‘La divine Amaranthe’: Een portret van Anne de La Barre herontdekt

In het late voorjaar van 1648 vernam Constantijn Huygens dat de Franse operazangeres Anne de La Barre (1628-1688) spoedig van Parijs naar Stockholm zou reizen. Ondanks haar jonge leeftijd was Anne de La Barres reputatie al zo groot dat koningin Christina van Zweden haar aan haar hof had uitgenodigd. Huygens achtte de kans groot dat de zangeres op doorreis naar Zweden in de buurt van Den Haag zou zijn, de perfecte aanleiding om haar in de hofstad uit te nodigen en haar te horen zingen.

Anne de La Barre

Anne de La Barre kwam uit een familie van musici: haar overgrootvader Pierre (I) stond al in 1567 te boek als organist. Haar vader, Pierre (III) was organist en klavecinist aan het hof van Lodewijk XIII, en ook haar broers zouden succesvolle musici en componisten worden. Omstreeks 1646-1647 oogstte de jonge Anne zelf roem met haar uitvoeringen van de muziek van Luigi Rossi. Die laatste was door kardinaal Mazarin, de Franse eerste minister, in Parijs uitgenodigd om het operaleven op gang te trekken. In Frankrijk ontstond er echter steeds meer protest tegen het beleid van Mazarin, en dat protest zou in 1648 in een opstand uitmonden. Stockholm oogde dus een stuk aantrekkelijker dan het woelige Parijs.[1]

Cornelis Visscher (II), Portret van Christina van Zweden, koningin van Zweden, 1650 (Rijksmuseum, Amsterdam).

Huygens greep zijn kans en schreef Anne de La Barre voor het eerst op 21 juli 1648 (nadat hij eerder al contact had gehad met haar vader, maar die brieven zijn verloren gegaan). Hij nodigde haar uit om bij hem thuis te logeren:

[ik zou] u willen uitnodigen om enkele weken in mijn huis te verblijven, dat wellicht niet het meest oncomfortabele huis in Den Haag is. Daar vindt u in elk geval luiten, theorbes, violen, spinetten, klavecimbels en orgels om u te vermaken, bijna evenveel als Zweden u kan bieden. En … u zult mij daar vinden, zo niet als een bekwame beoordelaar van uw grote talent, dan toch zeker als een gepassioneerde bewonderaar van wat u creëert …

Constantijn Huygens had ondertussen ook zijn zopas verschenen muziekbundel Pathodia sacra et profana aan Annes vader laten bezorgen.[2] In haar antwoord op Huygens’ brief van 21 juli liet Anne de La Barre hem weten dat ze er alvast een selectie uit had gezongen voor de componist Michel Lambert. Maar er was ook minder goed nieuws: de reis naar Stockholm werd uitgesteld. Pierre de La Barre hoopte niettemin dat er misschien mogelijkheden waren voor zijn kinderen om in dienst te treden aan het stadhouderlijke hof – de politieke situatie in Parijs was allesbehalve stabiel. Maar die mogelijkheden waren er helaas niet.

Afscheid

In de daaropvolgende jaren, en nadat de rust was teruggekeerd in Frankijk, groeide Annes reputatie als zangeres verder en trad ze regelmatig op aan het hof en in de hofkapel. In 1652 hernieuwde Christina van Zweden, die het muziekleven aan haar hof wilde uitbouwen, haar uitnodiging aan Anne. En dit keer ging de reis door.

In Parijs treurden muziekliefhebbers om Annes vertrek. ‘Mademoiselle de La Barre, / wiens stem zo zuiver en zo zeldzaam / in zachtheid overtrof de keel / van een nachtegaal op een rozenstruik / vertrekt naar Zweden’, schreef Jean Loret.[3] Waarschijnlijk was het bij haar vertrek dat ook Tristan l’Hermite een gedicht schreef dat hij aan haar opdroeg.

I.
Allez où le sort vous conduit;
Il faut partir, adorable Amarante;
Bien loin, comme une étoile errante,
Vous brillerez au milieu de la nuit;
Pour moi, je veux jusqu’au trépas
Avoir l’honneur d’accompagner vos pas,
Et de chanter en tous lieux vos louanges,
    Lorsque d’une voix,
    Comme celle des anges,
    Vous ferez des lois.

(eerste strofe, uit: Recueil des plus beaux vers, Parijs, 1661, p.16-17)
Ga waar het lot u leidt;
U moet vertrekken, lieve Amaranthe;
Ver weg, als een dwalende ster,
Zult u stralen in het midden van de nacht;
Voor mezelf wens ik tot aan mijn dood
De eer te hebben om uw stappen te volgen,
En overal uw lof te zingen
    Wanneer u, met een stem
    Als die van engelen,
    wetten zult stellen.

Denkbaar was het Annes broer, de klavierspeler en componist Joseph de La Barre, die de tekst op muziek zou zetten met het dansante ritme van een courante. De oorspronkelijke compositie ging verloren, maar wellicht gebruikte Joseph de La Barre de relatief eenvoudige vorm van de Franse air sérieux, met een zanglijn en met bas bedoeld voor begeleiding door bijvoorbeeld een luit (of een theorbe of een klavecimbel).[4] Anne en Joseph brachten die muziek vermoedelijk mee naar de Lage Landen waar de melodie van de zanglijn snel erg populair werd. De Nederlandse Liederenbank vermeldt ruim 200 liederen (contrafacten), gepubliceerd tussen 1654 en het einde van de 18de eeuw, die gebruik maken van de melodie van Allez où le sort vous conduit, vaak aangeduid als Courante La Bare [sic]. De zanglijn, zonder bas, werd overgeleverd in het geestelijke liedboek Den singende swaen (Antwerpen, 1664). [5]

Het lied S. Gregorius den Grooten, met als wijsaanduiding Eylaes mijn suchten is om niet (Allez où le sort vous conduit), uit: Willem de Swaen, Den singende swaen (Antwerpen, 1664) (Universiteit Utrecht).

