Ontdek het veelzijdige leven van Constantijn Huygens in een muzikale uitvoering van woord, beeld en geur. Deze 17e-eeuwer was niet alleen een bekende diplomaat en secretaris van drie stadhouders, maar ook een getalenteerd dichter, musicus, kunstkenner, architect en wetenschapper. Tot voor kort was het onbekend dat hij ook een gepassioneerd parfumeur was: er zijn onlangs 150 recepten van zijn hand ontdekt. Opvallend is bovendien dat Constantijn Huygens veel vrouwelijke contacten had.
In dit programma uitgevoerd door La Sfera Armoniosa wordt aandacht besteed aan die relaties die een rode draad door zijn lange leven hebben gespeeld. Verhalen en beelden laten zien hoe hij en zijn vriendinnen elkaars leven hebben beïnvloed. Daarbij wordt muziek uitgevoerd van Huygens’ eigen composities en die van zijn muzikale contacten, zoals Lanier, Foscarini en Lambert.
Met: • Lette Vos – Sopraan • Ineke Huysman – Spreker (Huygens Instituut) • Paulina van Laarhoven – Viola da gamba • Mike Fentross – Theorbe en barokgitaar
De Britse Donn’
Die duistre zon,
Schijnt niet voor ieders oogen,
Seit Huigens, ongeloogen,
5. Die taelgeleerde Hagenaer,
Die watertant naer Kavejaer,
Naer snoftabak, en smooken,
Die raewe hersens kooken;
Maer dit is ongemeene kost,
10 ’t Is een banketje voor den Drost,
En voor ons kameraetje,
Het zoete Tesselschaedje.
(…)[1]
De hierboven geciteerde regels vormen het begin van een gedicht van Joost van den Vondel dat hij schreef in reactie op een bundeltje vertalingen door Huygens van gedichten van de Engelse dichter John Donne (1672-1631).
Huygens vertaalde in augustus 1630 vier gedichten van Donne en in de maanden augustus, september en oktober 1633 nog eens vijftien.[2] Op 17 augustus 1630 stuurt hij een eerste zending van twee vertalingen aan zijn vriend P.C. Hooft (1591-1647) ‘slaende dese dichter ganschelick op U.E. manieren van invall ende uijtspraeck’ (omdat deze dichter helemaal past bij uw manieren van denken en uitdrukken). Een tweede zending van nog eens twee volgt op 24 augustus 1630. Drie dagen later reageert Hooft zeer complimenteus: ‘Het Engelsch ooft, van UEd in Hollantsch sujker gezult heeft mij grootelijx verplight’ (Het Engelse fruit door u in suiker gedrenkt heeft mij zeer dankbaar gemaakt).
De vijftien vertalingen uit 1633 stuurt Huygens op 4 maart 1634 in een afschrift aan Hooft. Hij wenst in zijn brief:
Magh dese vreemdeling soo veel voordeels van sijn Nederlandsch kleedsel genieten, dat hij, door Amsteldam treckende, met UE de Heeren Reael, Barlaeus, Baeck, Vondelen of anderen die’t beter lusten en gebeuren moghe, kenniss make, en voorts sijne reide op Alckmaer spoedighe (…).
(Mag deze vreemdeling zoveel voordeel genieten van zijn Nederlandse jas, dat hij door Amsterdam trekkend met U, de heren Real, Barlaeus, Baeck, Vondel[3] of anderen die er misschien meer van genieten en tijd voor hebben, kennis kan maken en daarna spoedig naar Alkmaar kan doorreizen.)
Huygens had deze veertien vertalingen gemaakt op aandringen van Maria Tesselschade Roemers Visscher (1594-1649) die na haar huwelijk in Alkmaar was gaan wonen. Voor haar was dit bundeltje uiteindelijk bedoeld, maar Huygens wilde ze toch ook aan zijn Amsterdamse collega’s laten lezen. In een brief van 30 mei 1634 laat Hooft Huygens weten dat hij zijn vrouw een brief voor Tesselschade had meegegeven om te informeren ‘hoe aldaer [in Alkmaar] smaeken moghte het Engelsch ooft bij U.Ed. gestr. gezult in Hollandschen honigh’. Maar zijn vrouw bracht de ‘ontijdighen’ brief (ongepast op dat moment) terug met het bericht dat zowel het oudste dochtertje van Tesselschade als haar man gestorven waren.[4] Een onmiddellijke reactie kon Tesselschade niet geven. Ze heeft later de vertalingen wel gelezen. Toen Huygens in 1637 zijn Sterre had verloren aan de dood schreef zij een troostdicht dat Huygens via Hooft zou bereiken. Ze citeert daarin een regel uit Huygens’ vertaling van Donne’s ‘The Triple Foole’ (‘de Drij-dobbele geck’): ‘Want kwelling op de maat en kan zo fel niet zijn’.[5]
Constantijn Huygens, ‘Drij dobbele Geck’, vertaling uit het Engels van John Donne, ‘The Triple Foole’, handschrift Den Haag, KB | nationale bibliotheek van Nederland
Vondel
Hooft was enthousiast over Huygens’ vertalingen. Vondel moet zich eraan hebben geërgerd. Na lezing schreef hij een spottende vers, waarin hij varieert op de culinaire omschrijvingen van Hooft en Huygens uit de brieven die zij schreven ter begeleiding van het bundeltje vertalingen voor Tesselschade:
Op de diepzinnige puntdichten van den Engelschen poet John Donne
vertaelt door C. Huigens.
De Britse Donn’,
Die duistre zon,
Schijnt niet voor ieders oogen,
Seit Huigens, ongeloogen.
5 Die taelgeleerde Haegenaer,
Die watertant naer Kavejaer,
Naer snoftobak, en smooken,
Die raeuwe herssens kooken:
Maer dit is ongemeene kost,
10 ’t Is een banketje voor den Drost,
En voor ons kameraetje,
Het zoete Tesselschaedtje.
O lieve Nymfje Tesselschaê,
Verstaeje ’t niet, zoo slaet’er nae,
15 Of laet het u bedieden:
Want dit zijn hooger lieden,
Dan ’t Hooge Liedt van Salomon,
Dat geen vernuft ooit vaeten kon,
Dan hooghgeleerde Smouten,
20 Van langer handt gezouten.
Maer waerom of mijn oordeel laekt,
Het geen mijn saus, mijn Mostaert, smaekt,
Die zich niet kan verzaden
Met zulleke saladen.
25 Nu, mannen, eet u zelve moe;
Gebruikt’ er eek en peper toe:
Want wy dees lekkernyen
U geenzins en benyen.
[1634][6]
Vondel noemt de gedichten van John Donne diepzinnig en de dichter duister. En, zegt hij, de gedichten zijn volgens Huygens, die dat naar waarheid zegt, niet voor iedereen bestemd. Vondel noemt Huygens vervolgens een taalgeleerde die watertandt naar kaviaar, snuiftabak en geuren die onervaren hersenen prikkelen. Dit is namelijk geen alledaagse kost, het is banket voor Hooft en ‘ons kameraetje, het zoete Tesselschaedtje’. En, gaat de dichter verder, als je het niet begrijpt, Tesselschade, sla er dan maar een slag naar of laat het je uitleggen. De liederen van Donne, vindt Vondel, zijn namelijk hogere kunst dan het Hooglied van Salomon, dat niemand ooit heeft kunnen begrijpen, dan uitgezonderd hooggeleerden als dominee Smout [die ‘van langer handt gezouten’ (langzamerhand daarin doorkneed geraakt) op het Hooglied van Salomon enkele liederen had gedicht, die Tesselschade niet wenste te zingen]. En daarom keur ik deze poëzie af, en mijn saus, mijn mostert [mijn vriend Daniël Mostaert], smaakt dat [is het ermee eens]. Hij kan zich niet verzadigen met dergelijke salades. Aan het einde van zijn gedicht roept Vondel de mannen op die de poëzie van Donne wel kunnen verteren, zich er moe aan te eten en er peper en azijn aan toe te voegen. Want zegt hij ‘Wij misgunnen u deze lekkernijen niet.’
