden, was uitermate nuttig. De identificatie verloopt hieronder in drie stappen, die ons langs drie verschillende steden voert, namelijk Amsterdam, voor de broodnodige biografische gegevens, Leiden, met betrekking tot het baantje dat Huygens en Descartes voor de draaier wilden regelen, en tenslotte Breda, waar meester Paulus in dienst trad van de Prins.

Paulus Claesz van Arnhem, een Amsterdamse draaier

Uit diverse notariële akten en andere archiefbescheiden kunnen we de volgende informatie over Paulus Claesz van Arnhem destilleren. De vroegste vermelding tot nu toe is de aankondiging van zijn huwelijk met Josijntje Jans (Bosmans) in Amsterdam in 1630.[7] Het register vermeldt dat hij van beroep ebbenhoutdraaier is, afkomstig uit Utrecht, en dat zijn eerste vrouw, Lysbeth Jans, was gestorven. Josijntje was afkomstig uit Haarlem. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, die tussen 1632 en 1653 in Amsterdam werden geboren, maar slechts twee zoons bereikten de volwassenheid.[8] Twee notariële akten uit november 1656 en november 1667 vermelden zijn leeftijd als respectievelijk 50 en 60 jaar, zodat hij rond 1607 geboren moet zijn.[9] Hij stierf in 1671.[10]

Zijn voornaam Paulus wordt soms geschreven als Pauls of Pouwels. Zijn patroniem Claesz of Claessen (‘zoon van Claes’) wordt in de meeste gevallen vermeld. Vaak geeft hij de familienaam Van Arnhem, maar we vinden ook de familienaam Cleijn, en deze laatste lijkt in de loop der tijd de voorkeur te hebben gekregen. Bij vergelijking van al deze documenten kan er geen twijfel over bestaan dat we met één en dezelfde persoon te maken hebben. Veel documenten vermelden dat Paulus Claesz draaier was, en zodoende is het heel goed mogelijk dat het om dezelfde persoon kan gaan wiens schetsen in Huygens’ papieren worden gevonden. Maar is hij ook de ‘tourneur d’Amsterdam’ uit de brieven tussen Descartes en Huygens?

Een betrekking in Leiden

De laatste vermelding van de ‘draaier van Amsterdam’ in de Descartes-Huygens-correspondentie biedt een cruciaal aanknopingspunt. In juli 1640 deden Descartes en Huygens een poging om voor de tourneur een betrekking in Leiden te regelen. Op 24 juli schreef Huygens aan Descartes vanuit het legerkamp te Reek (nabij Grave):

Mijnheer,

De brief die u mij ten behoeve van onze draaier [tourneur] heeft willen schrijven, bereikte mij nabij Hulst, juist toen ik op het punt stond in allerijl te vertrekken voor een reis die Zijne Hoogheid mij in zijn dienst naar Den Haag had opgedragen; aangezien de wind en het getij mij gunstig gezind waren, kostte het mij slechts één dag om heen te reizen en nog een dag om terug te keren. Maar al dit tumult kon mij er niet toe brengen uw opdrachten, die ik zozeer eerbiedig, te doen verwaarlozen. Ik drong er bij de Kapitein van de Garde met klem op aan mij de brief te verschaffen waarom u hem had gevraagd; en de volgende dag bracht ik die zelf naar Den Haag, vanwaar ik hem onmiddellijk naar Leiden zond, in de hoop dat hij daar het beloofde effect zou sorteren.[11]

Constantijn Huygens aan Descartes, 24 juli 1640. Autograaf, Bibl. nat. de France, NAF 23084, fol. 109r. Huygens Briefwisseling, brief n0238 (niet in Worp).

Descartes antwoordde een week later verheugd vanuit Leiden:

Mijnheer,

Het is mij een buitengewone gunst dat u, te midden van zovele uiteenlopende bezigheden en zoveel gewichtige zaken die uw aandacht opeisen, zich nog verwaardigt een zo nutteloos persoon als ik te gedenken. En ik twijfel er niet aan dat de brief die u de moeite heeft genomen ten behoeve van de draaier te bezorgen zijn doel heeft getroffen, maar hij heeft het effect nog niet gevoeld, behalve voor zover de heren van deze stad nog aan niemand de door hem gewenste betrekking hebben gegeven, en de gezichten van hen met wie hij heeft gesproken hem zijn hoop niet hebben ontnomen.[12]

René Descartes aan Const. Huygens, 31 juli 1640. Autograaf, Bibl. nat. de France, NAF 23084, fol. 111r. Huygens Briefwisseling, brief 2464 (Worp, Briefwisseling, dl. 3, p. 73, niet naar de autograaf).