Antwerpen en Den Haag

Einde september of begin oktober 1652 ving Anne, begeleid door haar broer en haar moeder, de reis naar Zweden aan. Op 21 oktober kon Béatrix de Cusance vanuit Antwerpen aan Huygens schrijven: ‘We hebben hier juffrouw La Barre, die goddelijk zingt. Ze zal hier deze winter zijn; ik hoop vurig dat u haar zult horen’.[6] Eerder dat jaar hadden Huygens en Béatrix de Cusance, die voor langere tijd in Antwerpen verbleef, er elkaar bij de familie Duarte ontmoet. Wellicht was het ook bij de Duartes dat Anne de La Barre nu optrad. Samen met Gaspar Duarte en zijn kinderen – zangeres Leonora, klaveciniste Francisca en de anderen  – konden Anne en haar broer een uitgebreid muziekensemble vormen. Het was de ideale gelegenheid om repertoire uit te wisselen en door te nemen: de composities van Huygens en van de Duartes zelf, de klaviermuziek en airs van de familie De La Barre, en werk van tijdgenoten, vooral uit Parijs. Huygens stond te popelen om Anne de La Barre te horen en wellicht reisde hij in november naar Antwerpen.[7] In januari 1653 vertrok Anne de La Barre, ‘la divine Amaranthe’ (de goddelijke Amaranthe, een verwijzing naar de gelijknamige herderin), zoals Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens haar omschreven, dan eindelijk naar Den Haag.

Ook in Den Haag snelde Annes reputatie haar vooruit en trad ze meteen na haar aankomst op voor Elizabeth Stuart (de verbannen koningin van Bohemen en de zus van Karel I van Engeland), Maria Henriëtta Stuart (de weduwe van stadhouder Willem II van Oranje) en Amalia van Solms (de weduwe van stadhouder Frederik Hendrik van Oranje). Huygens probeerde Anne de La Barre al dichtend te overtuigen langer te blijven: ‘Nog maar net ben je in onze streken verschenen, en je zoekt al de weg naar de bergen … Begrijp je niet hoe Christina zich vergist, door jou haar vorstelijke koude, sneeuw en ijs aan te bieden? … Blijf, prachtige vogel’ (origineel in het Frans; bijlage bij een brief van Huygens aan Pierre Chanut). Maar Annes verblijf zou slechts van korte duur zijn: haar nieuwe werkgeefster wachtte op haar. De schilder David Beck passeerde overigens ook in Den Haag, en toonde Huygens (en Anne de La Barre) het portret dat hij van Christina had gemaakt.

David Beck, Portret van Christina van Zweden, ca.1650 (Nationalmuseum, Stockholm).

Een verloren portret herontdekt

Van koningin Christina van Zweden zijn talloze portretten bewaard. Maar hoe zag la divine Amaranthe er eigenlijk uit? Vreemd genoeg was er tot nog toe geen enkel portret bekend waarop Anne de La Barre met enige zekerheid is afgebeeld.

In 2023 werd bij een Belgisch veilinghuis een damesportret door Adriaen Hanneman aangeboden, afkomstig uit privébezit. De familie Devaux-Plovie verwierf het schilderij, waarna Sofie Plovie aan een onderzoek begon in de hoop de identiteit van de geportretteerde jonge vrouw te achterhalen.[8]

Adriaen Hanneman, Portret van een dame [Anne de La Barre], 1657. (Verzameling familie Devaux-Plovie /foto: Veilinghuis Carlo Bonte).

Adriaen Hanneman werd omstreeks 1604 in Den Haag geboren. Zijn opleiding kreeg hij in zijn geboortestad bij Anthonie en Jan Antonisz. van Ravesteyn. Van 1626 tot 1638 was hij in Londen waar hij mogelijk achtereenvolgens in de ateliers van Daniël Mijtens en Anthony van Dyck aan de slag ging. Vanaf 1638 was hij terug in Den Haag waar hij tot zijn dood in 1671 bleef. Hanneman maakte naam als portretschilder en werkte in de modieuze en flatterende stijl van Anthony van Dyck. Het leverde hem opdrachten op van de Haagse high-society. Beroemd is het portret van Constantijn Huygens en zijn kinderen. En er zijn portretten van leden van de stadhouderlijke familie en de Engelse koninklijke familie, en van raadspensionairs Johan de Witt.

Het zou dan ook in Den Haag zijn dat Hanneman in 1657 – dat jaartal staat op het schilderij vermeld – de anonieme vrouw portretteerde. De muziekpartituur die de vrouw in haar rechterhand houdt, bleek de sleutel te zijn tot haar identiteit. Hoewel de tekst op de partituur gedeeltelijk was vervaagd en daardoor slecht leesbaar was, kon Plovie essentiële passages identificeren: ‘Allez où le sort vous conduit’ en de daaropvolgende regels van Tristan l’Hermites gedicht aan Anne de La Barre, en in de marge ‘Courante La Barre [Joseph?]’. Ook op de basis van de zuil waarop de vrouw leunt kon Plovie voorzichtig de woorden ‘Madame de La Barre’ ontcijferen. Met erg grote waarschijnlijkheid is de geportretteerde dus Anne de la Barre die daarmee voor het eerst een gezicht krijgt. Daarnaast vormt de afgebeelde partituur, hoe beschadigd ook, een belangrijke aanvulling op ons begrip van de in de Nederlanden zo populaire ‘Courante La Bare’: naast de melodielijn (die in grote lijnen overeenkomt met de melodie die in Den singende swaen is gepubliceerd) bevat de geschilderde partituur immers ook een tot nog toe onbekende begeleiding.

Adriaen Hanneman, Portret van een dame [Anne de la Barre] (detail), 1657 (Verzameling familie Devaux-Plovie/foto: Veilinghuis Carlo Bonte).

Het jaartal 1657 blijft niettemin mysterieus. In juni 1654 deed koningin Christina van Zweden troonsafstand en begon ze aan een lange reisweg naar Rome. In augustus bereikte ze Antwerpen waar ze Gaspar Duartes dochters hoorde zingen (brief 5366 van David le Leu de Wilhem aan Constantijn Huygens). Anne de la Barre keerde ondertussen, via Kopenhagen en Kassel, in december 1655 terug naar Parijs en het Franse hof waar ze de daaropvolgende jaren zou blijven. Tijd voor een reis naar Den Haag lijkt er in 1657 niet te zijn geweest. Annes enige bekende verblijf in Den Haag dateert van begin 1653.

