Een scherpe neus

De vijf zintuigen (Quinque sensus hominum) door Cornelis Galle, naar een prent van Johann Liss, ca. 1610 – ca. 1678, Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1902-A-22485.

De vele activiteiten die Constantijn Huygens (1596-1687) er op na hield, zouden we nu als nevenwerkzaamheden of hobby’s omschrijven. Naast zijn professionele taken als diplomaat en secretaris van prinsen van Oranje Frederik Hendrik en Willem II, was Huygens bepaald niet onverdienstelijk als architect, musicus, componist, geleerde en polyglot. Echt beroemd werd hij om zijn dichtkunst, zijn poëzie wordt nog altijd in diverse talen uitgegeven en gelezen.[1] Maar of dit nog niet genoeg was, hield Huygens zich ook bezig met geur: hij was een enthousiast amateur-parfumeur.[2] Zo zijn er van zijn hand meer dan 150 parfum-recepten bewaard gebleven, waar momenteel onderzoek naar wordt gedaan door het Jonge Akademie project Geheugen van Geur.[3] Van de vijf klassieke zintuigen kon de reukzin op  zijn bovengemiddelde interesse rekenen. In zijn uitgebreide correspondentie bevinden zich dan ook meerdere brieven waarin geur een belangrijke component vormt.[4]

Portret van Caspar Barlaeus door Joachim von Sandrart, 1637-1643, Rijksmuseum Amsterdam, RP-T-1885-A-480.

Huygens’ veelzijdigheid ontging ook zijn tijdgenoten niet. In december 1639 schrijft zijn vriend Caspar Barlæus hem een brief in het Latijn. Hierin prijst hij Huygens om zijn ‘verheven voorkeuren’. Zo beschrijft hij Huygens’ reukzin door te zeggen dat hij zijn neus ‘niets anders voorhoudt dan balletjes van verzen die smakelijk zijn door geurstoffen en besprenkeld met sesam’. Als Huygens twee jaar later gebukt gaat onder problemen met zijn gehoor, troost Barlæus Huygens door hem eraan te herinneren dat hij nog altijd een scherpe neus heeft.

Met diverse correspondenten wisselt Huygens recepten uit. Zoals met Eleonore de Volvire, markiezin van Ruffec. In 1645 ontvangt hij van haar een recept om amberwater te maken. Op de achterzijde voegt zij toe dat het recept geheim moet blijven. Op haar beurt heeft ze het recept weer gekregen van François de Bassompiere, maarschalk in dienst van het Franse hof. Het geparfumeerde water moet goed afgesloten worden bewaard, zodat er geen lucht bij kan komen. Liefst met Spaanse was, aldus het recept.[5] Dat taal geen beletsel vormde in de correspondentie, blijkt uit Huygens brief in het Engels, aan Henry Oldenburg, eind januari 1677. Hij stuurt de befaamde secretaris van de Royal Society in Londen een recept voor ‘true Hungary water’, rozemarijnwater, vernoemd naar een Hongaarse koningin die het in de 14e eeuw voor het eerst gebruikt zou hebben. Het resultaat zou beter zijn als men de bloemen van de rozemarijn gebruikt in plaats van de naalden. Zie ook het blog hierover van Ineke Huysman: Hongaars koninginnewater.

Portret van Andreas Colvius door Salomon Savery, naar een schilderij van Albert Cuyp, 1646-1665, Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1898-A-20715.

Het vinden van de juiste ingrediënten was essentieel voor het creëren van geuren en veel van de correspondentie was op deze zoektocht gericht. Huygens stuurt zijn vriend, de predikant en natuurkundige Andreas Colvius meerdere keren het kostbare ambergris toe, getuige de bedankbrieven die Huygens in 1649 van hem ontvangt. De twee corresponderen vaker over bestanddelen, zoals ook blijkt uit een brief van Huygens aan Colvius uit 1653, waarin hij hem op verzoek een monster van Ben’s olie toestuurt, verkregen uit de hars van de tropische boom Styrax benzoin, en enkele stukken Beaume en Roche. Over die laatste maken  parfumeurs veel ophef, aldus Huygens. Omdat de substantie in noten met een zeer harde schil zit, die door de plakkerigheid moeilijk los te krijgen is, stuurt Huygens stukken met schil en al. De toepassing betreft niet alleen een aromatische. De Fransen bereiden beaume en roche ook in een cassoulet, een aardewerken pot, die lang op het vuur kan staan. Verder kan Huygens melden dat zodra je een stuk in je mond stopt, het zacht wordt en een aangename geur aan de adem geeft. Zie ook het blog hierover van Ad Leerintveld: Geurende geschenken en meer.

Het lukt niet elke correspondent om de hand te leggen op de juiste grondstoffen. Fréderic Rivet, secretaris van Amalia van Solms, rapporteert vanuit Londen dat hij meermalen de Thames is overgestoken om geurstoffen bij een scheikundige te bemachtigen. Tevergeefs: hij treft de niet bij naam genoemde persoon steeds niet thuis aan.

Dubbelportret van Johan Brosterhuisen (links) en Jacob van der Burg (rechts) door David Bailly, 1624, Teylers Museum Haarlem

Ook met zijn boezemvriend, de schrijver, vertaler en botanist Johan Brosterhuisen correspondeerde Huygens over geur. De briefwisseling tussen de twee heeft vooral een technisch karakter. Zo behandelt Brosterhuisen in een brief uit 1629 het werk van de Engelse filosoof en wetenschapsbeoefenaar Francis Bacon, die schrijft over de verschillende manieren waarop geur zich in een ruimte verspreidt. De vrienden theoretiseren over hoe dat (technisch) kan. Een jaar later moet Brosterhuisen bekennen dat hij geen ‘taartpannetje’ in zijn fornuis heeft: hij gebruikt zijn fornuis alleen om te distilleren. Dat is hem heel goed gelukt, zelfs om olie te extraheren.