De ambachtsman had zijn oog laten vallen op een betrekking in Leiden — wellicht had Descartes hem erover verteld — en hij vond Descartes bereid om zich voor hem in te spannen. Descartes schreef aan Huygens om van de Kapitein van de Garde van de prins een brief te verkrijgen die de ambachtsman blijkbaar nodig had om de positie te bemachtigen.[13] Eind juli echter hadden de ‘heren van deze stad’ (Leiden) nog geen beslissing genomen. De bewuste betrekking lijkt een openbare functie te zijn geweest, aangezien de stadsbestuurders erover gaan. Als dat klopt, zou het een functie in gemeentelijke dienst of aan de universiteit kunnen zijn.

Paulus Claesz van Arnhem, schermmeester

Een akte van 15 juni 1641, opgemaakt in Leiden, vermeldt een tweede beroep van Paulus Claesz van Arnhem. Hij wordt ‘schermmeester ende kunstdraeyer’ genoemd.[14]

Ondertekening van de notariële akte van 15 juni 1641 door Paulus van Arnhem: ‘by my Pauls Cla[e]ss van Aernem schermmeester ende kunst draeyer’ (Erfgoed Leiden en Omstreken, zie voetnoot 14).

Het beroep van schermmeester wordt in de meeste documenten na juni 1641 vermeld. De handtekening in dit document en die in de hierboven vermelde Amsterdamse documenten zijn duidelijk van één en dezelfde persoon. Meester Paulus was dus niet alleen een bankdraaier die werkte met goud, zilver, ivoor en kostbare houtsoorten, maar ook een schermmeester.

Is het mogelijk de aanwezigheid van Paulus Claesz als schermmeester in Leiden te verbinden met de betrekking die Descartes en Huygens voor de hem probeerden te regelen? In de zomer van 1640 lijkt er een kans voor een schermmeester aan de Leidse universiteit te zijn geweest. De vaste schermmeester was Henrick van Taden, die enkele malen in de registers van de universiteitssenaat wordt genoemd, hetzij omdat hij vroeg om een jaarlijks salaris (in 1637 en opnieuw in 1638, beide keren geweigerd; de leraar werd immers rechtstreeks door de studenten zelf voor zijn lessen betaald), hetzij omdat hij klaagde over de medische professoren die, vóór hun demonstraties in het anatomisch theater, de vervelende gewoonte hadden door de naastgelegen schermschool te lopen.[15] Mogelijk uit ontevredenheid besloot hij terug te keren naar zijn geboortestad Utrecht om daar stadsschermmeester te worden.[16]

De schermschool van de Leidse universiteit (‘Delineatio ludi publici gladiatorii urbis et academiae Lugdunensis apud Batavos’), 1610. Gravure van Willem Isaacsz. van Swanenburg naar een tekening van Jan Cornelisz. van ’t Woudt (Rijksmuseum, Amsterdam).

Begin juni 1640 verzocht een zekere Johannes Camerarius de universiteitssenaat of hij de (kennelijk vacante) plaats van de ‘gladiator’ (vecht- of schermmeester) Van Taden mocht innemen. Camerarius was sinds 1638 als schermmeester in Leiden actief. De senaat besloot echter de magistraat te verzoeken de kwestie nog enige tijd uit te stellen totdat zij tot een beslissing waren gekomen.[17] Deze omstandigheden passen mooi aan bij de situatie die Descartes in zijn brief aan Huygens van eind juli 1640 beschrijft: er was nog geen beslissing genomen over wie de betrekking zou krijgen. De aanwezigheid van Paulus Claesz van Arnhem in Leiden een jaar later, in documenten die hem zowel als draaier als schermmeester beschrijven, is een sterke aanwijzing dat hij inderdaad de tourneur d’Amsterdam is.