In welke omstandigheden Adriaen Hanneman het vermoedelijke portret van Anne de La Barre schilderde, is dus niet duidelijk. En ook voor wie hij dat deed weten we niet. Hanneman lijkt toch vooral een Hollands (Haags) publiek te hebben bediend. Wilde Constantijn Huygens een aandenken aan la divine Amaranthe? Was het bestemd voor een van de andere Haagse bewonderaars van Anne de La Barre, of, via Huygens, voor Béatrix de Cusance of de familie Duarte? Constantijn Huygens’ brieven bieden in ieder geval geen verdere aanwijzingen. Niettemin bleef hij de familie De La Barre met veel interesse volgen. De laatste overgeleverde brief van Huygens aan de familie, gericht aan Annes broer Joseph, dateert van februari 1654 . Maar zijn zoon Christiaan had contact met de familie tijdens zijn Parijse verblijven in 1655 en vanaf 1661. En toen Constantijn Huygens zelf in 1661 in Parijs was, schreef hij enkele gedichten op een portret dat de schilders Henri en Charles Beaubrun van Anne de La Barre hadden gemaakt en hem hadden geschonken.[9]

De laatste vermelding van de familie De La Barre in een brief dateert uit december 1680, wanneer Christiaan Huygens zijn vader laten weten dat hij in Parijs vruchteloos op zoek is gegaan naar muziek van Pierre de La Barre, een broer van Anne. Anne de La Barre was op dat ogenblik al 13 jaar gehuwd en gaf geen optredens meer. Ze overleed in 1688.

Het portret dat Adriaen Hanneman van, naar alle waarschijnlijkheid, van Anne de La Barre maakte, heeft nog niet al zijn geheimen prijsgegeven. Dit blogbericht is dan ook meteen een oproep tot meer onderzoek.

Timothy De Paepe, in samenwerking met en met dank aan Sofie Plovie, 18 november 2024


[1] Voor meer biografische gegevens over Anne de La Barre, zie Lisandro Abadie, ‘Anne de La Barre (1628-1688): Biographie d’une chanteuse de cour’, Revue de Musicologie 98 (2008) 1, 5-44.

[2] Ook aan Christina van Zweden had hij een exemplaar gestuurd. Zie onder meer brief 5036.

[3] ‘Mademoizelle de La Barre, / Dont la voix si nette e si rare / Passoit en douceur le gozier / D’un Rossignol sur un rozier. / S’en va porter dans la Suéde’.

[4] Wellicht is slechts een klein deel van Joseph de La Barres oeuvre overgeleverd. In 1669 verscheen de bundel Airs à deux parties, en in diverse verzamelbundels zijn ook Franse en Italiaanse airs van hem terug te vinden. Het zogenaamde Bauyn handschrift bevat een handvol klavecimbelwerken die aan hem worden toegeschreven. Andere toeschrijvingen zijn eerder twijfelachtig.

[5] Op het muziekalbum Top of the Pops: Dutch Golden Age Edition brengt Margot Kalse, begeleid door luitspeler Earl Christy, een uitvoering van Allez où le sort vous conduit gebaseerd op de versie zoals overgeleverd in Den singende swaen.

[6] ‘Nous avons ycy Madamoiselle la Bare qui chante divinemant. Elle cerat ycy l’iver; je soytte fort que vous l’oyez.’

[7] Ineke Huysman en Rudolf Rasch, Béatrix en Constantijn. De briefwisseling tussen Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens 1652-1662, 2009, 86.

[8] Sofie Plovie, Unveiling Anne de La Barre: A Lost Portrait and Musical Score Rediscovered (ongepubliceerde onderzoeksnota), 2024.

[9] Het portret dat Henri en Charles Beaubrun vervaardigden is schijnbaar verloren gegaan. ‘In de documenten over Huygens’ kunstbezit wordt Anna de la Barre niet expliciet genoemd als geportretteerde, maar in de catalogus van Susanna Doublet Huygens (1725) komen veel niet nader gespecificeerde Franse en Engelse adellijke vrouwen voor’ (Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof, 103).


Moeders des Vaderlands!

Een muzikale reis langs vergeten vorstinnen

Waalse Kerk Amsterdam, 18 december 2024, 20.15 uur

Lette Vos: sopraan

Paulina van Laarhoven: viola da gamba

Mike Fentross: theorbe

Ineke Huysman: spreker

Femke Deen: spreker

Componisten o.a.: Hildegard von Bingen, Elisabeth Jacquet de la Guerre, Constantijn Huygens, Claudio Monteverdi en Georg Friedrich Händel.

Een unieke avond in de Amsterdamse Waalse Kerk waarin geschiedenis en muziek samensmelten. Historici Femke Deen en Ineke Huysman, samenstellers van Moeders des Vaderlands (Atlas Contact 2024), brengen samen met La Sfera Armoniosa de verhalen tot leven van invloedrijke vrouwen uit de politieke geschiedenis van de Nederlanden. Margaretha van Oostenrijk, Amalia van Solms, Anna van Hannover en andere machtige vrouwen krijgen een stem in woord, beeld en muziek.

Deen en Huysman vertellen over hun politieke en muzikale invloed, afgewisseld door het ensemble La Sfera Armoniosa dat muziek uitvoert van vrouwelijke componisten als Hildegard van Bingen en Barbara Strozzi en hofmuziek uit hun tijd van Constantijn Huygens, Monteverdi en Händel. Een bijzondere audiovisuele belevenis die de wereld van de vorstinnen tot leven wekt.

———————-

Femke Deen is historicus en auteur. Zij doet onderzoek naar vrouwen van adel in de vroegmoderne tijd en schreef onder meer de biografie Anna van Saksen. Verstoten bruid van Willem van Oranje (Atlas Contact 2018). Momenteel werkt ze aan een biografie van Charlotte de Bourbon, de derde vrouw van Oranje.

Ineke Huysman werkt als senior onderzoeker bij het Huygens Instituut/NL-Lab. Zij is onder andere projectleider van de digitale editie van de briefwisseling van de Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen. Onlangs was zij een van de samenstellers van de bundel Vrouwen rondom Johan de Witt.

Het Nederlandse barokgezelschap La Sfera Armoniosa, opgericht in 1992, is gespecialiseerd in het uitvoeren van zeventiende- en achttiende-eeuwse muziek en staat onder leiding van de luitist en dirigent Mike Fentross. Naast muziek van beroemde componisten als Monteverdi, Händel en Vivaldi, voert het ensemble ook minder bekende muziek uit die na uitvoerig zoekwerk is gedistilleerd uit vroegmoderne muziekdrukken en manuscripten. Met: Lette Vos, Paulina van Laarhoven en Mike Fentross.