Huygens en kaviaar en snuiftabak?
En ook al misgunt Vondel de mannen (zijn collega’s Barlaeus, Hooft en Huygens) de poëzie van Donne in Huygens’ vertaling niet, zelf moet hij er niets van hebben. De kwalificaties die hij Huygens toedicht, als zou hij watertanden naar kaviaar, snuiftabak en de hersenen prikkelende geuren, moeten in dit verband niet letterlijk genomen worden. Het zijn metaforen die staan voor hunkeren naar exquise zaken, die kennelijk voor ‘gewone’ mensen niet zijn weggelegd.
De duistere luister die Huygens’ poetica kenmerkt, ligt Vondel niet.[7] In zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste, een literair-theoretisch geschrift uit 1650, zegt hij: ‘Eenigen schrijven al willens duister, en willen zich zelfs niet verstaen, op dat men zich hierover verwondere, en hun dit tot wijsheid toeschrijve.’[8]
In werkelijkheid zou ik Huygens geen watertandende lekkerbek willen noemen. In de kleine bloemlezing Lust van tafelen. Constantijn Huygens over eten die ik in 2016 uit Huygens’ gedichten samenstelde, komt juist een matig man tevoorschijn.[9] In zijn gedicht Dagh-werck, geschreven in 1628 en voltooid in 1637 dicht hij:
‘kHebb geen’tong te deel gekregen Die sich van gemeenen seghen Fier en weelderigh ontstell: Suer en bitter scheidt sij wel, Sout en honich kan sij keuren; Maer geheimeniss van geuren Die men maer de walgh en biedt Is van haer bekreuning niet. (r. 761-768)
(Ik heb geen tong gekregen die trots en verwend, van gewone goede spijs terugschrikt. Zuur en bitter houdt ze goed uit elkaar, zout en honing kan ze nauwkeurig onderscheiden, maar om geheime geuren (gerechten met een geheime – zeldzame- geur) waarvan men slechts walgt, geeft ze niet.)[10]
Wanneer de oude Huygens in zijn gedicht Cluyswerck (1681) terugblik op het eind van zijn leven, meldt hij dat hij met ‘drij schotelen’ (…) ‘rijckelijck te vergenoegen’ is.[11]
Huygensmuseum Hofwijck belicht in de tentoonstelling ‘Aan tafel met Huygens’ de keukengeheimen van Huygens’ buitenplaats Hofwijck. Kaviaar of snuiftabak is er niet te vinden. Dat Vondel zich in zijn gedicht een tabak snuivende Huygens voorstelt, die ook naar kaviaar watertandt, duidt er overigens wel op dat het snuiven van tabak in 1634 echt werd gezien als iets uitzonderlijks, iets voor een selecte, elitaire groep.
Ad Leerintveld, 28 december 2023
[1] Joost van den Vondel, ‘Op de diepzinnige puntdichten van den Engelschen poet John Donne. Vertaelt door C. Huigens’. 1634. r. 1-12. De werken van Vondel, III,WB-editie (1929) 415-416.
[2] J.A. Worp, Gedichten van Constantijn Huygens, II, 1893, p. 214-219 – 255-272; N.F. Streekstra, Afbeeldingsrelaties. Een taal- en letterkundig essay over Huygens’ Donne-vertalingen (Groningen 1994) [Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen]; Ad Leerintveld, Nanne Streekstra & Richard Todd, ‘Seventeenth-century versions of Constantijn Huygens’s translations of John Donne in manuscript and in print: authority, coterie and piracy’, in Quaerendo 30/4 (2000), 288-310; Gary Stringer (ed.), The variorum Edition of the Poetry of John Donne . Vol. 2 The Elegies. (Bloomington and Indianapolis 2000) 441-444; https://donnevariorum.dh.tamu.edu.
[3] Laurens Reaal (1583-1637), Caspar Barlaeus (1584-1648), Joost Baeck (1597-1681) en Joost van den Vondel (1587-1679) horen tot de kring van collega-dichters, c.q. bekenden van Huygens.
[4] Teetgen Crombalch werd geboren op 19 februari 1625. Ze stierf op 28 mei 1634 aan de pokken. Op dezelfde dag overleed haar vader, Tesselschades echtgenoot, Allart Jansz. Crombalch aan bloedbraken. Op 13 juni schreef Huygens het gedicht Op de dood van Tesselschades oudste dochter, ende van haer man strax daeraen doodt gebloedt’, Worp, Gedichten II, 291.
[5] Mieke Smits-Veldt, Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap. (Zutphen 1994) 72-74.
[7] M.A. Schenkeveld-van der Dussen, Duistere luister. Aspecten van obscuritas. Utrecht 1988 ook opgenomen in: A.J. Gelderblom e.a. (eds.), In de boeken, met de geest. Vijftien studies van M.A. Schenkeveld-van der Dussen over vroegmoderne Nederlandse literatuur, uitgegeven bij haar afscheid als hoogleraar van de Universiteit Utrecht op 31 oktober 2002 (Amsterdam 2002) 153-173.
[8] J. van den Vondel, Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste. Uitgegeven en toegelicht door een werkgroep van Utrechtse neerlandici. (Utrecht 1977) 46 regel 104-106.
[9] Ad Leerintveld (samenstelling), Lust van tafelen. Constantijn Huygens over eten (Den Haag 2016).
[10] F.L. Zwaan, Dagh-werck van Constantijn Huygens. (Assen 1973) 211-212.
Op 27 oktober 1622, vierhonderd jaar geleden, werd de jonge Constantijn Huygens als dank voor zijn diplomatieke diensten ten behoeve van de Engels-Nederlandse betrekkingen door de Engelse koning Jacobus I tot ridder geslagen. Wat was daaraan vooraf gegaan?
Constantijn Huygens zou tijdens zijn lange leven in totaal zeven reizen naar Engeland maken, waarvan vier als jongeman. Het lijdt geen twijfel dat zijn kennismaking met Engeland en zijn inwoners zijn leven heeft beïnvloed en zijn persoonlijkheid gevormd. Ook kon hij zijn kennis van de Engelse taal perfectioneren en leerde hij de groten van het land kennen, wat hem en zijn omgeving in de rest van zijn leven zeer ten goede zou komen. Over Huygens’ relatie met Engeland zouden boeken vol kunnen worden geschreven. Dit blog beperkt zich echter tot zijn eerste drie reizen naar Engeland. Tijdens de derde reis werd hij geridderd. Huygens’ correspondentie uit deze periode (1618-1623) en zijn autobiografie Mijn leven verteld aan mijn kinderen, twee delen, ed. F.R.E. Blom (Amsterdam 2003) vormen daarvoor de belangrijkste bron.