Of hij de functie van universitaire schermmeester daadwerkelijk heeft gekregen, kan helaas niet worden bevestigd.[18] Ook weten we niet precies wanneer hij in Leiden arriveerde of hoelang hij er bleef. In ieder geval waren schermlessen niet zijn enige bron van inkomsten, want in juni 1641 nam hij een leerling aan die vanuit Amsterdam was gekomen om te leren werken met een draaibank.[19]

Een opvallende getuigenis ten overstaan van een notaris maakt duidelijk dat de verhouding tussen zittende schermmeester Camerarius en zijn entourage, en meester Paulus, de nieuwkomer, gespannen moet zijn geweest. In die getuigenis legt een Franse student, André Thévenot, vast wat er op een zomerse middag was voorgevallen op de Doelen, het terrein waar de schutterij oefende. Die middag waren meester Paulus en de student naar het oefenterrein gegaan om een roer (een kleine musket) uit te proberen. Toen het begon te regenen, gingen ze het gebouw van de schutterij binnen om zich te laven aan een pul bier. Binnen troffen ze Johannes Camerarius en enige van zijn studenten. Camerarius kwam naar hen toe en vroeg of hij het wapen mocht bekijken; hij maakte enige ‘betamelijke’ opmerkingen en gaf het wapen terug. Kort daarop sloeg één van Camerarius’ gezellen ‘zonder enige aanleiding’ meester Paulus in het gezicht, en liet hem met bloedende lippen achter. De volgende dag bezocht Thévenot een notaris om dit voorval formeel vast te laten leggen, ongetwijfeld ten behoeve van meester Paulus, mocht hij besluiten er een zaak van te maken.[20]

Soldaat die de lont aanblaast van zijn roer. Afbeelding uit instructies voor het hanteren van de roer, The exercise of armes … after the ordre of Maurits Prince of Orange, Engelse editie van J. de Gheyns Wapenhandelinghe (Den Haag, 1608).

Schermmeester van Zijne Hoogheid in Breda

Hoe het meester Paulus precies is vergaan in Leiden, blijft onduidelijk. Het is niet bekend hoe lang hij in de sleutelstad bleef, en het lijkt erop dat zijn gezin in Amsterdam bleef.[21] Mogelijk vertrok meester Paulus zelf na enige tijd weer naar Amsterdam, maar hoe dan ook verloor Huygens hem niet uit het oog, en maakte hij uiteindelijk carrière: hij werd ‘schermmeester van Zijne Hoogheid’ aan de Illustre School en het Collegium Auriacum te Breda.

Deze instellingen van hoger onderwijs waren in 1646 gesticht door stadhouder Frederik-Hendrik, Prins van Oranje (1584-1647). Twee van de drie curatoren van deze instellingen waren de theoloog André Rivet (1572-1651) en Constantijn Huygens. In augustus 1647 arriveerde meester Paulus in de Brabantse stad en overhandigde zijn aanstellingsbrief aan de rector. Deze was verrast, zo schreef hij aan Huygens, dat de schermmeester van Zijne Hoogheid een jaarlijks salaris zou ontvangen — gelijk aan een soldatensalaris; de rector uitte enige bezwaren tegen deze bijzondere behandeling — en dat hij zonder middelen en zonder behoorlijke voorzieningen in Breda was aangekomen. De rector verzekerde Huygens echter dat alle praktische zaken zouden worden geregeld.[22]

Gebouw van de Illustre School en het Collegium Auriacum te Breda, in het voormalige Sint Catherinaklooster (nr. 16). Detail van de kaart van Breda in de Atlas van Blaeu (1649).

Meester Paulus dankte zijn aanstelling uiteraard aan Huygens. Huygens had een hoge dunk van meester Paulus en wilde dat hij zijn zonen schermen leerde en mogelijk ook in het slijpen van lenzen zou onderwijzen. Christiaan, Lodewijk en Philips studeerden allen enige jaren te Breda. Christiaan plukte in elk geval de vruchten van de lessen, en schreef zijn oudste broer Constantijn Jr dat hij hem spoedig hoopte zijn nieuwe schermkunsten te demonstreren.[23] Lodewijk liet zich ook niet onberoerd: hij moest in 1649 uit Breda vertrekken na een duel met een medestudent.[24]