Moeders des Vaderlands! met La Sfera Armoniosa
Locatie: Waalse Kerk Amsterdam, Walenpleintje 159, 1012 JZ Amsterdam
Datum: 18 december 2024
Deur open: 19.30 uur
Start: 20.15 uur
Einde 21.30 uur

Borrel en boek- en CD-verkoop voorafgaand en na afloop

Tickets: 22,50 / 25 euro

Een scherpe neus

De vijf zintuigen (Quinque sensus hominum) door Cornelis Galle, naar een prent van Johann Liss, ca. 1610 – ca. 1678, Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1902-A-22485.

De vele activiteiten die Constantijn Huygens (1596-1687) er op na hield, zouden we nu als nevenwerkzaamheden of hobby’s omschrijven. Naast zijn professionele taken als diplomaat en secretaris van prinsen van Oranje Frederik Hendrik en Willem II, was Huygens bepaald niet onverdienstelijk als architect, musicus, componist, geleerde en polyglot. Echt beroemd werd hij om zijn dichtkunst, zijn poëzie wordt nog altijd in diverse talen uitgegeven en gelezen.[1] Maar of dit nog niet genoeg was, hield Huygens zich ook bezig met geur: hij was een enthousiast amateur-parfumeur.[2] Zo zijn er van zijn hand meer dan 150 parfum-recepten bewaard gebleven, waar momenteel onderzoek naar wordt gedaan door het Jonge Akademie project Geheugen van Geur.[3] Van de vijf klassieke zintuigen kon de reukzin op  zijn bovengemiddelde interesse rekenen. In zijn uitgebreide correspondentie bevinden zich dan ook meerdere brieven waarin geur een belangrijke component vormt.[4]

Portret van Caspar Barlaeus door Joachim von Sandrart, 1637-1643, Rijksmuseum Amsterdam, RP-T-1885-A-480.

Huygens’ veelzijdigheid ontging ook zijn tijdgenoten niet. In december 1639 schrijft zijn vriend Caspar Barlæus hem een brief in het Latijn. Hierin prijst hij Huygens om zijn ‘verheven voorkeuren’. Zo beschrijft hij Huygens’ reukzin door te zeggen dat hij zijn neus ‘niets anders voorhoudt dan balletjes van verzen die smakelijk zijn door geurstoffen en besprenkeld met sesam’. Als Huygens twee jaar later gebukt gaat onder problemen met zijn gehoor, troost Barlæus Huygens door hem eraan te herinneren dat hij nog altijd een scherpe neus heeft.

Met diverse correspondenten wisselt Huygens recepten uit. Zoals met Eleonore de Volvire, markiezin van Ruffec. In 1645 ontvangt hij van haar een recept om amberwater te maken. Op de achterzijde voegt zij toe dat het recept geheim moet blijven. Op haar beurt heeft ze het recept weer gekregen van François de Bassompiere, maarschalk in dienst van het Franse hof. Het geparfumeerde water moet goed afgesloten worden bewaard, zodat er geen lucht bij kan komen. Liefst met Spaanse was, aldus het recept.[5] Dat taal geen beletsel vormde in de correspondentie, blijkt uit Huygens brief in het Engels, aan Henry Oldenburg, eind januari 1677. Hij stuurt de befaamde secretaris van de Royal Society in Londen een recept voor ‘true Hungary water’, rozemarijnwater, vernoemd naar een Hongaarse koningin die het in de 14e eeuw voor het eerst gebruikt zou hebben. Het resultaat zou beter zijn als men de bloemen van de rozemarijn gebruikt in plaats van de naalden. Zie ook het blog hierover van Ineke Huysman: Hongaars koninginnewater.

Portret van Andreas Colvius door Salomon Savery, naar een schilderij van Albert Cuyp, 1646-1665, Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1898-A-20715.

Het vinden van de juiste ingrediënten was essentieel voor het creëren van geuren en veel van de correspondentie was op deze zoektocht gericht. Huygens stuurt zijn vriend, de predikant en natuurkundige Andreas Colvius meerdere keren het kostbare ambergris toe, getuige de bedankbrieven die Huygens in 1649 van hem ontvangt. De twee corresponderen vaker over bestanddelen, zoals ook blijkt uit een brief van Huygens aan Colvius uit 1653, waarin hij hem op verzoek een monster van Ben’s olie toestuurt, verkregen uit de hars van de tropische boom Styrax benzoin, en enkele stukken Beaume en Roche. Over die laatste maken  parfumeurs veel ophef, aldus Huygens. Omdat de substantie in noten met een zeer harde schil zit, die door de plakkerigheid moeilijk los te krijgen is, stuurt Huygens stukken met schil en al. De toepassing betreft niet alleen een aromatische. De Fransen bereiden beaume en roche ook in een cassoulet, een aardewerken pot, die lang op het vuur kan staan. Verder kan Huygens melden dat zodra je een stuk in je mond stopt, het zacht wordt en een aangename geur aan de adem geeft. Zie ook het blog hierover van Ad Leerintveld: Geurende geschenken en meer.

Het lukt niet elke correspondent om de hand te leggen op de juiste grondstoffen. Fréderic Rivet, secretaris van Amalia van Solms, rapporteert vanuit Londen dat hij meermalen de Thames is overgestoken om geurstoffen bij een scheikundige te bemachtigen. Tevergeefs: hij treft de niet bij naam genoemde persoon steeds niet thuis aan.

Dubbelportret van Johan Brosterhuisen (links) en Jacob van der Burg (rechts) door David Bailly, 1624, Teylers Museum Haarlem

Ook met zijn boezemvriend, de schrijver, vertaler en botanist Johan Brosterhuisen correspondeerde Huygens over geur. De briefwisseling tussen de twee heeft vooral een technisch karakter. Zo behandelt Brosterhuisen in een brief uit 1629 het werk van de Engelse filosoof en wetenschapsbeoefenaar Francis Bacon, die schrijft over de verschillende manieren waarop geur zich in een ruimte verspreidt. De vrienden theoretiseren over hoe dat (technisch) kan. Een jaar later moet Brosterhuisen bekennen dat hij geen ‘taartpannetje’ in zijn fornuis heeft: hij gebruikt zijn fornuis alleen om te distilleren. Dat is hem heel goed gelukt, zelfs om olie te extraheren.

