Huygens’ laatste muziekbrief

Zoals Rudolf Rasch’ 300 brieven over muziek van, aan en rond Constantijn Huygens (2007) duidelijk maakt, is muziek een belangrijk en vaak weerkerend onderwerp in Huygens’ correspondentie. Huygens’ oudste overgeleverde muziekbrief dateert van 20 maart 1609, en is de korte brief van een dertienjarige, plichtsbewuste zoon aan zijn vader (brief 4). De laatste brief, die het onderwerp is van dit blogbericht, dateert van 20 januari 1687 en is de brief van een negentigjarige man die in amper 400 woorden terugblikt op een leven mét en vol van muziek (brief 7251). Huygens schreef de brief nauwelijks twee maanden voor zijn dood. Dat alles maakt het tot een van Huygens’ meest persoonlijke en ontroerende brieven.

Tussen Huygens’ eerste en laatste brief ligt een hele wereld die wordt bevolkt door componisten, professionele musici en muziekliefhebbers, en die bovenal wordt gekenmerkt door vele vriendschappen. Zo speelde muziek een grote rol in Huygens’ relaties met Maria Casembroot, Utricia Ogle en Béatrix de Cusance. Maar de langstdurende muziekvriendschap die Huygens zou aanknopen, was die met de Antwerpse familie Duarte, en meer bepaald met vader Gaspar Duarte en diens oudste zoon Diego.

Brief van Constantijn Huygens aan Diego Duarte, 20 januari 1687, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

Duarte

Gaspars vader was, in de tweede helft van de zestiende eeuw, weggetrokken uit Portugal. In Antwerpen bouwden achtereenvolgens Gaspars vader, Gaspar zelf en ten slotte zijn oudste zoon Diego een succesvolle en internationaal gereputeerde juwelenhandel uit. Die juwelenhandel was initieel de reden waarom Huygens en Gaspar Duarte brieven uitwisselden. Huygens was omstreeks 1640 immers op zoek naar een juweel voor het stadhouderlijke hof, bestemd voor de Engelse prinses Mary. Maar vrijwel onmiddellijk nam het thema muziek een belangrijke plaats in de brieven in. Gaspar Duarte was, net als Huygens, een groot muziekliefhebber en hij speelde zelf muziek. Voor Duarte was er bovendien nog meer aan de hand: hij en zijn gezin leefden als katholieken in een katholieke stad, maar ze hadden joodse wortels, en om die joodse wortels werden ze vaak met wantrouwen benaderd. Gaspar moet al snel hebben ontdekt dat muziek een universele taal was die geografische en religieuze grenzen kon overstijgen en hem kon helpen om contacten te leggen en vriendschappen aan te gaan.

Gonzales Cocques en/of atelier, Portret van een familie (De familie Duarte) (Stift St. Paul, Lavanttal, in bruikleen aan het Snijders&Rockoxhuis, Antwerpen).

Gaspar Duarte zorgde ervoor dat (de meesten van) zijn twee zonen en vier dochters een doorgedreven muziekopleiding genoten. En vanaf jonge leeftijd gaven Gaspar en enkele van zijn dochters huisconcerten waarop handelscontacten en vrienden uit zowat heel West-Europa aanwezig waren. Jood, katholiek, anglicaan en calvinist waren welkom. Het hoogtepunt van de concerten lag tussen 1635 en 1650. In 1653 overleed Gaspar Duarte, waarna het muziekleven van de Duartes een meer privaat karakter lijkt te hebben gekregen.

Met Gaspars dood nam zijn zoon Diego de rol als Huygens’ correspondent over. De briefwisseling die Huygens en Diego Duarte voerden, zou pas eindigen met Huygens’ dood op 28 maart 1687. Huygens’ allerlaatste brief waarin muziek een rol speelde, de brief van 20 januari 1687, was aan Diego Duarte gericht. In die brief denkt Huygens bovendien nog eenmaal uitdrukkelijk terug aan Gaspar, ‘mijn goede vriend en heer Uw vader saliger’. Het was de laatste bladzijde in een vriendschap die vijf decennia had geduurd en daarmee een belangrijke constante in Huygens’ leven was geweest.

Doorheen de jaren converseerde Huygens met Gaspar en Diego Duarte over allerlei onderwerpen: familiale nieuwtjes, praktische vragen om hulp, de uitwisseling van informatie allerhande. Maar steeds opnieuw keerde de conversatie terug naar de muziek. Dat de vriendschap tussen Huygens en de Duartes zo duurzaam bleek te zijn, heeft mogelijk te maken met het feit dat Huygens op muzikaal vlak veel van zichzelf in de Duartes herkende. Tot op zekere hoogte waren de families immers een spiegel voor elkaar, allebei bijzonder begaafd, met brede (culturele) interesses en een grote muzikale honger en nieuwsgierigheid.