Paulus Claesz leek zich echter niet thuis te voelen op de Bredase hogeschool en greep naar de fles. In februari 1648 werd hij ernstig berispt vanwege zijn drinkgewoonten, een kwestie die werd besproken tussen Rivet en Huygens. Huygens schreef aan Rivet dat hij het betreurde van het drinkprobleem van meester Paulus te horen, en zei dat hij hem niet had aangesteld als hij dat had geweten. Hij voegde eraan toe dat hij deze zwakheid nooit eerder had opgemerkt, terwijl de meester vroeger regelmatig twee of drie weken achtereen bij hem in huis had gelogeerd. — Deze opmerking mag alle twijfel wegnemen dat de schermmeester dezelfde persoon moet zijn als de tourneur wiens schetsen en recepten in Huygens’ verzameling papieren worden aangetroffen. — Huygens schreef Rivet voorts dat zijn zonen de schermmeester niet wilden handhaven, maar hem ook niet wilden laten ontslaan ‘omdat hij in dronkenschap dingen had gezegd die anderen dikwijls zeggen als ze nuchter zijn’.[25]

Het ging met meester Paulus in Breda van kwaad tot erger. In juli 1648 werd de schermmeester 24 uur in de gevangenis gezet nadat hij in het openbaar ruzie had gemaakt met een student en hem had beledigd; ook deed het gerucht de ronde, aldus Rivet, dat Paulus Claesz niet echt bekwaam was in de schermkunst.[26] Uiteindelijk verwondde de schermmeester in de zomer van 1651 een student ernstig tijdens een gevecht, en werd hij voor de rechter gebracht. Huygens schreef een lang en vurig pleidooi aan de weduwe van de Prins van Oranje, Amalia van Solms (1602-1675), ten behoeve van de “pauvre maitre des armes”, terwijl hij erop aandrong dat meester Paulus gehoord moest worden alvorens te worden veroordeeld; niet omdat hij (Huygens) verantwoordelijk was voor de aanstelling van deze “homme de rares qualités”, maar omdat “il est encor temps de faire ce qui est de raison et de droit”. In Huygens’ ogen was de man onschuldig en had hij zich verdedigd tegen een agressieve aanvaller.[27] De positie van Paulus Claesz werd echter onhoudbaar, en op advies van de rector werd de schermmeester in 1652 door de Prins ontslagen. Hij keerde terug naar Amsterdam, waar hij zijn beroep als schermmeester voortzette en zelfs stadsschermmeester werd, wat inhield dat hij na het afleggen van een examen burgers opleidde in de stedelijke schermschool.[28]

Conclusie

Al het materiaal dat boven water is gekomen laat er weinig twijfel over bestaan dat Paulus Claesz van Arnhem Huygens’ Amsterdamse draaier is. De tijdlijn klopt precies: hij werkte tussen 1635 en 1640 aan Descartes’ lenzenslijpproject, en zijn decoratieve schetsen en recepten zijn aangetroffen in Huygens’ papieren, gedateerd januari 1639. De poging van Descartes en Huygens in juli 1640 om voor hem een betrekking in Leiden te verkrijgen, gevolgd door de gedocumenteerde aanwezigheid van Paulus Claesz in die stad als zowel draaier als schermmeester in 1641, levert de biografische schakel op. Huygens’ eigen opmerking in zijn correspondentie dat meester Paulus ‘twee of drie weken achtereen’ bij hem thuis had gelogeerd, biedt verder bewijs dat de schermmeester van Breda dezelfde persoon is als de tourneur wiens werk gedocumenteerd staat in Huygens’ verzameling papieren en zijn correspondentie met Descartes.

De identificatie van de ambachtsman die voor Huygens en Descartes werkte is meer dan het oplossen van een biografisch raadsel. Het werpt licht op de wereld van ambachtslieden die verbonden waren met de (intellectuele) elite van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Meester Paulus was een veelzijdig ambachtsman die met kostbare materialen werkte en later schermmeester werd. Zijn loopbaan illustreert zowel de kansen als de kwetsbaarheid van een dergelijk bestaan. Het mislukken van het lenzenslijpproject, ondanks het theoretische genie van Descartes en de steun van Huygens, herinnert ons eraan dat vroegmoderne wetenschappelijke innovatie niet alleen briljante ideeën vereiste, maar ook de praktische vaardigheden van de personen die probeerden die ideeën te verwezenlijken. Het is ook interessant te zien dat Descartes en in het bijzonder Huygens een welwillende houding tegenover meester Paulus handhaafden, door betrekkingen voor hem te verwerven en hem te verdedigen wanneer hij in ernstige moeilijkheden geraakte. Die voortdurende patronage onthult de persoonlijke banden en het plichtsbesef die konden ontstaan tussen de elite en de ambachtslieden op wier vaardigheden zij vertrouwden.