Portret van Moyse Charas door L’Anglais(?), datum onbekend, Wellcome Collection Londen.

Dat ook het geneeskundige aspect van geurstoffen Huygens interesseerde blijkt uit zijn briefwisseling met Moïse Charas, apotheker in Orange. Later maakte hij ook deel uit van de magistraat van Orange. Vanaf 1659 vestigde hij zich als apotheker van ‘Monsieur’ (de broer van Lodewijk XIV) in Parijs, waar hij vanaf 1671 ook docent in de chemie was aan de Jardin des Plantes. Daarna bracht hij enige tijd door aan het hof van de Engelse koning Karel II. [6] In 1666 meldt Huygens Charas dat hij heeft gehoord dat sommigen bij de vervaardiging van essence de Corail menselijk bloed als oplosmiddel gebruiken, waarschijnlijk om de kenmerkende rode kleur van (bloed-)koraal te verkrijgen. Huygens betoont zich geen aanhanger van deze methode.[7]

Portret van Louise Marie Gonzaga de Nevers, Koningin van Polen, door Justus van Egmont, 1646, Wikimedia Commons.

Geur als metafoor was nooit ver uit Huygens’ gedachten. Zelfs als een brief niet rechtstreeks betrekking had op de reukzin. Nadat de Poolse koningin Marie-Louise van Gonzaga Nevers begin januari 1648 de Republiek heeft aangedaan, stuurt hij haar een brief vergezeld van een van zijn eigen composities. Complimenteus schrijft Huygens haar dat haar doortocht alleen al de lucht van deze provincies welriekend heeft gemaakt.[8] Dat is een opvallende woordkeuze voor een brief die niet een geurwerk als bijlage heeft, maar een muziekstuk. 

De correspondentie van Constantijn Huygens onthult een fascinerend, maar tot nu toe onderbelicht aspect van zijn intellectuele leven: zijn diepe interesse in geur. Naast zijn uitgebreide kennis van andere disciplines experimenteerde Huygens ook met het creëren van parfums, wat blijkt uit de vele recepten die hij ontwikkelde. Hoewel zijn brieven vaak verwijzen naar deze geurige experimenten en de zoektocht naar zeldzame ingrediënten, is er tot op heden weinig onderzoek gedaan naar deze kant van zijn werk. Dankzij recente projecten zoals Geheugen van Geur waar een van Huygens’ recepten is gereconstrueerd, begint deze bijzondere dimensie van Huygens’ nalatenschap echter eindelijk de aandacht te krijgen die het verdient.

Hanna de Lange, Geheugen van Geur, 13 augustus 2024


[1] Een voorbeeld van een recente, in het Engels vertaalde, uitgave is A Selection of the Poems of Sir Constantijn Huygens (1596-1687), onder redactie van Adriaan van der Weel en Peter Davidson (Amsterdam University Press, 2015).

[2] Zie ook: Ineke Huysman, Constantijn Huygens as Amateur Parfumer”, in Ariane van Suchtelen et Lizzy Marx (eds.), Fleeting – Scents in Colour: Scent and smell in Dutch and Flemish 17th century art (Den Haag, Zwolle 2021) 109–114.

[3] Verzameling musica, medica, etc. bijeengebracht door Constantijn Huygens, 1616-1684, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, KA 47.

[4] Zie ook de uitgebreide bloemlezing onder redactie van Ineke Huysman en Ad Leerintveld, Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest 2022).

[5] Verzameling musica, medica, etc. bijeengebracht door Constantijn Huygens, 1616-1684, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, KA 47, folio 461r.

[6] Beroemdheid verwierf Charas door de publicatie van zijn medische werk Pharmacopée royale, galénique et chymique in 1676. Het werd meermalen herdrukt en in vele talen vertaald, onder andere in het Chinees.

[7] Huygens schrijft ‘les disciples de Helmont’, doelend op volgelingen van Jan Baptist van Helmont, alchemist en chemicus die volgens veel tijdgenoten omstreden ideeën had.

[8] ‘Le seul passage de Votre Majesté a tellement parfumé l’air de ces provinces’.

HUYGENS! met La Sfera Armoniosa


‘Een audiovisuele geurbeleving’

Op 13 september 2024 werd in een uitverkochte Grote Kerk in Den Haag de voorstelling Huygens! opgevoerd. Daarbij was aandacht voor het veelzijdige leven van Constantijn Huygens (1596-1687) in een muzikale uitvoering van woord, beeld en geur. Deze 17e-eeuwse Hagenaar, begraven in de Grote Kerk in Den Haag, was niet alleen een bekend diplomaat en secretaris van drie stadhouders, maar ook een getalenteerd dichter, musicus, kunstkenner, architect en wetenschapper. Tot voor kort was het onbekend dat hij ook een gepassioneerd parfumeur was: er zijn meer dan 150 recepten van zijn hand bewaard gebleven.


In dit programma besteedde Ineke Huysman (Huygens Institute/NL-Lab) daaraan aandacht en ook aan de vele vrouwelijke contacten die Huygens had en die een rode draad door zijn lange leven speelden. Daarbij speelde het barokgezelschap La Sfera Armoniosa (dit jaar genomineerd voor een Edison) onder leiding van Mike Fentross muziek van Huygens’ eigen composities en die van zijn muzikale contacten, zoals Lanier, Foscarini, Monteverdi en Lambert. Lydia Boer liet op het orgel van de Grote Kerk horen hoe een psalm in de tijd van Huygens daar geklonken moet hebben.


La Sfera Armoniosa – Constantijn Huygens!


Alkmaar, Lutherse Kerk, zaterdag 30 maart 2024, 20:00 – 21:30 uur

Ontdek het veelzijdige leven van Constantijn Huygens in een muzikale uitvoering van woord, beeld en geur. Deze 17e-eeuwer was niet alleen een bekende diplomaat en secretaris van drie stadhouders, maar ook een getalenteerd dichter, musicus, kunstkenner, architect en wetenschapper. Tot voor kort was het onbekend dat hij ook een gepassioneerd parfumeur was: er zijn onlangs 150 recepten van zijn hand ontdekt. Opvallend is bovendien dat Constantijn Huygens veel vrouwelijke contacten had.