Portret van Moyse Charas door L’Anglais(?), datum onbekend, Wellcome Collection Londen.

Dat ook het geneeskundige aspect van geurstoffen Huygens interesseerde blijkt uit zijn briefwisseling met Moïse Charas, apotheker in Orange. Later maakte hij ook deel uit van de magistraat van Orange. Vanaf 1659 vestigde hij zich als apotheker van ‘Monsieur’ (de broer van Lodewijk XIV) in Parijs, waar hij vanaf 1671 ook docent in de chemie was aan de Jardin des Plantes. Daarna bracht hij enige tijd door aan het hof van de Engelse koning Karel II. [6] In 1666 meldt Huygens Charas dat hij heeft gehoord dat sommigen bij de vervaardiging van essence de Corail menselijk bloed als oplosmiddel gebruiken, waarschijnlijk om de kenmerkende rode kleur van (bloed-)koraal te verkrijgen. Huygens betoont zich geen aanhanger van deze methode.[7]

Portret van Louise Marie Gonzaga de Nevers, Koningin van Polen, door Justus van Egmont, 1646, Wikimedia Commons.

Geur als metafoor was nooit ver uit Huygens’ gedachten. Zelfs als een brief niet rechtstreeks betrekking had op de reukzin. Nadat de Poolse koningin Marie-Louise van Gonzaga Nevers begin januari 1648 de Republiek heeft aangedaan, stuurt hij haar een brief vergezeld van een van zijn eigen composities. Complimenteus schrijft Huygens haar dat haar doortocht alleen al de lucht van deze provincies welriekend heeft gemaakt.[8] Dat is een opvallende woordkeuze voor een brief die niet een geurwerk als bijlage heeft, maar een muziekstuk. 

De correspondentie van Constantijn Huygens onthult een fascinerend, maar tot nu toe onderbelicht aspect van zijn intellectuele leven: zijn diepe interesse in geur. Naast zijn uitgebreide kennis van andere disciplines experimenteerde Huygens ook met het creëren van parfums, wat blijkt uit de vele recepten die hij ontwikkelde. Hoewel zijn brieven vaak verwijzen naar deze geurige experimenten en de zoektocht naar zeldzame ingrediënten, is er tot op heden weinig onderzoek gedaan naar deze kant van zijn werk. Dankzij recente projecten zoals Geheugen van Geur waar een van Huygens’ recepten is gereconstrueerd, begint deze bijzondere dimensie van Huygens’ nalatenschap echter eindelijk de aandacht te krijgen die het verdient.

Hanna de Lange, Geheugen van Geur, 13 augustus 2024


[1] Een voorbeeld van een recente, in het Engels vertaalde, uitgave is A Selection of the Poems of Sir Constantijn Huygens (1596-1687), onder redactie van Adriaan van der Weel en Peter Davidson (Amsterdam University Press, 2015).

[2] Zie ook: Ineke Huysman, Constantijn Huygens as Amateur Parfumer”, in Ariane van Suchtelen et Lizzy Marx (eds.), Fleeting – Scents in Colour: Scent and smell in Dutch and Flemish 17th century art (Den Haag, Zwolle 2021) 109–114.

[3] Verzameling musica, medica, etc. bijeengebracht door Constantijn Huygens, 1616-1684, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, KA 47.

[4] Zie ook de uitgebreide bloemlezing onder redactie van Ineke Huysman en Ad Leerintveld, Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest 2022).

[5] Verzameling musica, medica, etc. bijeengebracht door Constantijn Huygens, 1616-1684, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, KA 47, folio 461r.

[6] Beroemdheid verwierf Charas door de publicatie van zijn medische werk Pharmacopée royale, galénique et chymique in 1676. Het werd meermalen herdrukt en in vele talen vertaald, onder andere in het Chinees.

[7] Huygens schrijft ‘les disciples de Helmont’, doelend op volgelingen van Jan Baptist van Helmont, alchemist en chemicus die volgens veel tijdgenoten omstreden ideeën had.

[8] ‘Le seul passage de Votre Majesté a tellement parfumé l’air de ces provinces’.

HUYGENS! met La Sfera Armoniosa


‘Een audiovisuele geurbeleving’

Op 13 september 2024 werd in een uitverkochte Grote Kerk in Den Haag de voorstelling Huygens! opgevoerd. Daarbij was aandacht voor het veelzijdige leven van Constantijn Huygens (1596-1687) in een muzikale uitvoering van woord, beeld en geur. Deze 17e-eeuwse Hagenaar, begraven in de Grote Kerk in Den Haag, was niet alleen een bekend diplomaat en secretaris van drie stadhouders, maar ook een getalenteerd dichter, musicus, kunstkenner, architect en wetenschapper. Tot voor kort was het onbekend dat hij ook een gepassioneerd parfumeur was: er zijn meer dan 150 recepten van zijn hand bewaard gebleven.


In dit programma besteedde Ineke Huysman (Huygens Institute/NL-Lab) daaraan aandacht en ook aan de vele vrouwelijke contacten die Huygens had en die een rode draad door zijn lange leven speelden. Daarbij speelde het barokgezelschap La Sfera Armoniosa (dit jaar genomineerd voor een Edison) onder leiding van Mike Fentross muziek van Huygens’ eigen composities en die van zijn muzikale contacten, zoals Lanier, Foscarini, Monteverdi en Lambert. Lydia Boer liet op het orgel van de Grote Kerk horen hoe een psalm in de tijd van Huygens daar geklonken moet hebben.


La Sfera Armoniosa – Constantijn Huygens!