Erik-Jan Bos

CNRS – Université Paris Cité

ERC Philiumm nr. 101020985

Een eerdere en kortere versie, ‘Le tourneur d’Amsterdam’, verscheen in het Bulletin cartésien LV, Archives de philosophie 89 (2026), 158-163. Een Engelstalige versie, ‘Master Paulus, Descartes’ Amsterdam Artisan’, werd gepubliceerd in het Bulletin of the Scientific Instrument Society, no. 169 (2026), 38-42.


[1] We gebruiken de afkorting ‘AT’, gevolgd door deel- en paginanummer, voor de standaardeditie van Descartes’ werken en briefwisseling: Charles Adam en Paul Tannery, Œuvres de Descartes, 2de editie, 11 dln. (Parijs, 1964-1974). De eerste vermelding van de tourneur staat in een brief van Huygens aan Descartes, gedateerd 28 oktober 1635 (AT I, 590), en de laatste in een brief van Descartes aan Mersenne, gedateerd 4 maart 1641 (AT III, 331).

[2] Zie Descartes aan Huygens, 8 februari 1638 (AT I, 655-656).

[3] Voor een gedetailleerde beschrijving van de pogingen om hyperbolische lenzen te slijpen en de lenzenslijpmachine, zie D. Graham Burnett, Descartes and the Hyperbolic Quest: Lens Making Machines and Their Significance in the Seventeenth Century (Philadelphia, 2005), pp. 59-69; en Fokko Jan Dijksterhuis, ‘Constructive thinking: a case for dioptrics’, in L.L. Roberts et al. (red.), The Mindful Hand: Inquiry and Invention from the Late Renaissance to Early Industrialisation (Chicago, 2007), pp. 59-82, i.h.b. pp. 61-67.

[4] Den Haag, Koninklijke Bibliotheek, KA 47. De tekeningen bevinden zich op fos. 539r-542r; zie ook 546r; diverse recepten op 550r-555v; de naam en de dateringen staan op fo. 539r, fo. 549r en fo. 550r. Ik dank de conservator der handschriften, Jeroen Vandommele, voor het verschaffen van een reproductie, en Fokko Jan Dijksterhuis voor het onder mijn aandacht brengen van het proefschrift van Willem Ploeg, Constantijn Huygens en de natuurwetenschappen (Rotterdam, 1934, pp. 36-37). Zie ook Cornelis de Waard (red.), Journal tenu par Isaac Beeckman de 1604 à 1634, dl. 3 (Den Haag, 1945), p. xiii*; en Huib Zuidervaart, ‘The invisible technician made visible: Telescope making in the Dutch Republic’, in A. Morrison-Low et al. (red.), From Earth-bound to Satellite: Telescopes, Skills and Networks (Leiden, 2012), pp. 71-72, 81.

[5] Christiaan Huygens, Œuvres complètes, red. D. Bierens de Haan, dl. 1 (Den Haag, 1888), p. 215.

[6] Ploeg, Constantijn Huygens, p. 37.

[7] Stadsarchief Amsterdam (SAA), Ondertrouwregister, archiefnummer 5001, inventarisnummer 436, fo. 121. Hierna zullen we ‘archiefnummer’ afkorten als ‘arch.’, ‘inventarisnummer’ als ‘inv.’, ‘notarieel archief’ als ‘NA’ (de naam van de notaris (not.) wordt vermeld) en doop-, trouw- en begraafregisters als ‘DTB’.

[8] SAA, DTB-registers. De eerste twee kinderen werden beiden gedoopt als Annetje (1632, 1637); de eerste dochter moet zijn gestorven vóór de geboorte van de tweede. Daarna volgden Claes (1639), Paulus (1643) en Alexander (1653). In het testament van meester Paulus uit 1669 worden slechts twee kinderen vermeld, Paulus en Claes (SAA, NA, arch. 5075, not. R. Duee, inv. 2468, pp. 342-344).