Aan de vooravond van zijn eerste reis naar Engeland componeerde Constantijn een Latijns gedicht getiteld Constantini Huygens in Angliam abituri ad patriam tumultuantem αποταξισ [‘Afscheid van van Constantijn Huygens van het turbulente vaderland bij zijn vertrek naar Engeland’]. Waarschijnlijk op initiatief van zijn vader Christiaan sloot Constantijn zich samen met de jonge schilder Jacques de Gheyn aan bij het gezelschap van de Engelse ambassadeur Sir Dudley Carleton, die op het punt stond voor enkele maanden naar Engeland terug te keren.
Caron House, UB Utrecht, Journaal van A. Booth.
Daar aangekomen was Constantijn een tijdje te gast bij de Nederlandse ambassadeur Noël de Caron in Caron House in South-Lambeth, wat als nadeel had dat hij zijn Engels niet in de praktijk kon brengen [brief van Constantijn aan zijn ouders van 22 juni 1618]. Bovendien lag de locatie vrij ver van Londen, en Constantijns lange wandelingen naar de stad resulteerden in een ontstoken hiel met etterende blaren. [Zie ook het blog ‘Op blaren lopen in Engeland’ van Roosje Peeters]. Door de koorts moest hij meer dan een week het bed houden. Hij knapte echter niet op, zodat een dokter moest worden ingeschakeld, en Constantijn liet zich ‘in handen vallen van dit lelijke Hippocratische ras’. Hij klaagde ook hevig over de hoge rekening. Niet alleen had hij de helft vooruit moeten betalen – wat in Engeland de gewoonte was – ook vond hij de veertig shilling sterling wel erg hoog. Maar, zo ging dat ‘in een land waar geld zo gemakkelijk wegvloeit’ [brief van Constantijn aan zijn ouders van 14 juli 1618].
Eenmaal genezen maakte hij educatieve uitstapjes, waarbij hij de gastvrijheid genoot van vele vooraanstaande Engelsen die in zijn latere leven belangrijke contacten zouden worden. Enthousiast schreef hij zijn broer Maurits dat hij zich bevond: ‘in het fraaiste land ter wereld waar we dagelijks paleizen en dorpen zien om op klavecimbeldeksels te schilderen’ [brief van Constantijn Huygens aan zijn broer Maurits van 4 juli 1618]. Zo bewonderde hij de kunstcollectie van Thomas Howard, graaf van Arundel, en kreeg hij de schilderijengalerij van de jong overleden prins Henry te zien. Verder bezocht hij Oxford en de Bodleian Library, waar hij meer dan een week werd beziggehouden door Eduard van Meetkercke, tutor aan Christ Church. Ook was hij in Cambridge in gezelschap van Sir William Heydon, over wie hij meer dan zestig jaar later nog wist te vermelden dat deze een ijzeren linkerhand had, die hij zo handig gebruikte dat hij net als een normale hand functioneerde. Verder was Constantijn aanwezig bij een zitting van het Britse parlement en genoot hij van Italiaanse concerten op de ambassade van Savoye [brief van Constantijn aan zijn ouders van 22 juni 1618]. Zijn gastheer daar was Giovanni Francesco Biondi. Onlangs werd een brief van Constantijn aan hem ontdekt waaruit blijkt dat hij in 1615 Constantijns leraar Italiaans was.
Jacobus I van Engeland ca. 1620, Royal Collection, Wikimedia Commons.
Andere hoogtepunten van Constantijns eerste reis waren zijn ontmoetingen met koning Jacobus I. De eerste keer, op 10 juli, bracht de koning een bezoek aan het landgoed van de Nederlandse ambassadeur Caron, waar Constantijn op dat moment verbleef. Ieder jaar kwam de koning daar om zelf vanaf een speciaal gestoffeerde ladder Carons kersen te plukken. Constantijn mocht na afloop de hand van de koning kussen [brief van Constantijn aan zijn ouders van 14 juli 1618]. Later, in september, werd de koning uitgenodigd om te komen jagen in Bagshot, het landgoed waarvan Caron sinds 1612 beheerder was. Bij die gelegenheid werd Constantijn gevraagd op zijn luit te spelen voor de koning, terwijl deze met de hertog van Buckingham zat te kaarten. Hij speelde
… een klein half uur [… terwijl] deze vorst, van nature de muziek weinig genegen, verschillende malen zijn [kaart]spel onderbrak om naar mij te luisteren, wat hij heel goedmoedig deed, zonder zijn gewone uitdrukkingen achterwege te laten, om mij het genoegen duidelijk te maken dat hij aan mijn spel beleefde, waarbij hij mij zelfs de eer aandeed om met mij te spreken met een vriendelijke en glimlachende gezichtsuitdrukking. Nadat ik hem de hand had gekust, ging ik weg, in een opperbeste stemming, zeer in mijn nopjes vanwege het succes van mijn zaakjes. Ziehier een Ilias over wat er in een half uur is gebeurd [vertaling Rudolf Rasch].
Met dezelfde brief waarin Constantijn zijn ouders zo trots op de hoogte bracht van deze gebeurtenis, stuurde hij hen twee hertenpasteitjes. Deze waren bereid van het hert dat de koning samen met zijn zoon – de prins van Wales – van tien uur ’s ochtends tot elf uur ’s avonds had opgejaagd. Het arme dier was tenslotte door de prins gedood toen het uit de vijver tevoorschijn kwam waar het zich had geprobeerd te verstoppen [brief van Constantijn aan zijn ouders van 17 september 1618].
Hoewel Constantijn oorspronkelijk in augustus met Carleton zou terugkeren, gaf hij er de voorkeur aan zijn verblijf te verlengen [brief van Constantijn aan zijn ouders van 31 augustus 1618]. Caron regelde dat Constantijn naar Nederland kon terugkeren in het gezelschap van de Anglicaanse afgevaardigden naar de Synode van Dordrecht, die op 13 november zou aanvangen [brief van Constantijn aan zijn ouders van 6 oktober 1618]. Op 2 november was Constantijn weer veilig thuis, en opnieuw componeerde hij een gedicht, deze keer met de titel ‘Constantijn Huygens Ex Magna Britannia Redux Patrim Salutat’ [‘Constantijn Huygens groet zijn vaderland bij zijn terugkeer uit Groot-Brittannië’].
De tweede reis: 23 januari – 30 april 1621
Constantijns volgende reis naar Engeland ondernam hij als ambassadesecretaris, een functie waarin hij ervaring had opgedaan tijdens een diplomatieke missie naar Venetië in 1620 onder leiding van François van Aerssen. Het belangrijkste doel van de gezantschapsreis naar Groot-Brittannië was het verkrijgen van steun van koning Jacobus voor zijn dochter Elizabeth en haar man Frederik V van de Palts, die onlangs waren onttroond als koningin en koning van Bohemen. De missie was gedoemd te mislukken, want de koning streefde naar vriendschap met ‘vijand’ Spanje, en was meer bezig met de onderhandelingen over een huwelijk tussen zijn zoon, de prins van Wales, en de Spaanse infante Maria Anna, de zogenaamde ‘Spaanse Match’. Steun voor zijn eigen dochter zat er op dat moment niet in.