Alkmaar, Lutherse Kerk, zaterdag 30 maart 2024, 20:00 – 21:30 uur

Ontdek het veelzijdige leven van Constantijn Huygens in een muzikale uitvoering van woord, beeld en geur. Deze 17e-eeuwer was niet alleen een bekende diplomaat en secretaris van drie stadhouders, maar ook een getalenteerd dichter, musicus, kunstkenner, architect en wetenschapper. Tot voor kort was het onbekend dat hij ook een gepassioneerd parfumeur was: er zijn onlangs 150 recepten van zijn hand ontdekt. Opvallend is bovendien dat Constantijn Huygens veel vrouwelijke contacten had.

In dit programma uitgevoerd door La Sfera Armoniosa wordt aandacht besteed aan die relaties die een rode draad door zijn lange leven hebben gespeeld. Verhalen en beelden laten zien hoe hij en zijn vriendinnen elkaars leven hebben beïnvloed. Daarbij wordt muziek uitgevoerd van Huygens’ eigen composities en die van zijn muzikale contacten, zoals Lanier, Foscarini en Lambert.

Met:
• Lette Vos – Sopraan
• Ineke Huysman – Spreker (Huygens Instituut)
• Paulina van Laarhoven – Viola da gamba
• Mike Fentross – Theorbe en barokgitaar

Kaartverkoop: https://www.klassiekemuziek.nl/e/17628/la-sfera-armoniosa-constantijn-huygens

https://kerkfotografie.nl/evangelisch-lutherse-kerk-alkmaar

Huygens’ laatste muziekbrief

Zoals Rudolf Rasch’ 300 brieven over muziek van, aan en rond Constantijn Huygens (2007) duidelijk maakt, is muziek een belangrijk en vaak weerkerend onderwerp in Huygens’ correspondentie. Huygens’ oudste overgeleverde muziekbrief dateert van 20 maart 1609, en is de korte brief van een dertienjarige, plichtsbewuste zoon aan zijn vader (brief 4). De laatste brief, die het onderwerp is van dit blogbericht, dateert van 20 januari 1687 en is de brief van een negentigjarige man die in amper 400 woorden terugblikt op een leven mét en vol van muziek (brief 7251). Huygens schreef de brief nauwelijks twee maanden voor zijn dood. Dat alles maakt het tot een van Huygens’ meest persoonlijke en ontroerende brieven.

Tussen Huygens’ eerste en laatste brief ligt een hele wereld die wordt bevolkt door componisten, professionele musici en muziekliefhebbers, en die bovenal wordt gekenmerkt door vele vriendschappen. Zo speelde muziek een grote rol in Huygens’ relaties met Maria Casembroot, Utricia Ogle en Béatrix de Cusance. Maar de langstdurende muziekvriendschap die Huygens zou aanknopen, was die met de Antwerpse familie Duarte, en meer bepaald met vader Gaspar Duarte en diens oudste zoon Diego.

Brief van Constantijn Huygens aan Diego Duarte, 20 januari 1687, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Duarte

Gaspars vader was, in de tweede helft van de zestiende eeuw, weggetrokken uit Portugal. In Antwerpen bouwden achtereenvolgens Gaspars vader, Gaspar zelf en ten slotte zijn oudste zoon Diego een succesvolle en internationaal gereputeerde juwelenhandel uit. Die juwelenhandel was initieel de reden waarom Huygens en Gaspar Duarte brieven uitwisselden. Huygens was omstreeks 1640 immers op zoek naar een juweel voor het stadhouderlijke hof, bestemd voor de Engelse prinses Mary. Maar vrijwel onmiddellijk nam het thema muziek een belangrijke plaats in de brieven in. Gaspar Duarte was, net als Huygens, een groot muziekliefhebber en hij speelde zelf muziek. Voor Duarte was er bovendien nog meer aan de hand: hij en zijn gezin leefden als katholieken in een katholieke stad, maar ze hadden joodse wortels, en om die joodse wortels werden ze vaak met wantrouwen benaderd. Gaspar moet al snel hebben ontdekt dat muziek een universele taal was die geografische en religieuze grenzen kon overstijgen en hem kon helpen om contacten te leggen en vriendschappen aan te gaan.

Gonzales Cocques en/of atelier, Portret van een familie (De familie Duarte) (Stift St. Paul, Lavanttal, in bruikleen aan het Snijders&Rockoxhuis, Antwerpen).

Gaspar Duarte zorgde ervoor dat (de meesten van) zijn twee zonen en vier dochters een doorgedreven muziekopleiding genoten. En vanaf jonge leeftijd gaven Gaspar en enkele van zijn dochters huisconcerten waarop handelscontacten en vrienden uit zowat heel West-Europa aanwezig waren. Jood, katholiek, anglicaan en calvinist waren welkom. Het hoogtepunt van de concerten lag tussen 1635 en 1650. In 1653 overleed Gaspar Duarte, waarna het muziekleven van de Duartes een meer privaat karakter lijkt te hebben gekregen.

Met Gaspars dood nam zijn zoon Diego de rol als Huygens’ correspondent over. De briefwisseling die Huygens en Diego Duarte voerden, zou pas eindigen met Huygens’ dood op 28 maart 1687. Huygens’ allerlaatste brief waarin muziek een rol speelde, de brief van 20 januari 1687, was aan Diego Duarte gericht. In die brief denkt Huygens bovendien nog eenmaal uitdrukkelijk terug aan Gaspar, ‘mijn goede vriend en heer Uw vader saliger’. Het was de laatste bladzijde in een vriendschap die vijf decennia had geduurd en daarmee een belangrijke constante in Huygens’ leven was geweest.

Doorheen de jaren converseerde Huygens met Gaspar en Diego Duarte over allerlei onderwerpen: familiale nieuwtjes, praktische vragen om hulp, de uitwisseling van informatie allerhande. Maar steeds opnieuw keerde de conversatie terug naar de muziek. Dat de vriendschap tussen Huygens en de Duartes zo duurzaam bleek te zijn, heeft mogelijk te maken met het feit dat Huygens op muzikaal vlak veel van zichzelf in de Duartes herkende. Tot op zekere hoogte waren de families immers een spiegel voor elkaar, allebei bijzonder begaafd, met brede (culturele) interesses en een grote muzikale honger en nieuwsgierigheid.