Instrumenten

Gaspar Borbon, viola da gamba (Museum Vleeshuis, Antwerpen)

Als het over muziek ging, hoefde Constantijn Huygens niet als een luisteraar aan de zijlijn te blijven staan. In die allerlaatste muziekbrief, de brief van januari 1687, verwijst Huygens naar ‘de vijffderhande instrumenten’, de vijf instrumenten, die hij beheerste, namelijk de luit, de viola da gamba, het klavecimbel, de theorbe en de gitaar. Volgens zijn eigen getuigenis leerde Huygens al zingen toen hij twee jaar oud was, leerde hij de viola da gamba te bespelen vanaf zijn zevende, en de luit vanaf zijn achtste. Klavecimbel en orgel volgden toen hij ongeveer zeventien was. Later maakte Huygens ook kennis met de getheorbeerde luit en de theorbe. Die laatste is wellicht te zien op het portret dat Thomas De Keyser van Huygens maakte. En tegen 1670 had Huygens de gitaar aan dat lijstje toegevoegd.

Thomas de Keyser, Portret van Constantijn Huygens en zijn secretaris (detail). Rechts, op de tafel, onder de papieren, ligt een getheorbeerde luit. (National Gallery, Londen)

Huygens’ instrumenten waren ook de instrumenten van de Duartes. Dat blijkt onder meer uit een brief waarin Gaspar Duarte aan Huygens uitlegt in welke diverse bezettingen hij en zijn kinderen concerten gaven. Tijdens die concerten zongen Gaspar en zijn dochters, en bespeelden ze onder meer het klavecimbel of het virginaal, de viola da gamba, de theorbe en de luit. Dochter Leonora stond bekend als een begaafd zangeres, en haar zus Francisca was een bijzonder virtuoos klaveciniste. Een lofdicht van Huygens’ vriendin Anna Roemers Visscher getuigt van de hoge kwaliteit van hun muziekuitvoeringen. En ook onder meer de Engelse royalistische vluchtelinge Margaret Cavendish en de Zweedse koningin Christina hadden lof voor de muziekkunsten van de dochters Duarte.

Huygens’ muzikale interesse ging verder dan het louter uitvoeren van muziek. Hij was geïnteresseerd in muziektheorie en in evoluties in de instrumentenbouw. Omstreeks 1648 wilde Huygens een nieuw klavecimbel aanschaffen. En daarvoor zocht hij de bemiddeling van Gaspar Duarte.[1]  Huygens wilde een klavecimbel uit de ateliers van de familie Ruckers-Couchet, maar had heel specifieke wensen over de uitzonderlijke omvang van het klavier en de besnaring. Die wensen moest Gaspar Duarte aan de bouwer, Joannes Couchet, overbrengen. Dat deed Duarte met plezier, want ook hij ging zich graag bemoeien in het atelier. Het resultaat was een instrument zoals Couchet er nog nooit een had gebouwd.

Muziekbibliotheek

In de families Huygens en Duarte werd niet alleen gemusiceerd, er werd ook gecomponeerd. Aan Duartezijde werden slechts zeven muziekwerken overgeleverd, sinfonias gecomponeerd door Leonora en bewaard in een handschrift uit de bibliotheek van Christ Church, Oxford. Een veelvoud aan composities is verloren gegaan, dat blijkt ook uit Huygens’ laatste muziekbrief. Huygens schreef die brief om Diego Duarte te bedanken. Diego had hem kort tevoren immers zijn integrale psalmcomposities bezorgd, een project waaraan hij minstens vijftien jaren had gewerkt en waarvan hij het resultaat aan Huygens wilde opdragen. Al deze psalmcomposities zijn verloren gegaan.

In dezelfde brief verwijst Huygens naar de meer dan 800 muziekwerken die hij zelf doorheen zijn leven had gecomponeerd. Vandaag is van die meer dan 800 werken slechts een fractie overgeleverd, namelijk de 39 werken voor stem en basso continuo verzameld in Huygens’ Pathodia sacra et profana, enkele losse liederen en een instrumentale allemande.

Constantijn Huygens, Laetatus sum (uit: Pathodia sacra et profana), bewerkt en uitgevoerd door Korneel Van Neste (contratenor), Justin Glaie (luit), Nina Przewoźniak (viool) en Pieter De Moor (traverso). Museum Vleeshuis, Antwerpen.