De reis bezorgde Constantijn behoorlijke kopzorgen, maar tegelijkertijd deed hij veel ervaring op omdat hij vaak moest inspringen voor de zes onbekwame collega’s uit het gezantschap waarvan hij deel uitmaakte. Ze spraken hun talen slecht en de jonge Constantijn moest werkelijk alles zelf doen: van het maken van vertalingen, het opstellen van concept-teksten en het voeren van gesprekken, tot het snijden van hun vlees. Maar hij genoot ervan: ‘Persoonlijk prijs ik God dat hij mij de gelegenheid heeft gegeven mij nuttig te maken’ [brief van Constantijn aan zijn ouders van 2 februari 1621]. En hij vond ook tijd voor ontspanning en vermaak:
Afgelopen zondag zag ik een voortreffelijke [masque], die door de prins van Wales aan de koning werd aangeboden, en waartoe ik door de gunst van de heer [Edward] Cecil toegang had gekregen, terwijl voor verschillende andere aanzienlijke personen de deur gesloten bleef [vertaling Rudolf Rasch] [brief van Constantijn aan zijn ouders van 23 februari 1621].
Francis Bacon, circa 1731, naar een origineel van ca. 1618. National Portrait Gallery. Wikimedia Commons.
Constantijn maakte ook veel nieuwe vrienden, zoals de kunstenaar-uitvinder Cornelis Drebbel, die er volgens Constantijn uitzag als een boer, maar kon spreken als de wijzen van Samos en Sicilië samen [Mijn leven, I, 117 en 129]. Hij leerde in deze periode ook de geleerden Raphael Thorius, Thomas Reid/Rhaedus en Thomas Murray, secretaris van de prins van Wales, kennen [brief van Constantijn aan Daniël Heinsius 14 mei 1621]. Ook ontmoette hij Francis Bacon, vlak voordat deze in ongenade zou vallen. Hoewel Constantijn Bacon bewonderde om zijn wijsheid, walgde hij van diens uiterlijk en zijn gebaartjes, die hij beschouwde als het toppunt van arrogantie en hoogmoed [brief van Constantijn aan Daniël Heinsius 6 juni 1621].
Deze keer was Constantijn niet zo enthousiast over Londen als bij zijn eerste reis, niet alleen vanwege de tegenvallende diplomatieke resultaten, maar ook vanwege de koude winter: ‘Hier rijdt men over de Thames, iets wat men al vele jaren niet meer heeft gezien’ [brief van Constantijn aan zijn ouders 14 februari 1621]. Ook deed hij veel inkopen, zowel voor zichzelf als voor zijn familie in Nederland. Hoewel hij klaagde over de kosten – omdat het geld daar maar de helft van de waarde had – kocht hij er laarzen, hoeden, handschoenen, messen, boeken en zelfs tabouretjes (lage zitmeubels) [brief van Constantijn aan zijn ouders 3 maart 1621]. Bij zijn vertrek kreeg ‘Constantin Huggins a chayne of gold 45 l. valew’ als afscheidscadeau van de koning [Finet, John, Finetti Philoxenis: som choice observations of Sr. John Finett knight, and master of the ceremonies to the two last Kings, touching the reception, and precedence, the treatment and audience, the puntillios and contests of forren ambassadors in England, 79]. Toch was Constantijn blij om op 30 april 1621 terug te zijn in de Republiek [J.H.W. Unger, Dagboek van Constantijn Huygens (Amsterdam 1885), 10].
De derde reis 5 december 1621 – 13 februari 1623
Binnen zes maanden was Constantijn terug in Londen, opnieuw als secretaris van een diplomatieke missie onder leiding van François van Aerssen. Omdat het Twaalfjarig Bestand tussen de Nederlandse Republiek en Spanje was afgelopen, was het des te meer zaak koning Jacobus te overtuigen zijn Spaanse sympathieën te laten varen. De koning stond echter nog steeds niet open voor discussie, ondanks het tegenwerkende parlement en het onsympathieke volk, zoals Huygens zijn ouders vertelde [brief van Constantijn aan zijn ouders 18 januari 1622]. Twee andere ingewikkelde problemen die de diplomaten tot een goed einde moesten brengen, waren het conflict tussen de Nederlandse en de Engelse Oost-Indische Compagnieën en de geschillen over de territoriale grenzen van de visserij. Ook over al deze politieke zaken deed Constantijn uitgebreid verslag in de brieven aan zijn vader en moeder, met als rode draad zijn frustratie en klachten over de obstructie van de Engelsen. Hij drong er bij zijn ouders op aan zijn brieven aan niemand te laten lezen; de vertrouwelijke inhoud was te gevaarlijk [brief van Constantijn aan zijn ouders 18 januari 1622].
Michiel Jansz. van Mierevelt, François van Aerssen, 1636, RCE.
Opnieuw was Constantijn leergierig, en hij was zijn leermeester Van Aerssen diep dankbaar voor alle instructies die hij kreeg en zijn introducties bij invloedrijke personen. Over zichzelf schreef hij: ‘Ik lijk op een deegmassa die steeds opnieuw wordt gerold en gekneed om een brood te vormen’ [brief van Constantijn aan zijn ouders 18 januari 1622].
Een ander onderwerp dat geregeld terugkeert in Constantijns brieven uit die periode was de schaamte over zijn beperkte garderobe. Hij klaagde dat het enige satijnen pak dat hij bezat erg versleten was door alle ritten die hij in de koets en te paard had gemaakt, en dat hij er in vergelijking met de Engelse jeugd als een dwaas uitzag. En hij schreef dat ‘niet uit ijdelheid maar vanwege mijn respectvolle verplichtingen’ [brief van Constantijn aan zijn ouders 30 maart 1622]. Ook benadrukte hij herhaaldelijk de noodzaak van de aanschaf van kanten kragen, omdat die in Londen zeer in de mode waren. En natuurlijk kreeg hij weer opdrachten om boodschappen te doen. Zo kocht hij voor zijn moeder een tinnen servies, voor zijn vader zilveren kousen, laarzen voor zijn broer Maurits, handschoenen, messen en linten voor zijn zussen Geertruid en Constantia, en veel boeken voor zijn Nederlandse vrienden. Ook intensiveerde hij zijn eerdere contacten, zoals die met Cornelius Drebbel, bij wie hij een bril kocht. Ook schafte hij via Drebbel een camera obscura aan, iets waarvan hij diep onder de indruk was, omdat de bewegende beelden die werden vertoond zo levensecht overkwamen [brief van Constantijn aan zijn ouders 13 april 1622]. Eerder had zijn vader hem gewaarschuwd voor Drebbel, omdat hij had gehoord dat deze wel eens een tovenaar zou kunnen zijn, tot groot vermaak van Constantijn en Drebbel zelf [Mijn leven, II, 226].
Aen de sonn, Constantijn Huygens’ vertaling van Ad solem van John Donne, Koninklijke Bibliotheek, KA40a_1630_02r.
Zijn belangrijkste nieuwe sociaal-culturele contact was de familie Killigrew, met aan het hoofd Sir Robert Killigrew en diens vrouw Mary Killigrew-Woodhouse, een nicht van Francis Bacon. Na de dood van sir Robert zou zij hertrouwen met Sir Thomas Stafford. In zijn autobiografie meldt Constantijn dat alles in hun huis de sfeer van ware adel uitstraalde, en ook dat dit echtpaar hem, een onbeduidende vreemdeling, zo gastvrij in huis had genomen, waarvoor hij hen de rest van zijn leven diep dankbaar zou blijven. Bij hen thuis leerde Constantijn nieuwe mensen kennen, zoals de dichter John Donne, van wie Huygens later negentien gedichten zou vertalen. Ook hoorde hij er roddels van Elizabeth Throgmorton, weduwe van Sir Walter Raleigh, over haar tijd als hofdame aan het hof van koningin Elizabeth I.