In dit programma uitgevoerd door La Sfera Armoniosa wordt aandacht besteed aan die relaties die een rode draad door zijn lange leven hebben gespeeld. Verhalen en beelden laten zien hoe hij en zijn vriendinnen elkaars leven hebben beïnvloed. Daarbij wordt muziek uitgevoerd van Huygens’ eigen composities en die van zijn muzikale contacten, zoals Lanier, Foscarini en Lambert.

Met:
• Lette Vos – Sopraan
• Ineke Huysman – Spreker (Huygens Instituut)
• Paulina van Laarhoven – Viola da gamba
• Mike Fentross – Theorbe en barokgitaar

Kaartverkoop: https://www.klassiekemuziek.nl/e/17628/la-sfera-armoniosa-constantijn-huygens

https://kerkfotografie.nl/evangelisch-lutherse-kerk-alkmaar

Huygens’ laatste muziekbrief

Zoals Rudolf Rasch’ 300 brieven over muziek van, aan en rond Constantijn Huygens (2007) duidelijk maakt, is muziek een belangrijk en vaak weerkerend onderwerp in Huygens’ correspondentie. Huygens’ oudste overgeleverde muziekbrief dateert van 20 maart 1609, en is de korte brief van een dertienjarige, plichtsbewuste zoon aan zijn vader (brief 4). De laatste brief, die het onderwerp is van dit blogbericht, dateert van 20 januari 1687 en is de brief van een negentigjarige man die in amper 400 woorden terugblikt op een leven mét en vol van muziek (brief 7251). Huygens schreef de brief nauwelijks twee maanden voor zijn dood. Dat alles maakt het tot een van Huygens’ meest persoonlijke en ontroerende brieven.

Tussen Huygens’ eerste en laatste brief ligt een hele wereld die wordt bevolkt door componisten, professionele musici en muziekliefhebbers, en die bovenal wordt gekenmerkt door vele vriendschappen. Zo speelde muziek een grote rol in Huygens’ relaties met Maria Casembroot, Utricia Ogle en Béatrix de Cusance. Maar de langstdurende muziekvriendschap die Huygens zou aanknopen, was die met de Antwerpse familie Duarte, en meer bepaald met vader Gaspar Duarte en diens oudste zoon Diego.

Brief van Constantijn Huygens aan Diego Duarte, 20 januari 1687, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Duarte

Gaspars vader was, in de tweede helft van de zestiende eeuw, weggetrokken uit Portugal. In Antwerpen bouwden achtereenvolgens Gaspars vader, Gaspar zelf en ten slotte zijn oudste zoon Diego een succesvolle en internationaal gereputeerde juwelenhandel uit. Die juwelenhandel was initieel de reden waarom Huygens en Gaspar Duarte brieven uitwisselden. Huygens was omstreeks 1640 immers op zoek naar een juweel voor het stadhouderlijke hof, bestemd voor de Engelse prinses Mary. Maar vrijwel onmiddellijk nam het thema muziek een belangrijke plaats in de brieven in. Gaspar Duarte was, net als Huygens, een groot muziekliefhebber en hij speelde zelf muziek. Voor Duarte was er bovendien nog meer aan de hand: hij en zijn gezin leefden als katholieken in een katholieke stad, maar ze hadden joodse wortels, en om die joodse wortels werden ze vaak met wantrouwen benaderd. Gaspar moet al snel hebben ontdekt dat muziek een universele taal was die geografische en religieuze grenzen kon overstijgen en hem kon helpen om contacten te leggen en vriendschappen aan te gaan.

Gonzales Cocques en/of atelier, Portret van een familie (De familie Duarte) (Stift St. Paul, Lavanttal, in bruikleen aan het Snijders&Rockoxhuis, Antwerpen).

Gaspar Duarte zorgde ervoor dat (de meesten van) zijn twee zonen en vier dochters een doorgedreven muziekopleiding genoten. En vanaf jonge leeftijd gaven Gaspar en enkele van zijn dochters huisconcerten waarop handelscontacten en vrienden uit zowat heel West-Europa aanwezig waren. Jood, katholiek, anglicaan en calvinist waren welkom. Het hoogtepunt van de concerten lag tussen 1635 en 1650. In 1653 overleed Gaspar Duarte, waarna het muziekleven van de Duartes een meer privaat karakter lijkt te hebben gekregen.

Met Gaspars dood nam zijn zoon Diego de rol als Huygens’ correspondent over. De briefwisseling die Huygens en Diego Duarte voerden, zou pas eindigen met Huygens’ dood op 28 maart 1687. Huygens’ allerlaatste brief waarin muziek een rol speelde, de brief van 20 januari 1687, was aan Diego Duarte gericht. In die brief denkt Huygens bovendien nog eenmaal uitdrukkelijk terug aan Gaspar, ‘mijn goede vriend en heer Uw vader saliger’. Het was de laatste bladzijde in een vriendschap die vijf decennia had geduurd en daarmee een belangrijke constante in Huygens’ leven was geweest.

Doorheen de jaren converseerde Huygens met Gaspar en Diego Duarte over allerlei onderwerpen: familiale nieuwtjes, praktische vragen om hulp, de uitwisseling van informatie allerhande. Maar steeds opnieuw keerde de conversatie terug naar de muziek. Dat de vriendschap tussen Huygens en de Duartes zo duurzaam bleek te zijn, heeft mogelijk te maken met het feit dat Huygens op muzikaal vlak veel van zichzelf in de Duartes herkende. Tot op zekere hoogte waren de families immers een spiegel voor elkaar, allebei bijzonder begaafd, met brede (culturele) interesses en een grote muzikale honger en nieuwsgierigheid.

Instrumenten

Gaspar Borbon, viola da gamba (Museum Vleeshuis, Antwerpen)

Als het over muziek ging, hoefde Constantijn Huygens niet als een luisteraar aan de zijlijn te blijven staan. In die allerlaatste muziekbrief, de brief van januari 1687, verwijst Huygens naar ‘de vijffderhande instrumenten’, de vijf instrumenten, die hij beheerste, namelijk de luit, de viola da gamba, het klavecimbel, de theorbe en de gitaar. Volgens zijn eigen getuigenis leerde Huygens al zingen toen hij twee jaar oud was, leerde hij de viola da gamba te bespelen vanaf zijn zevende, en de luit vanaf zijn achtste. Klavecimbel en orgel volgden toen hij ongeveer zeventien was. Later maakte Huygens ook kennis met de getheorbeerde luit en de theorbe. Die laatste is wellicht te zien op het portret dat Thomas De Keyser van Huygens maakte. En tegen 1670 had Huygens de gitaar aan dat lijstje toegevoegd.