Instrumenten

Gaspar Borbon, viola da gamba (Museum Vleeshuis, Antwerpen)

Als het over muziek ging, hoefde Constantijn Huygens niet als een luisteraar aan de zijlijn te blijven staan. In die allerlaatste muziekbrief, de brief van januari 1687, verwijst Huygens naar ‘de vijffderhande instrumenten’, de vijf instrumenten, die hij beheerste, namelijk de luit, de viola da gamba, het klavecimbel, de theorbe en de gitaar. Volgens zijn eigen getuigenis leerde Huygens al zingen toen hij twee jaar oud was, leerde hij de viola da gamba te bespelen vanaf zijn zevende, en de luit vanaf zijn achtste. Klavecimbel en orgel volgden toen hij ongeveer zeventien was. Later maakte Huygens ook kennis met de getheorbeerde luit en de theorbe. Die laatste is wellicht te zien op het portret dat Thomas De Keyser van Huygens maakte. En tegen 1670 had Huygens de gitaar aan dat lijstje toegevoegd.

Thomas de Keyser, Portret van Constantijn Huygens en zijn secretaris (detail). Rechts, op de tafel, onder de papieren, ligt een getheorbeerde luit. (National Gallery, Londen)

Huygens’ instrumenten waren ook de instrumenten van de Duartes. Dat blijkt onder meer uit een brief waarin Gaspar Duarte aan Huygens uitlegt in welke diverse bezettingen hij en zijn kinderen concerten gaven. Tijdens die concerten zongen Gaspar en zijn dochters, en bespeelden ze onder meer het klavecimbel of het virginaal, de viola da gamba, de theorbe en de luit. Dochter Leonora stond bekend als een begaafd zangeres, en haar zus Francisca was een bijzonder virtuoos klaveciniste. Een lofdicht van Huygens’ vriendin Anna Roemers Visscher getuigt van de hoge kwaliteit van hun muziekuitvoeringen. En ook onder meer de Engelse royalistische vluchtelinge Margaret Cavendish en de Zweedse koningin Christina hadden lof voor de muziekkunsten van de dochters Duarte.

Huygens’ muzikale interesse ging verder dan het louter uitvoeren van muziek. Hij was geïnteresseerd in muziektheorie en in evoluties in de instrumentenbouw. Omstreeks 1648 wilde Huygens een nieuw klavecimbel aanschaffen. En daarvoor zocht hij de bemiddeling van Gaspar Duarte.[1]  Huygens wilde een klavecimbel uit de ateliers van de familie Ruckers-Couchet, maar had heel specifieke wensen over de uitzonderlijke omvang van het klavier en de besnaring. Die wensen moest Gaspar Duarte aan de bouwer, Joannes Couchet, overbrengen. Dat deed Duarte met plezier, want ook hij ging zich graag bemoeien in het atelier. Het resultaat was een instrument zoals Couchet er nog nooit een had gebouwd.

Muziekbibliotheek

In de families Huygens en Duarte werd niet alleen gemusiceerd, er werd ook gecomponeerd. Aan Duartezijde werden slechts zeven muziekwerken overgeleverd, sinfonias gecomponeerd door Leonora en bewaard in een handschrift uit de bibliotheek van Christ Church, Oxford. Een veelvoud aan composities is verloren gegaan, dat blijkt ook uit Huygens’ laatste muziekbrief. Huygens schreef die brief om Diego Duarte te bedanken. Diego had hem kort tevoren immers zijn integrale psalmcomposities bezorgd, een project waaraan hij minstens vijftien jaren had gewerkt en waarvan hij het resultaat aan Huygens wilde opdragen. Al deze psalmcomposities zijn verloren gegaan.

In dezelfde brief verwijst Huygens naar de meer dan 800 muziekwerken die hij zelf doorheen zijn leven had gecomponeerd. Vandaag is van die meer dan 800 werken slechts een fractie overgeleverd, namelijk de 39 werken voor stem en basso continuo verzameld in Huygens’ Pathodia sacra et profana, enkele losse liederen en een instrumentale allemande.

Constantijn Huygens, Laetatus sum (uit: Pathodia sacra et profana), bewerkt en uitgevoerd door Korneel Van Neste (contratenor), Justin Glaie (luit), Nina Przewoźniak (viool) en Pieter De Moor (traverso). Museum Vleeshuis, Antwerpen.

Huygens’ correspondentie geeft ons een idee van de inhoud van zijn verloren gegane muziekbibliotheek. Er waren de eigen composities: vele honderden werken voor luit en theorbe en wellicht een kleiner aantal composities voor viola da gamba, gitaar en klavecimbel. Waarschijnlijk gaat het vooral om korte, dansante stukken zoals courantes, gaillardes, gigues, sarabandes. Ook waren er heel wat werken die in hun titel de naam droegen van familie en vrienden, zoals de Plaintes de madame la Duchesse de Lorraine en de Plaintes de Madame la princesse sa fille, en de Tombeaux et funérailles de Monsieur Duarte (brief 5338). Tot de bibliotheek behoorde allicht ook Huygens’ bundel Pathodia sacra et profana in de overgeleverde versie met basso continuo, maar wellicht ook in een versie met luittablatuur en in een versie voor drie zangstemmen.