Constantijn heeft ooit verklaard dat hij met muziek de sympathie van veel mensen had gewonnen, en het lijkt erop dat in de Killigrew-kring muziek ook de belangrijkste verbindende schakel was. Constantijn voerde zijn gansachtig gegak `tussen al die sierlijke zwanen` uit met vooraanstaande musici zoals Nicholas Lanier en Jacques Gaultier, en natuurlijk met Mary Killigrew zelf,
‘… moeder van (het verbaast me nog steeds) een dozijn kinderen […] die met haar sneeuwwitte hals zuivere godenzang ten gehore [bracht] en haar hemelse liederen begeleidde met luitspel alsof de Thracische hand zelf de snaren bespeelde’ [Mijn leven, I, 127].
Ondanks het feit dat de diplomatieke onderhandelingen met de Engelsen stroef verliepen, werd Constantijn op 27 oktober 1622 op voorspraak van François van Aerssen tot ridder benoemd. Constantijn werd ontvangen in de residentie van de koning Jacobus in Royston, waar deze hem tot ridder sloeg met een zwaard dat hij mocht houden. Op de terugweg viel Constantijn van zijn paard en bezeerde hij vreselijk zijn voet, omdat die vast bleef zitten in de stijgbeugel [Mijn leven, I, 121-123]. In zijn autobiografie doet Constantijn het voorkomen alsof deze ridderlijke onderscheiding een grote verrassing voor hem was. Maar dat klopt niet helemaal, want hij had het diploma [hieronder afgebeeld] al vijf dagen eerder ontvangen. Op diezelfde dag plaatste Constantijn ook het aan het begin van dit artikel afgebeelde motto en wapen in het album amicorum van Cornelis de Glarges. En met zijn broer Maurits had hij vijf maanden daarvoor al de heraldiek besproken van het wapen dat hij als ridder zou gaan voeren [Mijn leven, II, 208-209].
Voor Constantijn eindigde zijn derde reis in mineur. Tijdens zijn vorige reis waren er in zijn brieven al tekenen van neerslachtigheid, maar deze keer schreef hij openlijk aan zijn ouders dat hij soms overvallen werd door melancholie en dat hij ‘een droevig hart’ had [brief van Constantijn aan zijn ouders 30 april 1622]. Het voortdurende uitstel van de terugkeer van de diplomatieke missie, de frustratie over zijn garderobe, het gebrek aan geld, heimwee en ook zijn zorgen over de hervatting van de oorlog met Spanje brachten hem ‘rustelooze nachten, mijmeringen sonder end’, zo beschreef hij het in zijn gedicht ‘De uytlandighe herder, aen den heere Daniël Heins, ridder etc.’. Zijn onmogelijke verliefdheid op Lady Killigrew zal vast ook wel een rol hebben gespeeld. Als afscheidscadeau was Constantijn weer een gouden ketting beloofd, maar deze was niet klaar bij zijn vertrek. Om het geschenk alsnog te kunnen krijgen moest hij een losgeld van zeven gouden Jacobussen betalen [brief van Constantijn aan Edward Cecyl april 1623].
Tot slot
Toch had Constantijns relatie met Engeland nog een andere wending kunnen krijgen, als zijn beschermheer Van Aerssen zijn zin had gekregen [H.A. Hofman, Constantijn Huygens (1596-1687) (Utrecht 1983),48-68]. In 1622 ontstond namelijk het idee dat Constantijn de Nederlandse ambassadeur Noël Caron zou kunnen bijstaan, met tot doel hem later op te volgen. Constantijns verheffing tot de Engelse adel maakte deel uit van die strategie. Helaas overleed Caron al in december 1624, zodat Van Aerssens plan in duigen viel. Voor de opvolging van Caron had Constantijn nog te weinig ervaring en dus werd Albert Joachimi de nieuwe ambassadeur in Engeland. Op dat moment was er een vacature voor secretaris van stadhouder Frederik Hendrik en Constantijn solliciteerde met succes. Daarmee was hij verzekerd van een vaste baan en een inkomen, en zo werd Constantijns diplomatieke carrière in Engeland in de kiem gesmoord.
Rembrandt van Rijn, Maurits Huygens 1632, bpk / Hamburger Kunsthalle / Elke Walford
Meer over Huygens’ Engelse ridderschap en over zijn depressiviteit is te vinden in het artikel van Margriet Lacy en Maurits Ebben in de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Catullus 2022). Zij bespreken daarin een brief van Maurits Huygens die zijn broer Constantijn in Engeland probeert op te beuren. Nog veel meer over deze drie reizen en over de vier volgende reizen die Constantijn naar Engeland zou maken, verschijnt binnenkort in het artikel ‘The English Travels of Constantijn Huygens (1596-1687)’ in de bundel Anglo-Dutch Connections in the Early Modern World (Routledge 2023).
Ter voorbereiding op de viering van het heilig avondmaal dat hij op zondag 1 januari 1645 hoopte mee te vieren schreef Huygens op oudejaarsdag 1644 het sonnet ’s Heeren Avontmael. Hierin verwoordt hij dat hij niet waardig is aan het avondmaal deel te nemen. Onder zijn handen groeit dit eerste gedicht in een week tijd uit tot een indrukwekkende reeks overpeinzingen in sonnetvorm op de christelijke feestdagen. Het gedicht op Pasen schreef hij op 6 januari 1645.
In een door hemzelf gemaakt net-afschrift met de titel Heilighe Daghen liet hij het bundeltje door zijn vriend de Amsterdamse hoogleraar Barlaeus (Caspar van Baerle), als nieuwjaarsgeschenk aanbieden aan Leonora Hellemans, ‘Drostinne van Muyden’, echtgenote van Pieter Corneliszoon Hooft.
M. van Mierevelt , Leonora Hellemans, 1629. Verblijfplaats onbekend. Afb. uit: Briefwisseling P.C. Hooft, dl. 3 tussen p. 704-705.
In een brief van 12 januari 1645 geeft Huygens Van Baerle de instructie dit geschenk persoonlijk met zijn vriendenhand te overhandigen en het belang ervan mondeling toe te lichten. Hij schrijft verder er geen bezwaar tegen te hebben als deze verzameling gedrukt zou worden. Dat moet dan in de voorname letter van Blaeu gebeuren, Van Baerle moet erop toezien dat er niets fout gaat en hij moet ook een inleiding verzorgen. Van Baerle doet dat en al op 28 januari kan hij een aantal exemplaren naar Huygens sturen. Van deze eerste druk is slechts één exemplaar overgeleverd. Het bevindt zich in de British Library. In 1974 heeft Strengholt dit exemplaar uitgegeven.[1]
Ed. Strengholt (Amsterdam 1974)
Als Huygens in januari 1645 het feest van Pasen overdenkt, identificeert hij zich met de Israëlieten. Zij werden gered van de dood van hun eerstgeborenen doordat hun deuren gemerkt waren met het bloed van het paaslam. ‘Ook wij zijn gered, ook onze deuren zijn verschoond gebleven van de wraak der Egyptenaren en ook wij zijn door de Rode Zee veilig ontkomen’, dicht Huygens in de eerste acht regels van zijn sonnet.