[9] SAA, NA, arch. 5075, not. P. de Bary, inv. 1706B, pp. 1403-1404, datum: 23 november 1656 (zie Jaap van der Veen, ‘By his own hand: The valuation of autograph paintings in the 17th century’, in A Corpus of Rembrandt Paintings, dl. 4 (Dordrecht, 2005), p. 38); SAA, NA, arch. 5075, not. H. Friesma, inv. 3084, p. 782, datum: 14 november 1667.

[10] Hij maakte zijn testament op 16 december 1669 (noot 8) en vermaakte zijn zoon Paulus alle gereedschappen voor draaien en polijsten; geen vermelding van zwaarden e.d. Een akte gedateerd 11 juni 1671 wijst erop dat hij toen nog in leven was, maar een latere akte gedateerd 16 september 1671 vermeldt dat zijn vrouw weduwe is (SAA, NA, arch. 5075, not. J. de Vos, inv. 2972A, p. 424; arch. 5075, not. R. Duee, inv. 2470, aktenr. 159).

[11] Huygens aan Descartes, 24 juli 1640, AT III, 749; vertaling EJB. Huygens Briefwisseling, brief n0238.

[12] Descartes aan Huygens, 31 juli 1640, AT III, 750-751; vertaling EJB. Huygens Briefwisseling, brief 2464 (Worp, Briefwisseling, dl. 3, p. 73, niet naar de autograaf).

[13] George Gleser (gest. 1652), Kapitein (later Kolonel) der Garde van de Prins van Oranje, een verre verwante van Huygens, via zus Geertruydt Huygens [ https://brievenconstantijnhuygens.net/tag/huygens-geertruyd/ ]. In 1645 vroeg ook de wiskundige Frans van Schooten jr., die de illustraties voor Descartes’ Discours de la méthode had verzorgd, aan Huygens om een aanbeveling van Gleser ten behoeve van zijn benoeming aan de Leidse universiteit; zie de blog-post ‘Een Leidse lobby in Den Haag’ https://brievenconstantijnhuygens.net/2022/02/03/een-leidse-lobby-in-den-haag/.

[14] Erfgoed Leiden en Omstreken (ELO), NA, arch. 506, not. P. Dircxz. van Leeuwen, inv. 274, aktenr. 131.

[15] P.C. Molhuysen, Bronnen tot geschiedenis der Leidsche universiteit, dl. 2 (Den Haag, 1916), pp. 216, 222, 223.

[16] Van Taden was in 1636 van Utrecht naar Leiden verhuisd en keerde in 1640 terug. De Utrechtse stadsarchieven vermelden dat hij op 14/[24] september 1640 werd aangesteld als ‘stadsschermmeester’ (Het Utrechts Archief (HUA), arch. 702, Resoluties van de Vroedschap, 1639/40-1640/41, inv. 121-19, fol. 122). Van Taden overleed in Utrecht in januari 1643 (HUA, DTB, online database van personen, ‘Henrick Schermmeester’).

[17] “Iun. 5 [1640]. Cum exhibitus esset libellus supplex a Ioachimo Camerario, qui petebat in locum Henrici gladiatoris substitui, visum est petendum a Magistratu, ut adhuc aliquamdiu res differretur, done gravamina sua proponeret atque exhiberet Senatus Academicus.” Molhuysen, Bronnen, dl. 2, p. 243. De naam ‘Joachim’ in de universiteitsarchieven moet een vergissing zijn voor ‘Johannes’, want ene Johannes Camerarius, niet verwant aan de beroemde familie Camerarius, wordt in diverse Leidse archieven tussen 1638 en 1651 vermeld als schermmeester (‘vechtmeester’). Hij is vermoedelijk dezelfde als degene die zich op 28 januari 1654 aan de universiteit inschreef: “Joannes Camerarius, qui art. digladiat. profitetur. 45” (W.N. du Rieu, Album studiosorum Academiae Lugduno Batavae MDLXXV–MDCCCLXXV (Den Haag, 1875), 433). Hij overleed in de loop van 1654.