Met ruim 800 composities was Huygens een van de meer productieve Nederlandse componisten uit zijn tijd. Helaas toonden zijn nazaten amper interesse voor zijn muziekbibliotheek en ging bijna alles verloren. Er is natuurlijk nog altijd de hoop dat een deel van die verloren gegane muziek ooit opduikt. In 1738 ontdekte de Zeeuwse auteur Pieter de la Ruë drie oblong banden in de Middelburgse boekhandel van de gebroeders Callenfels. In de banden had Huygens minstens 115 van zijn eigen luitcomposities samengebracht.De gebroeders Callenfels hadden de banden verworven via een Haagse boekhandelaar en uitgever, en die had ze op zijn beurt gekocht ‘van een Jood’.[2]

George Kockers, Portret van Pieter de la Ruë (Rijksmuseum, Amsterdam).

Huygens’ bibliotheek bevatte niet alleen muziek van hemzelf, maar ook van andere componisten. Allicht dus ook van de Duartes, zoals Diego’s complete psalmzettingen, maar ook losse liederen en andere werken. In zijn brief van 20 januari 1687 heeft Huygens het over de ‘de successie van de musieckale productiën, daer mede het edele huys Duarte van allen tijden de wereld heeft verheught ende vereert’. Toch zal de muziekproductie van de Duartes maar een fractie hebben uitgemaakt van Huygens’ totale muziekbibliotheek.

De veilingcatalogus van zijn bibliotheek vermeldt ongeveer 80 gedrukte muziekboeken. Het gaat daarbij om uitgaven met muziek van beroemde componisten als Jan Pieterszoon Sweelinck en Orlandus Lassus, maar ook van de nauwelijks bekende Joannes De Haze, een goede Antwerpse vriend en muziekpartner van Diego Duarte.

Daarnaast ging Huygens vaak rechtstreeks naar de bron en onderhield hij contacten met componisten als Jacques Champion de Chambonnières, Giovanni Paolo Foscarini, Jacques de Saint-Luc, Nicholas Lanier, Henri Dumont, Joseph en Pierre de la Barre, Thomas Gobert, Jacob Froberger en Jacques Gaultier. Sommige componisten zou Huygens persoonlijk ontmoeten, in Londen of Parijs, maar in andere gevallen bleef het bij brieven. Vaak was dat contact gedurende een korte tijd intens en verwaterde het weer na enkele jaren. Sommige componisten, zoals Lanier en Chambonnières behoorden ook tot de kennissen van de Duartes.

Samen gingen Huygens en de Duartes op zoek naar interessante componisten, en speelden ze namen aan elkaar door. Ook benutten ze elkaars netwerk ten volle voor het verzamelen en uitwisselen van muziekstukken. Wat de ene familie in handen kreeg werd al eens gekopieerd voor de andere. Zo beschikte Huygens over de bundel Konincklycke Fantasieën met muziek van Thomas Lupo, Giovanni Coprario en Orlando Gibbons. En daar werd uit gekopieerd voor de Duartes en hun huisconcerten (brief 4910). Ook de muziek van Chambonnières werd gretig gedeeld. En vaak werden de werken weer verder doorgegeven aan andere vrienden zoals Utricia Ogle of Béatrix de Cusance.

Een medicijn bij verdriet

Muziek was, in de zeventiende eeuw, zelden vrijblijvend vermaak. Ouders van stand die hun kinderen een verfijnde opvoeding wilden geven en daar de financiële middelen voor hadden, zorgden voor muzieklessen. Vaak viola da gamba of een tokkelinstrument zoals de luit voor de jongens, en klavierinstrumenten, zoals het klavecimbel, voor de meisjes. Constantijn Huygens beheerste ze allemaal. Je moest overigens niet overdrijven in dat musiceren, want opscheppen met je talent was dan ijdel en zondig. Je wilde als amateur ook niet verward worden met een professionele musicus die met ijdele virtuositeit zijn boterham verdiende. Kortom, het moest liefhebberij blijven. Dat is één van de redenen waarom Huygens’ naam niet op de titelpagina van zijn Pathodia prijkt, maar hij er enkel wordt aangeduid met het Latijnse woord ‘occupatus’, drukbezet man.

Muzieklessen deden ook meteen dienst als levenslessen: muziek had een mathematische basis en weerspiegelde het universum. Muziek bracht harmonie in het leven, want ‘de musique geene teghenstrijdicheijt in haerselven en tollereert’, schreef Diego Duarte aan Huygens. En is de partituur op het portret van Huygens en zijn echtgenote ook geen symbool van huwelijkse harmonie?

Jacob van Campen, Dubbelportret van Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle (Mauritshuis, Den Haag).

Hoe Constantijn Huygens, de Duartes en heel wat tijdgenoten naar muziek keken, wordt prachtig samengevat door een spreuk die Antwerpse klavecimbel- en virginaalbouwers wel eens op de deksels van hun instrumenten aanbrachten. Die spreuk is bovendien ook te zien op een schilderij van Johannes Vermeer (van wie Diego Duarte een werk bezat). Omstreeks 1660-1662 schilderde Vermeer Dame aan het virginaal met een heer, beter bekend als De muziekles. Op dat werk zijn een musicerende dame en heer te zien én een Antwerps virginaal, wellicht van het huis Ruckers-Couchet waarvan Huygens ook een instrument bezat. Op het deksel valt het motto ‘Musica letitiae comes, medicina dolorum’, ‘muziek is een gezel bij vreugde, een medicijn bij verdriet’, te lezen.

Johannes Vermeer, Dame aan het virginaal met een heer (De muziekles) (Royal Collection Trust; afbeelding: Wikimedia).

Huygens was zijn ouders dankbaar voor de muzikale opvoeding die hij genoten had en stelde uitdrukkelijk dat hij door de muziek van veel mensen vriendschap en waardering had ondervonden. De vriendschap met de Duartes was daar slechts één voorbeeld van. Daarnaast kon Huygens zich, zo blijkt uit de brief van 20 januari 1687, nog steeds vermaken met de theorbe – het resultaat was goed genoeg opdat ‘een droncken boer het gebreck niet en soude gewaer werden’. Kortom, muziek was steeds een bron van en gezel bij vreugde geweest.