‘Maar zijn we daardoor nu veilig’, vraagt hij zich af in het sextet van zijn gedicht. ‘Is het schip veilig de haven in gekomen?’ ‘Helaas niet’, zegt hij. ‘Wij zitten midden in de ruwe zee. De engel des doods komt ook nu weer.’ ‘Heer’, bidt Huygens dan, ‘laat hem voorbijgaan’. ‘Merk ook nu de deur van ons hart met bloed van het Paaslam’. ‘En’, zegt hij, ‘Leeuw van Juda, leer ons tijdig te vrezen voor een Lam.’
Het oorspronkelijke Joodse Pascha heeft voor Huygens dus een actuele betekenis. Zoals de Israëlieten werden gered door het bloed van een geslacht lam, zo worden de gelovige christenen gered door het bloed van Christus, die als een lam ter slachtbank werd geleid.
[1] Constantijn Huygens, Heilighe Daghen. (Amsterdam 1974). De correspondentie tussen Van Baerle en Huygens over deze gedichten is uitgegeven, met een vertaling van het Latijn in het Nederlands, door F.L. Zwaan (Zwolle 1968).
J.L. Cornet schildert grootvader Huygens met zijn kleindochter.
Bij de voorbereiding van boek Constantijn Huygens. Een leven in brieven trok een schilderij van J.L. Cornet de aandacht. Het schilderij van 50,5 bij 40,8 cm, olieverf op paneel, gesigneerd en gedateerd 1843, maakt deel uit van de collectie van het Amsterdam Museum. Het is afkomstig uit de verzameling van Carel Joseph Fodor (1801-1860). Fodor liet al zijn kunst na aan de stad Amsterdam met uitgewerkte plannen en een bouwkapitaal voor een museum. Dit Museum Fodor was van 1863 tot 1948 aan de Keizersgracht gevestigd. In een vrijwel onveranderde presentatie was daar Fodors collectie negentiende-eeuwse kunst te bewonderen.[1] Dit schilderij van J.L. Cornet met de titel Constantijn Huygens met zijn kleindochter heeft binnen de Huygensstudie ten onrechte nooit enige aandacht gekregen.
De schilder J.L. Cornet
Zelfportret van Jacobus Ludovicus Cornet, ca. 1835-1855, Rijksmuseum.
Jacobus Ludovicus Cornet (1815-1882) was een geboren en getogen Leidenaar. Hij was tekenaar, etser, aquarellist, lithograaf, schilder, lid en later bestuurslid van de Leidse schildersacademie ‘Ars Aemula Naturae’, medeoprichter van Stedelijk Museum De Lakenhal en van 1851 tot 1882 directeur van het Leidse Prentenkabinet. Hij schilderde bij voorkeur voorstellingen met kunstenaars, geleerden en andere cultuurdragers uit de zeventiende eeuw. Bekende werken van hem zijn het schilderij Paulus Potter tekenend naar de natuur (De Lakenhal, Leiden) en de aquarel De kamer van de gebroeders De Witt in de Gevangenpoort na de moord (Dordrecht, Museum Mr. Simon van Gijn).[2]
Constantijn Huygens
Met het schilderij Constantijn Huygens met zijn kleindochter heeft Cornet inderdaad een belangrijk figuur uit de zeventiende-eeuwse vaderlandse cultuur weergegeven in een huiselijk tafereel. Cornet heeft zich voor zijn weergave van grootvader Huygens laten inspireren door het portret dat Netscher in 1672 van de toen zesenzeventigjarige Huygens heeft gemaakt. De lange haren, de kraag en het open vest zijn vergelijkbaar.
Dat de afgebeelde grootvader Constantijn Huygens is, blijkt ook uit de details die Cornet spaarzaam, onopvallend, maar betekenisvol heeft aangebracht. Dat is in de eerste plaats het familiewapen van Huygens dat zichtbaar is in het houtsnijwerk van de schrijftafel links.
Huygens’ wapen. Detail van afb. 1.
Kopie van het wapen van Huygens als ridder van St. Michel. Detail van HUG 43, fol 7r. UB Leiden
Een tweede verwijzing naar Huygens vormen de luit en de muziekbladen op de tafel rechts. De luit was Huygens’ favoriete muziekinstrument. De derde aanwijzing is de sinaasappel, het appeltje van oranje, dat Huygens aan zijn kleindochter aanbiedt. Een schijfje op de voorgrond lijkt even te voren afgesneden van de halve sinaasappel op het zilveren bord dat achter het meisje op een met groen fluweel bekleed taboeretje staat. Deze appeltjes van oranje wijzen natuurlijk op Huygens’ bijna levenslange dienstbaarheid aan het huis van Oranje-Nassau als secretaris van de prinsen van Oranje Frederik Hendrik en Willem II, en als lid van de Nassause Domeinraad. Heel interessant is ook het glazen inktstel op de schrijftafel. Uit een handschrift in de collectie van de ook al in zijn eigen tijd bekende verzamelaar van Hugeniana, A.D. Schinkel, zou Cornet hebben kunnen weten dat Huygens zo’n zeldzaam glazen inktstel bezat. Huygens kreeg het ten geschenke van Roemer van Wesel en schreef op 6 mei 1682 dit gedichtje:
Aen R. van Wesel
op zijn doorluchten Int-pot aen my vereert.
Ick sie, ghy maeckte geern, een goed Paerd van een’ Esel,
En ’t schort meer aen de macht als aen de drift, van Wesel,
Van uw goed-aerdicheit: maer hoort beleefde Vrind:
’T en baett Glas noch Crystal: daer wordt niet uyt geschreven
Als datmer eerst in goot: kan ’t klaire Vat meer geven
Als daer ’t af swanger is? Siet watgh’ u onderwindt;
Swart marmer is niet min doorluchtig dan myn Int.[3]
(Aan R. van Wesel / op zijn doorzichtige aan mij geschonken inktpot / Ik zie, dat jij graag een goed paard maakt van een ezel. / Maar het ontbreekt meer aan de uitwerking dan aan de ingeving, Van Wesel / van uw goedbedoelde aardigheid. Want luister, beleefde vriend: / Glas of kristal helpen niet. Daaruit [ uit zo’n glazen inktpot] wordt met niets anders geschreven / dan wat men er eerst in goot. Kan het heldere vat meer geven / dan waar het zwanger van is? Kijk eens wat je je op je hals haalt: / Zwart marmer is niet minder doorzichtig dan mijn inkt.)
In zijn ouderdom had Huygens geregeld vriendschappelijk contact met Roemer van Wesel (1623-na 1693), de zoon van Huygens’ vriendin en collega-dichter Anna Roemers Visscher (1584-1652). In dit gedicht reageert Huygens speels negatief op de doorzichtige inktpot die Roemer hem cadeau deed. Zo’n glazen of kristallen inktpot helpt niet om ‘doorzichtiger’ te schrijven. Er komt uit wat erin gaat. En Huygens’ inkt is niet minder doorzichtig dan zwart marmer. Als Cornet inderdaad de collectie van Schinkel kende, zou het afbeelden van een glazen inktstel, een vierde, meer verborgen aanwijzing richting Huygens zijn.
Het handschrift dat bij het inktstel op de schrijftafel ligt wijst onmiskenbaar naar Huygens. Op de binnenzijde van het perkamenten omslag heeft Cornet de titel ‘Cluyswerck’ genoteerd met daaronder het jaartal 1684.