Thomas de Keyser, Portret van Constantijn Huygens en zijn secretaris (detail). Rechts, op de tafel, onder de papieren, ligt een getheorbeerde luit. (National Gallery, Londen)

Huygens’ instrumenten waren ook de instrumenten van de Duartes. Dat blijkt onder meer uit een brief waarin Gaspar Duarte aan Huygens uitlegt in welke diverse bezettingen hij en zijn kinderen concerten gaven. Tijdens die concerten zongen Gaspar en zijn dochters, en bespeelden ze onder meer het klavecimbel of het virginaal, de viola da gamba, de theorbe en de luit. Dochter Leonora stond bekend als een begaafd zangeres, en haar zus Francisca was een bijzonder virtuoos klaveciniste. Een lofdicht van Huygens’ vriendin Anna Roemers Visscher getuigt van de hoge kwaliteit van hun muziekuitvoeringen. En ook onder meer de Engelse royalistische vluchtelinge Margaret Cavendish en de Zweedse koningin Christina hadden lof voor de muziekkunsten van de dochters Duarte.

Huygens’ muzikale interesse ging verder dan het louter uitvoeren van muziek. Hij was geïnteresseerd in muziektheorie en in evoluties in de instrumentenbouw. Omstreeks 1648 wilde Huygens een nieuw klavecimbel aanschaffen. En daarvoor zocht hij de bemiddeling van Gaspar Duarte.[1]  Huygens wilde een klavecimbel uit de ateliers van de familie Ruckers-Couchet, maar had heel specifieke wensen over de uitzonderlijke omvang van het klavier en de besnaring. Die wensen moest Gaspar Duarte aan de bouwer, Joannes Couchet, overbrengen. Dat deed Duarte met plezier, want ook hij ging zich graag bemoeien in het atelier. Het resultaat was een instrument zoals Couchet er nog nooit een had gebouwd.

Muziekbibliotheek

In de families Huygens en Duarte werd niet alleen gemusiceerd, er werd ook gecomponeerd. Aan Duartezijde werden slechts zeven muziekwerken overgeleverd, sinfonias gecomponeerd door Leonora en bewaard in een handschrift uit de bibliotheek van Christ Church, Oxford. Een veelvoud aan composities is verloren gegaan, dat blijkt ook uit Huygens’ laatste muziekbrief. Huygens schreef die brief om Diego Duarte te bedanken. Diego had hem kort tevoren immers zijn integrale psalmcomposities bezorgd, een project waaraan hij minstens vijftien jaren had gewerkt en waarvan hij het resultaat aan Huygens wilde opdragen. Al deze psalmcomposities zijn verloren gegaan.

In dezelfde brief verwijst Huygens naar de meer dan 800 muziekwerken die hij zelf doorheen zijn leven had gecomponeerd. Vandaag is van die meer dan 800 werken slechts een fractie overgeleverd, namelijk de 39 werken voor stem en basso continuo verzameld in Huygens’ Pathodia sacra et profana, enkele losse liederen en een instrumentale allemande.

Constantijn Huygens, Laetatus sum (uit: Pathodia sacra et profana), bewerkt en uitgevoerd door Korneel Van Neste (contratenor), Justin Glaie (luit), Nina Przewoźniak (viool) en Pieter De Moor (traverso). Museum Vleeshuis, Antwerpen.

Huygens’ correspondentie geeft ons een idee van de inhoud van zijn verloren gegane muziekbibliotheek. Er waren de eigen composities: vele honderden werken voor luit en theorbe en wellicht een kleiner aantal composities voor viola da gamba, gitaar en klavecimbel. Waarschijnlijk gaat het vooral om korte, dansante stukken zoals courantes, gaillardes, gigues, sarabandes. Ook waren er heel wat werken die in hun titel de naam droegen van familie en vrienden, zoals de Plaintes de madame la Duchesse de Lorraine en de Plaintes de Madame la princesse sa fille, en de Tombeaux et funérailles de Monsieur Duarte (brief 5338). Tot de bibliotheek behoorde allicht ook Huygens’ bundel Pathodia sacra et profana in de overgeleverde versie met basso continuo, maar wellicht ook in een versie met luittablatuur en in een versie voor drie zangstemmen.

Met ruim 800 composities was Huygens een van de meer productieve Nederlandse componisten uit zijn tijd. Helaas toonden zijn nazaten amper interesse voor zijn muziekbibliotheek en ging bijna alles verloren. Er is natuurlijk nog altijd de hoop dat een deel van die verloren gegane muziek ooit opduikt. In 1738 ontdekte de Zeeuwse auteur Pieter de la Ruë drie oblong banden in de Middelburgse boekhandel van de gebroeders Callenfels. In de banden had Huygens minstens 115 van zijn eigen luitcomposities samengebracht.De gebroeders Callenfels hadden de banden verworven via een Haagse boekhandelaar en uitgever, en die had ze op zijn beurt gekocht ‘van een Jood’.[2]

George Kockers, Portret van Pieter de la Ruë (Rijksmuseum, Amsterdam).

Huygens’ bibliotheek bevatte niet alleen muziek van hemzelf, maar ook van andere componisten. Allicht dus ook van de Duartes, zoals Diego’s complete psalmzettingen, maar ook losse liederen en andere werken. In zijn brief van 20 januari 1687 heeft Huygens het over de ‘de successie van de musieckale productiën, daer mede het edele huys Duarte van allen tijden de wereld heeft verheught ende vereert’. Toch zal de muziekproductie van de Duartes maar een fractie hebben uitgemaakt van Huygens’ totale muziekbibliotheek.

De veilingcatalogus van zijn bibliotheek vermeldt ongeveer 80 gedrukte muziekboeken. Het gaat daarbij om uitgaven met muziek van beroemde componisten als Jan Pieterszoon Sweelinck en Orlandus Lassus, maar ook van de nauwelijks bekende Joannes De Haze, een goede Antwerpse vriend en muziekpartner van Diego Duarte.