Maar muziek kon ook troosten. Toen Gaspar Duarte in 1653 was overleden, rouwde Huygens. ‘[Un Orage] vient de tomber sur ce beau Mont Parnasse à Anvers’, ‘een onweer heeft de Antwerpse Parnassusberg getroffen’, noteerde hij. Het bleef echter niet bij woorden: Huygens zou ook muziek componeren ter nagedachtenis van zijn overleden vriend, en hij riep anderen op om hetzelfde te doen. De muziek was hier nog misschien vooral een publiek eerbetoon. Maar in latere jaren lijkt muziek ook de rol van persoonlijke troost en afleiding bij verdriet te zijn geweest. In de brief van 20 januari 1687 drukt Huygens de hoop uit dat Diego Duarte in de muziek afleiding zou kunnen vinden in ‘dese anders verdrietighe eensaemheijt’. Diego Duarte was op dat ogenblik de laatste Antwerpse Duarte die nog in leven was – zijn broer en zussen waren tussen 1674 en 1685 allemaal, ongehuwd en kinderloos, overleden.

De brief van 20 januari 1687 is een heel persoonlijke brief aan een oude vriend. Voor de laatste keer worden herinnering opgehaald, aan lang geleden, aan het muzikale kunnen van weleer en aan de vele composities die Huygens’ en de Duartes hebben geproduceerd. Huygens klaagt hoe jicht hem het spelen moeilijk maakt, maar hij wil de muziek nog niet opgeven. En hij hoopt dat Diego Duarte troost kan vinden in het musiceren. Wellicht is er geen brief in Huygens’ oeuvre die mooier uitdrukt hoe ‘muziek een vriend kan zijn bij vreugde, en een medicijn bij verdriet’, en dat is wellicht ook hoe Huygens en de Duartes elkaars brieven hebben ervaren.

Timothy De Paepe


[1] Zie Timothy De Paepe, ‘Huygens’ klavecimbel’, in: Ineke Huysman en Ad Leerintveld (eds.) Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest 2022) 170-175.

[2] S.D. Post, ‘Constantijn Huygens’ Muscae. Achttiende-eeuws handschrift werpt nieuw licht op Huygens’ nagelaten composities’, in De Zeventiende Eeuw 8 (1992), 275-281.


Huygens aan de kaviaar en de snuiftabak?

                     De Britse Donn’
                     Die duistre zon,
       Schijnt niet voor ieders oogen,
       Seit Huigens, ongeloogen,
5.                 Die taelgeleerde Hagenaer,
                    Die watertant naer Kavejaer,
       Naer snoftabak, en smooken,
       Die raewe hersens kooken;
                       Maer dit is ongemeene kost,
10                  ’t Is een banketje voor den Drost,
        En voor ons kameraetje,
        Het zoete Tesselschaedje.
            (…)[1]

De hierboven geciteerde regels vormen het begin van een gedicht van Joost van den Vondel dat hij schreef in reactie op een bundeltje vertalingen door Huygens van gedichten van de Engelse dichter John Donne (1672-1631).

John Donne (kopie naar Isaac Oliver1616), Wikimedia Commons.

Huygens vertaalde in augustus 1630 vier gedichten van Donne en in de maanden augustus, september en oktober 1633 nog eens vijftien.[2] Op 17 augustus 1630 stuurt hij een eerste zending van twee vertalingen aan zijn vriend P.C. Hooft (1591-1647) ‘slaende dese dichter ganschelick op U.E. manieren van invall ende uijtspraeck’ (omdat deze dichter helemaal past bij uw manieren van denken en uitdrukken). Een tweede zending van nog eens twee volgt op 24 augustus 1630. Drie dagen later reageert Hooft zeer complimenteus: ‘Het Engelsch ooft, van UEd in Hollantsch sujker gezult heeft mij grootelijx verplight’ (Het Engelse fruit door u in suiker gedrenkt heeft mij zeer dankbaar gemaakt).

De vijftien vertalingen uit 1633 stuurt Huygens op 4 maart 1634 in een afschrift aan Hooft. Hij wenst in zijn brief:

Magh dese vreemdeling soo veel voordeels van sijn Nederlandsch kleedsel genieten, dat hij, door Amsteldam treckende, met UE de Heeren Reael, Barlaeus, Baeck, Vondelen of anderen die’t beter lusten en gebeuren moghe, kenniss make, en voorts sijne reide op Alckmaer spoedighe (…).

(Mag deze vreemdeling zoveel voordeel genieten van zijn Nederlandse jas, dat hij door Amsterdam trekkend met U, de heren Real, Barlaeus, Baeck, Vondel[3] of anderen die er misschien meer van genieten en tijd voor hebben, kennis kan maken en daarna spoedig naar Alkmaar kan doorreizen.)

Huygens had deze veertien vertalingen gemaakt op aandringen van Maria Tesselschade Roemers Visscher (1594-1649) die na haar huwelijk in Alkmaar was gaan wonen. Voor haar was dit bundeltje uiteindelijk bedoeld, maar Huygens wilde ze toch ook aan zijn Amsterdamse collega’s laten lezen. In een brief van 30 mei 1634 laat Hooft Huygens weten dat hij zijn vrouw een brief voor Tesselschade had meegegeven om te informeren ‘hoe aldaer [in Alkmaar] smaeken moghte het Engelsch ooft bij U.Ed. gestr. gezult in Hollandschen honigh’. Maar zijn vrouw bracht de ‘ontijdighen’ brief (ongepast op dat moment) terug met het bericht dat zowel het oudste dochtertje van Tesselschade als haar man gestorven waren.[4] Een onmiddellijke reactie kon Tesselschade niet geven. Ze heeft later de vertalingen wel gelezen. Toen Huygens in 1637 zijn Sterre had verloren aan de dood schreef zij een troostdicht dat Huygens via Hooft zou bereiken. Ze citeert daarin een regel uit Huygens’ vertaling van Donne’s ‘The Triple Foole’ (‘de Drij-dobbele geck’): ‘Want kwelling op de maat en kan zo fel niet zijn’.[5]