Cluys-werck. Detail van afb.1
Cluys-werck
Cluys-werck is een 608 regels tellend autobiografisch gedicht van Huygens. Hij voltooide het in 1681. Hij was toen 81 jaar en beschrijft in dit gedicht hoe hij zijn dagen doorbrengt in zijn ‘kluis’, zijn huis aan het Plein in Den Haag. Hij is een kluizenaar, maar wel een gelukkige. Veel tijd brengt hij door in zijn bibliotheek:
De sael daer ick het meeste werck of
Van all’mijn saelen maeck (..) (Cluijswerck, regel. 383-383)
Dat is het vertrek dat hij het meest koestert. Daar leest hij of zoals hij het in Cluijs-werck zelf zegt, daar ontmoet hij dode lieden die tot hem spreken uit hun boeken:
Doo Luijden nu en dan, die uijt haer Graven spraken
Cluys-werck is tijdens Huygens’ leven niet uitgegeven; het is in handschrift overgeleverd. Naar een zeventiende-eeuws afschrift dat toen in particulier bezit was, is het in 1841 voor het eerst gepubliceerd.[5]
Huygens, Cluys-werck. Afschrift. KB Den Haag
Cornet heeft Cluys-werck zeker gelezen, waarschijnlijk in deze uitgave van 1841. Hij situeert dit tafereeltje van grootvader en kleindochter niet voor niets in Huygens’ bibliotheek waar de wanden vullende boekenkasten met groene gordijnen kunnen worden afgeschermd tegen het licht. Of Cornet het handschrift van het gedicht heeft gezien bij de particuliere bezitter, valt niet te bewijzen. Het afschrift dat nu in de Koninklijke Bibliotheek wordt bewaard, steekt in een zeventiende-eeuwse, kalfsleren met goud gestempelde band en niet in het perkamenten omslagje met leren vetersluitingen dat Cornet heeft geschilderd. Waarschijnlijk heeft de kunstenaar uit zijn hoofd een zo authentiek mogelijk beeld van een zeventiende-eeuws manuscript willen weergeven en voelde hij zich bovendien vrij om op het handschrift het jaartal 1684 te plaatsen. Dit jaartal kan niet de datering van het handschrift zijn – zo deed Huygens dat niet-, maar moet dus opgevat worden als een aanduiding van het jaar waarin deze scène zich voordoet.
Het jaartal 1684
In het jaar 1684 was Huygens achtentachtig jaar. Over de dag dat hij zijn negenentachtigste jaar inging heeft hij een gedicht geschreven dat binnen de Huygensstudie beroemd geworden is:
Aan mijn kinderen op mijn
achtentachtigste verjaring
Op twaalf na honderd jaar! Ik kan ’t mij niet vergeven;
Ik laat de wereld staan, die mij met dit taai leven
(Aan mijn kinderen / op mijn achtentachtigste verjaardag / Op twaalf na honderd jaar! Ik kan het mezelf niet vergeven. / Aan de wereld schenk ik geen aandacht, die mij met dit taaie leven / alles ziet overleven, dat menig jaar na mij geboren is.)
Ook dit gedicht dat Huygens op 4 november 1684 schreef ‘in ons jacht op reis naer de Visscherij pacht na G(eertruiden)Bergh’ is nooit gedrukt tijdens Huygens’ leven. Het werd pas bekend naar een lithografische kopie van het handschrift voorin de bundel Constantin Huygens. Studiën van Theod. Jorissen (Arnhem 1871). Het handschrift bevindt zich, zo ontdekte ik tot mijn verrassing, in particulier bezit.[7] Mogelijk heeft Cornet dit handschrift gezien en is hij erdoor geïnspireerd om dit tafereel in 1684 te plaatsen. Het kan ook zijn dat de leeftijd van de kleindochter hem tot deze datering heeft gebracht.
De kleindochter
Met het jaartal 1684 hebben we een sleutel in handen om de afgebeelde kleindochter te identificeren. Uit zijn huwelijk met Susanna van Baerle had Huygens vijf kinderen: Constantijn jr., Christiaan, Lodewijk, Philips en Susanna. Alleen Huygens’ dochter Susanna kreeg in haar huwelijk met Philips Doublet vier meisjes: Constantia (1661-1665(?)), Geertruid (1663-1672), Constantia Theodora (1665-1726) en Philippina (1672-1708).[8] Van hen waren in 1684 alleen Constantia Theodora en Philippina nog in leven. Constantia Theodora is dan ca. 19 jaar. De afgebeelde kleindochter ziet er aanmerkelijk jonger uit. Zij kan niet de afgebeelde kleindochter zijn. Dat moet dan dus haar jongere zus Philippina Doublet zijn.
Philippina Doublet, detail van afb. 1.
Philippina is in 1684 tien jaar. Haar moeder Susanna noemt haar in een brief van 8 maart 1680 aan haar broer Christiaan die dan in Parijs is, liefkozend ‘Phippie’. Ze is er trots op dat zij al ‘Dansse la courante simple comme une grande Desmoiselle’.[9] Cornet heeft haar als een echt dametje afgebeeld in een prachtige satijnen robe.
Conclusie
De schilder Cornet heeft in 1843 een schilderij vervaardigd dat met de weergegeven figuren en in de bijgevoegde details een aantrekkelijk en waarheidsgetrouw beeld geeft van Constantijn Huygens die als grootvader op zijn oude dag zijn kleindochter een sinaasappel aanbiedt. Cornet heeft zich voor dit tafereel goed gedocumenteerd. Hij maakte gebruik van recent verschenen literatuur en kan ook heel goed handschriftelijk materiaal geraadpleegd hebben uit de collectie van de Universiteitsbibliotheek van Leiden of uit particuliere collecties. Zo heeft hij een scène afgebeeld die zich in 1684 werkelijk zou hebben kunnen afspelen in Huygens’ huis aan het Plein.
In de bundel Constantijn Huygens. Een Leven in brievenis een rijk geïllustreerd hoofdstuk gewijd aan Huygens’ contact met zijn dochter Susanna, geschreven door Roosje Peeters.
Ad Leerintveld, 26 februari 2022
[1] Ellinoor Bergvelt, ‘Carel Joseph Fodor en zijn museum. Een Amsterdams museum voor moderne kunst’, in: Gusta Reichwein, Ellinoor Bergvelt, Frouke Wieringa, Levende Meesters, de schilderijenverzameling van C.J. Fodor (1801-1860), Amsterdam 1995, p. 34-50. Het schilderij is nr. 28 in de catalogus, p.115.
[2]Het Vaderlandsch Gevoel. Vergeten negentiende-eeuwse schilderijen over onze geschiedenis. Amsterdam, Rijksmuseum 1978, p. 42, afb, 16, p. 148-149 en p. 296 (biografische gegevens).
[3] A.D. Schinkel, Geschied- en Letterkundige Bijdragen, Niet in den handel 1850, p.37.
[5] F.L. Zwaan (ed.), Constantijn Huygens’ Cluys-werck (Jeruzalem 1977), p. XXV-XXVI. De eerste uitgave is verzorgd door W.J.A. Jonckbloet (’s-Gravenhage 1841). Zie ook: Ad Leerintveld, ‘Huygens als kluizenaar. Constantijn Huygens de Oude (1596-1687) over zijn oude dag’, in: Jaarboek De Zeventiende Eeuw. 2017, p. 109-122.
[6] Constantijn Huygens, Dromen met open ogen. Een keuze uit de gedichten samengesteld door M.A. Schenkeveld-Van der Dussen, L. Strengholt en P.E.L. Verkuyl (Amsterdam 1984) p. 103.