Huygens’ correspondentie geeft ons een idee van de inhoud van zijn verloren gegane muziekbibliotheek. Er waren de eigen composities: vele honderden werken voor luit en theorbe en wellicht een kleiner aantal composities voor viola da gamba, gitaar en klavecimbel. Waarschijnlijk gaat het vooral om korte, dansante stukken zoals courantes, gaillardes, gigues, sarabandes. Ook waren er heel wat werken die in hun titel de naam droegen van familie en vrienden, zoals de Plaintes de madame la Duchesse de Lorraine en de Plaintes de Madame la princesse sa fille, en de Tombeaux et funérailles de Monsieur Duarte (brief 5338). Tot de bibliotheek behoorde allicht ook Huygens’ bundel Pathodia sacra et profana in de overgeleverde versie met basso continuo, maar wellicht ook in een versie met luittablatuur en in een versie voor drie zangstemmen.

Met ruim 800 composities was Huygens een van de meer productieve Nederlandse componisten uit zijn tijd. Helaas toonden zijn nazaten amper interesse voor zijn muziekbibliotheek en ging bijna alles verloren. Er is natuurlijk nog altijd de hoop dat een deel van die verloren gegane muziek ooit opduikt. In 1738 ontdekte de Zeeuwse auteur Pieter de la Ruë drie oblong banden in de Middelburgse boekhandel van de gebroeders Callenfels. In de banden had Huygens minstens 115 van zijn eigen luitcomposities samengebracht.De gebroeders Callenfels hadden de banden verworven via een Haagse boekhandelaar en uitgever, en die had ze op zijn beurt gekocht ‘van een Jood’.[2]

George Kockers, Portret van Pieter de la Ruë (Rijksmuseum, Amsterdam).

Huygens’ bibliotheek bevatte niet alleen muziek van hemzelf, maar ook van andere componisten. Allicht dus ook van de Duartes, zoals Diego’s complete psalmzettingen, maar ook losse liederen en andere werken. In zijn brief van 20 januari 1687 heeft Huygens het over de ‘de successie van de musieckale productiën, daer mede het edele huys Duarte van allen tijden de wereld heeft verheught ende vereert’. Toch zal de muziekproductie van de Duartes maar een fractie hebben uitgemaakt van Huygens’ totale muziekbibliotheek.

De veilingcatalogus van zijn bibliotheek vermeldt ongeveer 80 gedrukte muziekboeken. Het gaat daarbij om uitgaven met muziek van beroemde componisten als Jan Pieterszoon Sweelinck en Orlandus Lassus, maar ook van de nauwelijks bekende Joannes De Haze, een goede Antwerpse vriend en muziekpartner van Diego Duarte.

Daarnaast ging Huygens vaak rechtstreeks naar de bron en onderhield hij contacten met componisten als Jacques Champion de Chambonnières, Giovanni Paolo Foscarini, Jacques de Saint-Luc, Nicholas Lanier, Henri Dumont, Joseph en Pierre de la Barre, Thomas Gobert, Jacob Froberger en Jacques Gaultier. Sommige componisten zou Huygens persoonlijk ontmoeten, in Londen of Parijs, maar in andere gevallen bleef het bij brieven. Vaak was dat contact gedurende een korte tijd intens en verwaterde het weer na enkele jaren. Sommige componisten, zoals Lanier en Chambonnières behoorden ook tot de kennissen van de Duartes.

Samen gingen Huygens en de Duartes op zoek naar interessante componisten, en speelden ze namen aan elkaar door. Ook benutten ze elkaars netwerk ten volle voor het verzamelen en uitwisselen van muziekstukken. Wat de ene familie in handen kreeg werd al eens gekopieerd voor de andere. Zo beschikte Huygens over de bundel Konincklycke Fantasieën met muziek van Thomas Lupo, Giovanni Coprario en Orlando Gibbons. En daar werd uit gekopieerd voor de Duartes en hun huisconcerten (brief 4910). Ook de muziek van Chambonnières werd gretig gedeeld. En vaak werden de werken weer verder doorgegeven aan andere vrienden zoals Utricia Ogle of Béatrix de Cusance.

Een medicijn bij verdriet

Muziek was, in de zeventiende eeuw, zelden vrijblijvend vermaak. Ouders van stand die hun kinderen een verfijnde opvoeding wilden geven en daar de financiële middelen voor hadden, zorgden voor muzieklessen. Vaak viola da gamba of een tokkelinstrument zoals de luit voor de jongens, en klavierinstrumenten, zoals het klavecimbel, voor de meisjes. Constantijn Huygens beheerste ze allemaal. Je moest overigens niet overdrijven in dat musiceren, want opscheppen met je talent was dan ijdel en zondig. Je wilde als amateur ook niet verward worden met een professionele musicus die met ijdele virtuositeit zijn boterham verdiende. Kortom, het moest liefhebberij blijven. Dat is één van de redenen waarom Huygens’ naam niet op de titelpagina van zijn Pathodia prijkt, maar hij er enkel wordt aangeduid met het Latijnse woord ‘occupatus’, drukbezet man.