Daarnaast ging Huygens vaak rechtstreeks naar de bron en onderhield hij contacten met componisten als Jacques Champion de Chambonnières, Giovanni Paolo Foscarini, Jacques de Saint-Luc, Nicholas Lanier, Henri Dumont, Joseph en Pierre de la Barre, Thomas Gobert, Jacob Froberger en Jacques Gaultier. Sommige componisten zou Huygens persoonlijk ontmoeten, in Londen of Parijs, maar in andere gevallen bleef het bij brieven. Vaak was dat contact gedurende een korte tijd intens en verwaterde het weer na enkele jaren. Sommige componisten, zoals Lanier en Chambonnières behoorden ook tot de kennissen van de Duartes.

Samen gingen Huygens en de Duartes op zoek naar interessante componisten, en speelden ze namen aan elkaar door. Ook benutten ze elkaars netwerk ten volle voor het verzamelen en uitwisselen van muziekstukken. Wat de ene familie in handen kreeg werd al eens gekopieerd voor de andere. Zo beschikte Huygens over de bundel Konincklycke Fantasieën met muziek van Thomas Lupo, Giovanni Coprario en Orlando Gibbons. En daar werd uit gekopieerd voor de Duartes en hun huisconcerten (brief 4910). Ook de muziek van Chambonnières werd gretig gedeeld. En vaak werden de werken weer verder doorgegeven aan andere vrienden zoals Utricia Ogle of Béatrix de Cusance.

Een medicijn bij verdriet

Muziek was, in de zeventiende eeuw, zelden vrijblijvend vermaak. Ouders van stand die hun kinderen een verfijnde opvoeding wilden geven en daar de financiële middelen voor hadden, zorgden voor muzieklessen. Vaak viola da gamba of een tokkelinstrument zoals de luit voor de jongens, en klavierinstrumenten, zoals het klavecimbel, voor de meisjes. Constantijn Huygens beheerste ze allemaal. Je moest overigens niet overdrijven in dat musiceren, want opscheppen met je talent was dan ijdel en zondig. Je wilde als amateur ook niet verward worden met een professionele musicus die met ijdele virtuositeit zijn boterham verdiende. Kortom, het moest liefhebberij blijven. Dat is één van de redenen waarom Huygens’ naam niet op de titelpagina van zijn Pathodia prijkt, maar hij er enkel wordt aangeduid met het Latijnse woord ‘occupatus’, drukbezet man.

Muzieklessen deden ook meteen dienst als levenslessen: muziek had een mathematische basis en weerspiegelde het universum. Muziek bracht harmonie in het leven, want ‘de musique geene teghenstrijdicheijt in haerselven en tollereert’, schreef Diego Duarte aan Huygens. En is de partituur op het portret van Huygens en zijn echtgenote ook geen symbool van huwelijkse harmonie?

Jacob van Campen, Dubbelportret van Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle (Mauritshuis, Den Haag).

Hoe Constantijn Huygens, de Duartes en heel wat tijdgenoten naar muziek keken, wordt prachtig samengevat door een spreuk die Antwerpse klavecimbel- en virginaalbouwers wel eens op de deksels van hun instrumenten aanbrachten. Die spreuk is bovendien ook te zien op een schilderij van Johannes Vermeer (van wie Diego Duarte een werk bezat). Omstreeks 1660-1662 schilderde Vermeer Dame aan het virginaal met een heer, beter bekend als De muziekles. Op dat werk zijn een musicerende dame en heer te zien én een Antwerps virginaal, wellicht van het huis Ruckers-Couchet waarvan Huygens ook een instrument bezat. Op het deksel valt het motto ‘Musica letitiae comes, medicina dolorum’, ‘muziek is een gezel bij vreugde, een medicijn bij verdriet’, te lezen.

Johannes Vermeer, Dame aan het virginaal met een heer (De muziekles) (Royal Collection Trust; afbeelding: Wikimedia).

Huygens was zijn ouders dankbaar voor de muzikale opvoeding die hij genoten had en stelde uitdrukkelijk dat hij door de muziek van veel mensen vriendschap en waardering had ondervonden. De vriendschap met de Duartes was daar slechts één voorbeeld van. Daarnaast kon Huygens zich, zo blijkt uit de brief van 20 januari 1687, nog steeds vermaken met de theorbe – het resultaat was goed genoeg opdat ‘een droncken boer het gebreck niet en soude gewaer werden’. Kortom, muziek was steeds een bron van en gezel bij vreugde geweest.

Maar muziek kon ook troosten. Toen Gaspar Duarte in 1653 was overleden, rouwde Huygens. ‘[Un Orage] vient de tomber sur ce beau Mont Parnasse à Anvers’, ‘een onweer heeft de Antwerpse Parnassusberg getroffen’, noteerde hij. Het bleef echter niet bij woorden: Huygens zou ook muziek componeren ter nagedachtenis van zijn overleden vriend, en hij riep anderen op om hetzelfde te doen. De muziek was hier nog misschien vooral een publiek eerbetoon. Maar in latere jaren lijkt muziek ook de rol van persoonlijke troost en afleiding bij verdriet te zijn geweest. In de brief van 20 januari 1687 drukt Huygens de hoop uit dat Diego Duarte in de muziek afleiding zou kunnen vinden in ‘dese anders verdrietighe eensaemheijt’. Diego Duarte was op dat ogenblik de laatste Antwerpse Duarte die nog in leven was – zijn broer en zussen waren tussen 1674 en 1685 allemaal, ongehuwd en kinderloos, overleden.

De brief van 20 januari 1687 is een heel persoonlijke brief aan een oude vriend. Voor de laatste keer worden herinnering opgehaald, aan lang geleden, aan het muzikale kunnen van weleer en aan de vele composities die Huygens’ en de Duartes hebben geproduceerd. Huygens klaagt hoe jicht hem het spelen moeilijk maakt, maar hij wil de muziek nog niet opgeven. En hij hoopt dat Diego Duarte troost kan vinden in het musiceren. Wellicht is er geen brief in Huygens’ oeuvre die mooier uitdrukt hoe ‘muziek een vriend kan zijn bij vreugde, en een medicijn bij verdriet’, en dat is wellicht ook hoe Huygens en de Duartes elkaars brieven hebben ervaren.

Timothy De Paepe


[1] Zie Timothy De Paepe, ‘Huygens’ klavecimbel’, in: Ineke Huysman en Ad Leerintveld (eds.) Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest 2022) 170-175.

[2] S.D. Post, ‘Constantijn Huygens’ Muscae. Achttiende-eeuws handschrift werpt nieuw licht op Huygens’ nagelaten composities’, in De Zeventiende Eeuw 8 (1992), 275-281.