[7] Ad Leerintveld, Constantijn Huygens. De collectie in de Koninklijke Bibliotheek (Amersfoort/Brugge 2013) p. 120-121.
[8] J.H.W. Unger, Dagboek van Constantyn Huygens. Bijlage van Oud-Holland 3 (1885). Bijlage D. Geslachtslijst der familie Huygens, Bijlage H. Geslachtslijst der familie Doublet.
Bij de werkzaamheden voor Huygens Briefwisseling Online duiken steeds verrassingen op. Zo vond Ineke Huysman in de collectie van de Fondation Custodia in Parijs een geheel onbekende brief aan Huygens met een kerstgedicht. De brief is geschreven ‘aus Antorff den 15 Januarij 1639’ door een zekere Christophorus von Essen ‘Jacht[meeste]r von Dessau aus Anhalt’. Deze Christophorus von Essen of Christoffel van Essen geniet in de jaren dertig en veertig van de zeventiende eeuw in Antwerpen enige bekendheid als dichter en schermmeester. Op zijn naam staat een vijftal publicaties waaronder een werk tegen de Hollanders die maar geen vrede willen met Spanje (1634) en een lofdicht op kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, bij zijn Blijde Intrede in Antwerpen (1635).[1] Uit zijn publicaties blijkt Van Essen zeer katholiek, Spaansgezind, anti-calvinistisch en tegen de Hollanders te zijn. Het is dan ook opmerkelijk dat hij de hervormde, Haagse Hollander Huygens een gedicht stuurt. Huygens heeft Van Essen en zijn werk mogelijk gekend en over hem horen spreken bij zijn frequente bezoeken aan Antwerpen. Of ze elkaar ontmoet hebben, is onbekend. Van Essen kende in ieder geval Huygens’ reputatie. Dat wordt overduidelijk uit de nu voor het eerst gepubliceerde brief, die ook de eerste (en enige?) brief is die tussen Huygens en Van Essen is gewisseld.[2]
Van Essen begint zijn schrijven met de mededeling dat hij Huygens niet eerder heeft geschreven. ‘Maar’, zegt hij vervolgens, ‘niets zijn de bestieringhen (wilsbesluiten) van de Allerhoogste vreemd en onbegrijpelijk’. Met de opmerking dat de microcosmos (de mens) en de grote globe (de aarde) door hetzelfde licht beschenen worden, zet Van Essen een vergelijking in tussen hemzelf en Huygens. Hij is maar een nachtlampje vergeleken met het licht dat Huygens is. Hij is maar een vonkje bij de flambouw van Huygens en zijn gedicht zal hooguit een half uurtje van Huygens’ vrije tijd nemen. In de rest van de brief probeert Van Essen met een ingewikkelde verwoording van de werking der emoties en hartstochten Huygens duidelijk te maken hoezeer hij innerlijk geprest is tot dit schrijven. Hij eindigt met Huygens ‘een salichst ende geluckichst Nieuw-Jaer’ te wensen.
Het kerstgedicht van Van Essen
Christoffel van Essen stuurt Huygens een kerstgedicht dat is opgebouwd uit twee delen.[3] Het eerste deel van zestien regels beschrijft de almachtige God, mens geworden als een klein kind: het ‘Kleijn-Grote Kind, waarin het al staat stil’. Het tweede deel is een oproep aan de mens om zich bij het aanschouwen van dit wonder om zijn zielenheil te bekommeren.
De beschrijving in het eerste deel is vol tegenstellingen. God die met milde hand de hele aarde zegent, omhelst de nood en laat armoede en gebrek toe tot Zijn lichaam. Hij die alles Zijn woning geeft, heeft, nu Hij mens is geworden, geen onderdak bij de mensen. Jozef en Maria doen hun best en vinden voor Hem een plaats bij de domme beesten. ‘Daar is de Hemel nu in enen stal besloten’. ‘Daar ligt de Schepper’, zelf verstoten van Zijn eigen werk. Israël en Judea kennen Hem niet. Maar de os en de ezel beschouwen Hem als hun meester. En de herders, die in het veld hun schapen hoeden, horen een nooit-gehoord lied ‘Van Vrede op der aard’ aan die van goeden wil’.
Rembrandt van Rijn, De aanbidding der herders. 1646. München Alte Pinakothek. Rembrandt maakte dit in opdracht van stadhouder Frederik Hendrik.
Het tweede deel van het gedicht roept de mens op zich op het heil van zijn ziel te richten. Met een wel twaalfmaal herhaald ‘Hier’ richt de dichter de aandacht van zijn lezer op het wonder dat geschied is in deze stal. Hier is God door Zijn Menswording met de mens verbonden. Hier ligt uw eigen stoffelijke lichaam in genade gewikkeld. Hier is de Hemel neergedaald. Hier is de kop van de slang gebroken. Hier is Uw Heer. Hier is het hoogste wonder. Hier is de hulp voor uw ziel. Hier is het meest bijzondere, de om u mens geworden mens. Hier is wat ‘altegaar’ kan geven wat de mens verheugt ‘in ’t Nieuwe-Jaar’.
Huygens’ Kersmis
De tegenstellingen uit Van Essens kerstgedicht: God-mens, Hemel-stal, almachtige God-pasgeboren kind vinden we ook terug in het sonnet Kersmis dat Huygens op 5 januari 1645 schreef. Kersmis is opgenomen in de bundel Heilighe Daghen, een onmiskenbaar hoogtepunt in Huygens’ oeuvre. Huygens liet deze gedichten op de kerkelijke hoogtijdagen in 1645 fraai uitgeven te Amsterdam bij Johan Blaeu als geschenk aan Leonora Hellemans, de vrouw van zijn vriend P.C. Hooft.[4] Huygens’ gedicht Kersmis is veel pregnanter dan dat van Van Essen. Huygens verwoordt in veertien regels wat Van Essen in achtentwintig regels benadert. Bij Huygens is de ziel al overtuigd van het wonder en de betekenis van ‘Gods Soon in’t hoy’. Zijn ziel wil bij Hem in de stal overnachten. Aan het einde van zijn sonnet, spreekt Huygens zijn ziel toe. Zij moet nederig knielen voor het Kerstkind en een einde maken aan de ongepaste rijmelarij. Bij dit wonder past sprakeloosheid.
Invloed?
Huygens heeft voor zover bekend niet gereageerd op Van Essens zending. Christoffel van Essen was noch door afkomst, aanzien of functie een partij voor Huygens. Van Essen zal Huygens met zijn gedicht (en zijn brief) hebben verwonderd en mogelijk ook ontroerd. Hun beider geloof in het Wonder van Kerstmis kan hen, katholiek en calvinist, bijeengebracht hebben. Of Huygens in 1645 voor zijn gedicht Kersmis door het hem zes jaar tevoren toegezonden gedicht van Van Essen geïnspireerd werd, valt niet uit te maken. Voor zijn Heilighe Daghen waren de bijbel en zijn geloof de belangrijkste inspiratiebronnen.
Ad Leerintveld, 26 december 2020
[1] De volledige titels zijn te vinden in de Short Title Catalogue Vlaanderen STCV: stcv.be
[4][4] Constantijn Huygens, Heilighe Daghen. Uitgegeven naar de eerste editie van 1645. Ingeleid en toegelicht door L. Strengholt. Amsterdam 1974. Ook te raadplegen via dbnl.org
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.