Muzieklessen deden ook meteen dienst als levenslessen: muziek had een mathematische basis en weerspiegelde het universum. Muziek bracht harmonie in het leven, want ‘de musique geene teghenstrijdicheijt in haerselven en tollereert’, schreef Diego Duarte aan Huygens. En is de partituur op het portret van Huygens en zijn echtgenote ook geen symbool van huwelijkse harmonie?

Jacob van Campen, Dubbelportret van Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle (Mauritshuis, Den Haag).

Hoe Constantijn Huygens, de Duartes en heel wat tijdgenoten naar muziek keken, wordt prachtig samengevat door een spreuk die Antwerpse klavecimbel- en virginaalbouwers wel eens op de deksels van hun instrumenten aanbrachten. Die spreuk is bovendien ook te zien op een schilderij van Johannes Vermeer (van wie Diego Duarte een werk bezat). Omstreeks 1660-1662 schilderde Vermeer Dame aan het virginaal met een heer, beter bekend als De muziekles. Op dat werk zijn een musicerende dame en heer te zien én een Antwerps virginaal, wellicht van het huis Ruckers-Couchet waarvan Huygens ook een instrument bezat. Op het deksel valt het motto ‘Musica letitiae comes, medicina dolorum’, ‘muziek is een gezel bij vreugde, een medicijn bij verdriet’, te lezen.

Johannes Vermeer, Dame aan het virginaal met een heer (De muziekles) (Royal Collection Trust; afbeelding: Wikimedia).

Huygens was zijn ouders dankbaar voor de muzikale opvoeding die hij genoten had en stelde uitdrukkelijk dat hij door de muziek van veel mensen vriendschap en waardering had ondervonden. De vriendschap met de Duartes was daar slechts één voorbeeld van. Daarnaast kon Huygens zich, zo blijkt uit de brief van 20 januari 1687, nog steeds vermaken met de theorbe – het resultaat was goed genoeg opdat ‘een droncken boer het gebreck niet en soude gewaer werden’. Kortom, muziek was steeds een bron van en gezel bij vreugde geweest.

Maar muziek kon ook troosten. Toen Gaspar Duarte in 1653 was overleden, rouwde Huygens. ‘[Un Orage] vient de tomber sur ce beau Mont Parnasse à Anvers’, ‘een onweer heeft de Antwerpse Parnassusberg getroffen’, noteerde hij. Het bleef echter niet bij woorden: Huygens zou ook muziek componeren ter nagedachtenis van zijn overleden vriend, en hij riep anderen op om hetzelfde te doen. De muziek was hier nog misschien vooral een publiek eerbetoon. Maar in latere jaren lijkt muziek ook de rol van persoonlijke troost en afleiding bij verdriet te zijn geweest. In de brief van 20 januari 1687 drukt Huygens de hoop uit dat Diego Duarte in de muziek afleiding zou kunnen vinden in ‘dese anders verdrietighe eensaemheijt’. Diego Duarte was op dat ogenblik de laatste Antwerpse Duarte die nog in leven was – zijn broer en zussen waren tussen 1674 en 1685 allemaal, ongehuwd en kinderloos, overleden.

De brief van 20 januari 1687 is een heel persoonlijke brief aan een oude vriend. Voor de laatste keer worden herinnering opgehaald, aan lang geleden, aan het muzikale kunnen van weleer en aan de vele composities die Huygens’ en de Duartes hebben geproduceerd. Huygens klaagt hoe jicht hem het spelen moeilijk maakt, maar hij wil de muziek nog niet opgeven. En hij hoopt dat Diego Duarte troost kan vinden in het musiceren. Wellicht is er geen brief in Huygens’ oeuvre die mooier uitdrukt hoe ‘muziek een vriend kan zijn bij vreugde, en een medicijn bij verdriet’, en dat is wellicht ook hoe Huygens en de Duartes elkaars brieven hebben ervaren.

Timothy De Paepe


[1] Zie Timothy De Paepe, ‘Huygens’ klavecimbel’, in: Ineke Huysman en Ad Leerintveld (eds.) Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest 2022) 170-175.