[18] In Molhuysen, Bronnen, wordt verder niets vermeld over de positie van schermmeester.

[19] De notariële akte van 15 juni 1641 (noot 14) bevat een contract voor de duur van één jaar tegen de som van 250 gulden.

[20] ELO, NA, arch. 506, not. P. Dircxz. van Leeuwen, inv. 275, akte nr. 33, datum: 7 augustus 1641. André Thévenot had zich ingeschreven als student wiskunde in februari 1641 (Album Stud. Lugd.-Bat., 321).

[21] Thiemo Wind was zo vriendelijk me te wijzen op een akte uit 1644 waarin Josijntje Jansdr, de vrouw van meester Paulus genoemd wordt (LinkedIn). Ze figureert ook in akte uit 1645 (SAA, NA, arch. 5075, not. J. de Wijse, inv. 1920, p. 185). Zoon Paulus werd in oktober 1643 in Amsterdam gedoopt.

[22] Lodewijk Gerard van Renesse aan Huygens, 6 februari 1647, in J.A. Worp (red.), De briefwisseling van Constantijn Huygens, 6 dln. (Den Haag, 1911-1917), dl. 4, p. 387, brief 4540. De correspondentie van Huygens is online raadpleegbaar, zowel Worps editie als in de meeste gevallen de handschriften: https://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens. Er dient op gewezen te worden dat in deze brief en de brieven die er kort op volgen de volledige naam van de schermmeester (weer) niet wordt vermeld, maar een Bredase notariële akte van 10 april 1649 verwijst naar ‘meester Pauwels van Arnhem, schermmeester van Zijne Hoogheid’ (Stadsarchief Breda, NA, not. J.P. Beeris, inv. nr. 140, fol. 219r), zodat er geen twijfel bestaat over de identiteit van de schermmeester. Volgens die akte vervaardigde meester Paulus twee ‘broucxkens artificael’ die de urine en uitwerpselen van een incontinente patiënt zouden opvangen tijdens het lopen, staan en liggen. De patiënt heette Cornelis Wijnants van Bernagien (1626-1687), de zoon van een welgestelde, inmiddels overleden brouwer uit Breda, wiens voogden meester Paulus 250 gulden zouden betalen.

[23] Christaan Huygens aan Constantijn Huygens Jr, 2 maart 1648, Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, p. 82.

[24] Zie Huygens aan Rivet, 18 maart 1649 (Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 516, brief 4924; volledige tekst in Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, pp. 103-104), en Rivet aan Huygens, 23 maart 1649 (Worp, Briefwisseling, dl. 5, p. 1, brief 4926; volledige tekst in Chr. Huygens, Oeuvres complètes, dl. 1, pp. 104-105).

[25] Huygens aan Rivet, 13 februari 1648, Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 456, brief 4755. Ook binnen de staf van professoren speelde op dat moment een affaire, zie de blog-post ‘Trouw en tegenslag: de vriendschap tussen Constantijn Huygens en Johan Brosterhuisen’ https://brievenconstantijnhuygens.net/2024/12/25/trouw-en-tegenslag-de-vriendschap-tussen-constantijn-huygens-en-johan-brosterhuisen/.

[26] Rivet aan Huygens, 14 juli 1648, Worp, Briefwisseling, dl. 4, p. 485, brief 4840.

[27] Huygens aan Amalia van Solms, 19 december 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, p. 132, brief 5203. De citaten zijn ontleend aan het handschrift. Zie ook Huygens aan Amalia van Solms, 14 december 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, pp. 131-132, brief 5201, en Van Vliet aan Huygens, 13 september 1651, Worp, Briefwisseling, dl. 5, pp. 117-118, brief 5177. Zie ook D. Langedijk, ‘De Illustre Schole en de Collegium Auriacum te Breda’, Taxandria: Tijdschrift voor Noordbrabantsche Geschiedenis en Volkskunde, 42 (1935), pp. 31-32. Volgens Langedijk heette de student Bartholomeus Snellius.

[28] Stadsarchief Breda, ‘Paulus van Arnhem’ is vermeld in het lidmatenregister van de Protestantse Kerk: Vertrokken lidmaten Breda 1642-1679, inv. nr. 88, fol. 20v, datum 9 november 1652, met de aantekening ‘attestatie gestuurd naar Amsterdam’.