Constantijn Huygens, ‘Drij dobbele Geck’, vertaling uit het Engels van John Donne, ‘The Triple Foole’,
handschrift Den Haag, KB | nationale bibliotheek van Nederland

Vondel

Hooft was enthousiast over Huygens’ vertalingen. Vondel moet zich eraan hebben geërgerd. Na lezing schreef hij een spottende vers, waarin hij varieert op de culinaire omschrijvingen van Hooft en Huygens uit de brieven die zij schreven ter begeleiding van het bundeltje vertalingen voor Tesselschade:

Op de diepzinnige puntdichten van den Engelschen poet John Donne
vertaelt door C. Huigens.

                 De Britse Donn’,
                 Die duistre zon,
       Schijnt niet voor ieders oogen,
       Seit Huigens, ongeloogen.
5               Die taelgeleerde Haegenaer,
                 Die watertant naer Kavejaer,
       Naer snoftobak, en smooken,
       Die raeuwe herssens kooken:
                 Maer dit is ongemeene kost,
10             ’t Is een banketje voor den Drost,
       En voor ons kameraetje,
       Het zoete Tesselschaedtje.
                 O lieve Nymfje Tesselschaê,
                 Verstaeje ’t niet, zoo slaet’er nae,
15    Of laet het u bedieden:
        Want dit zijn hooger lieden,
                 Dan ’t Hooge Liedt van Salomon,
                 Dat geen vernuft ooit vaeten kon,
       Dan hooghgeleerde Smouten,
20   Van langer handt gezouten.
                 Maer waerom of mijn oordeel laekt,
                 Het geen mijn saus, mijn Mostaert, smaekt,
       Die zich niet kan verzaden
       Met zulleke saladen.
25              Nu, mannen, eet u zelve moe;
                 Gebruikt’ er eek en peper toe:
       Want wy dees lekkernyen
       U geenzins en benyen.
[1634][6]
Joost van den Vondel, Govert Flinck, 1653, Rijksmuseum Amsterdam.

Vondel noemt de gedichten van John Donne diepzinnig en de dichter duister. En, zegt hij, de gedichten zijn volgens Huygens, die dat naar waarheid zegt, niet voor iedereen bestemd. Vondel noemt Huygens vervolgens een taalgeleerde die watertandt naar kaviaar, snuiftabak en geuren die onervaren hersenen prikkelen. Dit is namelijk geen alledaagse kost, het is banket voor Hooft en ‘ons kameraetje, het zoete Tesselschaedtje’. En, gaat de dichter verder, als je het niet begrijpt, Tesselschade, sla er dan maar een slag naar of laat het je uitleggen. De liederen van Donne, vindt Vondel, zijn namelijk hogere kunst dan het Hooglied van Salomon, dat niemand ooit heeft kunnen begrijpen, dan uitgezonderd hooggeleerden als dominee Smout [die ‘van langer handt gezouten’ (langzamerhand daarin doorkneed geraakt) op het Hooglied van Salomon enkele liederen had gedicht, die Tesselschade niet wenste te zingen]. En daarom keur ik deze poëzie af, en mijn saus, mijn mostert [mijn vriend Daniël Mostaert], smaakt dat [is het ermee eens]. Hij kan zich niet verzadigen met dergelijke salades. Aan het einde van zijn gedicht roept Vondel de mannen op die de poëzie van Donne wel kunnen verteren, zich er moe aan te eten en er peper en azijn aan toe te voegen. Want zegt hij ‘Wij misgunnen u deze lekkernijen niet.’

Huygens en kaviaar en snuiftabak?

En ook al misgunt Vondel de mannen (zijn collega’s Barlaeus, Hooft en Huygens) de poëzie van Donne in Huygens’ vertaling niet, zelf moet hij er niets van hebben. De kwalificaties die hij Huygens toedicht, als zou hij watertanden naar kaviaar, snuiftabak en de hersenen prikkelende geuren, moeten in dit verband niet letterlijk genomen worden. Het zijn metaforen die staan voor hunkeren naar exquise zaken, die kennelijk voor ‘gewone’ mensen niet zijn weggelegd.

De duistere luister die Huygens’ poetica kenmerkt, ligt Vondel niet.[7] In zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste, een literair-theoretisch geschrift uit 1650, zegt hij: ‘Eenigen schrijven al willens duister, en willen zich zelfs niet verstaen, op dat men zich hierover verwondere, en hun dit tot wijsheid toeschrijve.’[8]

In werkelijkheid zou ik Huygens geen watertandende lekkerbek willen noemen. In de kleine bloemlezing Lust van tafelen. Constantijn Huygens over eten die ik in 2016 uit Huygens’ gedichten samenstelde, komt juist een matig man tevoorschijn.[9] In zijn gedicht Dagh-werck, geschreven in 1628 en voltooid in 1637 dicht hij:

                              ‘kHebb geen’tong te deel gekregen
                              Die sich van gemeenen seghen
                              Fier en weelderigh ontstell:
                              Suer en bitter scheidt sij wel,
                              Sout en honich kan sij keuren;
                              Maer geheimeniss van geuren
                              Die men maer de walgh en biedt
                              Is van haer bekreuning niet. (r. 761-768)

(Ik heb geen tong gekregen die trots en verwend, van gewone goede spijs terugschrikt. Zuur en bitter houdt ze goed uit elkaar, zout en honing kan ze nauwkeurig onderscheiden, maar om geheime geuren (gerechten met een geheime – zeldzame- geur) waarvan men slechts walgt, geeft ze niet.)[10]

Wanneer de oude Huygens in zijn gedicht Cluyswerck (1681) terugblik op het eind van zijn leven, meldt hij dat hij met ‘drij schotelen’ (…) ‘rijckelijck te vergenoegen’ is.[11]

Huygensmuseum Hofwijck belicht in de tentoonstelling ‘Aan tafel met Huygens’ de keukengeheimen van Huygens’ buitenplaats Hofwijck. Kaviaar of snuiftabak is er niet te vinden. Dat Vondel zich in zijn gedicht een tabak snuivende Huygens voorstelt, die ook naar kaviaar watertandt, duidt er overigens wel op dat het snuiven van tabak in 1634 echt werd gezien als iets uitzonderlijks, iets voor een selecte, elitaire groep.

Ad Leerintveld, 28 december 2023


[1] Joost van den Vondel, ‘Op de diepzinnige puntdichten van den Engelschen poet John Donne. Vertaelt door C. Huigens’. 1634. r. 1-12. De werken van Vondel, III,WB-editie (1929) 415-416.

[2] J.A. Worp, Gedichten van Constantijn Huygens, II, 1893, p. 214-219 – 255-272; N.F. Streekstra, Afbeeldingsrelaties. Een taal- en letterkundig essay over Huygens’ Donne-vertalingen (Groningen 1994) [Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen]; Ad Leerintveld, Nanne Streekstra & Richard Todd, ‘Seventeenth-century versions of Constantijn Huygens’s translations of John Donne in manuscript and in print: authority, coterie and piracy’, in Quaerendo 30/4 (2000), 288-310; Gary Stringer (ed.), The variorum Edition of the Poetry of John Donne . Vol. 2 The Elegies.  (Bloomington and Indianapolis 2000) 441-444; https://donnevariorum.dh.tamu.edu.

[3] Laurens Reaal (1583-1637), Caspar Barlaeus (1584-1648), Joost Baeck (1597-1681) en Joost van den Vondel (1587-1679) horen tot de kring van collega-dichters, c.q. bekenden van Huygens.

[4] Teetgen Crombalch werd geboren op 19 februari 1625. Ze stierf op 28 mei 1634 aan de pokken. Op dezelfde dag overleed haar vader, Tesselschades echtgenoot, Allart Jansz. Crombalch aan bloedbraken. Op 13 juni schreef Huygens het gedicht Op de dood van Tesselschades oudste dochter, ende van haer man strax daeraen doodt gebloedt’, Worp, Gedichten II, 291.

[5] Mieke Smits-Veldt, Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap. (Zutphen 1994) 72-74.

[6] Zie noot 1.

[7] M.A. Schenkeveld-van der Dussen, Duistere luister. Aspecten van obscuritas. Utrecht 1988 ook opgenomen in: A.J. Gelderblom e.a. (eds.), In de boeken, met de geest. Vijftien studies van M.A. Schenkeveld-van der Dussen over vroegmoderne Nederlandse literatuur, uitgegeven bij haar afscheid als hoogleraar van de Universiteit Utrecht op 31 oktober 2002 (Amsterdam 2002) 153-173.

[8] J. van den Vondel, Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste. Uitgegeven en toegelicht door een werkgroep van Utrechtse neerlandici. (Utrecht 1977) 46 regel  104-106.

[9] Ad Leerintveld (samenstelling), Lust van tafelen. Constantijn Huygens over eten (Den Haag 2016).

[10] F.L. Zwaan, Dagh-werck van Constantijn Huygens. (Assen 1973) 211-212.

[11] F.L. Zwaan, Constantijn Huygens’ Cluijswerck. (Jeruzalem 1977) 23, r. 232.

Digitale tentoonstelling: Constantijn Huygens. Een leven in brieven

Van de objecten en de brieven in het boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven is een digitale tentoonstelling gemaakt. Dat wil zeggen dat alle 36 in de bundel besproken brieven van en aan Constantijn Huygens met bijbehorende schilderijen en objecten in een virtuele museumtour te bezichtigen zijn. De illustraties worden schriftelijk toegelicht en de brieven zijn hertaald en ingesproken.

De brieven zijn raadpleegbaar als 36 afzonderlijke ‘collecties’ waarbij telkens een toelichting op de brief en de bijbehorende objecten wordt gegeven. Ook zijn die objecten afzonderlijk te bekijken, maar dan mist de lezer wel de toelichting op het geheel.

Hoewel deze digitale expositie het boek met zijn objecten op een interactieve manier tot leven brengt, blijft het aanbevolen om het fysieke boek erbij te pakken voor een diepgaandere toelichting op de brieven zelf.

Colofon

Samenstellers digitale tentoonstelling: Geeske Bisschop, Ineke Huysman en Ad Leerintveld. De teksten zijn ingesproken door Ineke Huysman en Ad Leerintveld.

Teksten hertalingen: Nadine Akkerman, Pieta van Beek, Geeske Bisschop, Frans Blom, Erik-Jan Bos, Inge Broekman, Robin Buning, Stan Bussen, Quentin Buvelot, Lieke van Deinsen, Timothy De Paepe, Maurits Ebben, Ed de Heer, Ineke Huysman, Anne Jacobs, Eric Jorink, Eric Ketelaar, Luuc Kooijmans, Johan Koppenol, Margriet Lacy, Ad Leerintveld, Krista van Loon, Tineke ter Meer, Henk Nellen, Koen Ottenheym, Luc Panhuysen, Roosje Peeters, Peter van der Ploeg, Dries Raeymakers, Rudolf Rasch, Ton van Strien, Gillis Tak Labrijn, Jean-Marc van Tol,  Katlijne Van der Stighelen, Jeroen Vandommele, Lea van der Vinde.