[2] S.D. Post, ‘Constantijn Huygens’ Muscae. Achttiende-eeuws handschrift werpt nieuw licht op Huygens’ nagelaten composities’, in De Zeventiende Eeuw 8 (1992), 275-281.


Huygens aan de kaviaar en de snuiftabak?

                     De Britse Donn’
                     Die duistre zon,
       Schijnt niet voor ieders oogen,
       Seit Huigens, ongeloogen,
5.                 Die taelgeleerde Hagenaer,
                    Die watertant naer Kavejaer,
       Naer snoftabak, en smooken,
       Die raewe hersens kooken;
                       Maer dit is ongemeene kost,
10                  ’t Is een banketje voor den Drost,
        En voor ons kameraetje,
        Het zoete Tesselschaedje.
            (…)[1]

De hierboven geciteerde regels vormen het begin van een gedicht van Joost van den Vondel dat hij schreef in reactie op een bundeltje vertalingen door Huygens van gedichten van de Engelse dichter John Donne (1672-1631).

John Donne (kopie naar Isaac Oliver1616), Wikimedia Commons.

Huygens vertaalde in augustus 1630 vier gedichten van Donne en in de maanden augustus, september en oktober 1633 nog eens vijftien.[2] Op 17 augustus 1630 stuurt hij een eerste zending van twee vertalingen aan zijn vriend P.C. Hooft (1591-1647) ‘slaende dese dichter ganschelick op U.E. manieren van invall ende uijtspraeck’ (omdat deze dichter helemaal past bij uw manieren van denken en uitdrukken). Een tweede zending van nog eens twee volgt op 24 augustus 1630. Drie dagen later reageert Hooft zeer complimenteus: ‘Het Engelsch ooft, van UEd in Hollantsch sujker gezult heeft mij grootelijx verplight’ (Het Engelse fruit door u in suiker gedrenkt heeft mij zeer dankbaar gemaakt).

De vijftien vertalingen uit 1633 stuurt Huygens op 4 maart 1634 in een afschrift aan Hooft. Hij wenst in zijn brief:

Magh dese vreemdeling soo veel voordeels van sijn Nederlandsch kleedsel genieten, dat hij, door Amsteldam treckende, met UE de Heeren Reael, Barlaeus, Baeck, Vondelen of anderen die’t beter lusten en gebeuren moghe, kenniss make, en voorts sijne reide op Alckmaer spoedighe (…).

(Mag deze vreemdeling zoveel voordeel genieten van zijn Nederlandse jas, dat hij door Amsterdam trekkend met U, de heren Real, Barlaeus, Baeck, Vondel[3] of anderen die er misschien meer van genieten en tijd voor hebben, kennis kan maken en daarna spoedig naar Alkmaar kan doorreizen.)

Huygens had deze veertien vertalingen gemaakt op aandringen van Maria Tesselschade Roemers Visscher (1594-1649) die na haar huwelijk in Alkmaar was gaan wonen. Voor haar was dit bundeltje uiteindelijk bedoeld, maar Huygens wilde ze toch ook aan zijn Amsterdamse collega’s laten lezen. In een brief van 30 mei 1634 laat Hooft Huygens weten dat hij zijn vrouw een brief voor Tesselschade had meegegeven om te informeren ‘hoe aldaer [in Alkmaar] smaeken moghte het Engelsch ooft bij U.Ed. gestr. gezult in Hollandschen honigh’. Maar zijn vrouw bracht de ‘ontijdighen’ brief (ongepast op dat moment) terug met het bericht dat zowel het oudste dochtertje van Tesselschade als haar man gestorven waren.[4] Een onmiddellijke reactie kon Tesselschade niet geven. Ze heeft later de vertalingen wel gelezen. Toen Huygens in 1637 zijn Sterre had verloren aan de dood schreef zij een troostdicht dat Huygens via Hooft zou bereiken. Ze citeert daarin een regel uit Huygens’ vertaling van Donne’s ‘The Triple Foole’ (‘de Drij-dobbele geck’): ‘Want kwelling op de maat en kan zo fel niet zijn’.[5]

Constantijn Huygens, ‘Drij dobbele Geck’, vertaling uit het Engels van John Donne, ‘The Triple Foole’,
handschrift Den Haag, KB | nationale bibliotheek van Nederland

Vondel

Hooft was enthousiast over Huygens’ vertalingen. Vondel moet zich eraan hebben geërgerd. Na lezing schreef hij een spottende vers, waarin hij varieert op de culinaire omschrijvingen van Hooft en Huygens uit de brieven die zij schreven ter begeleiding van het bundeltje vertalingen voor Tesselschade:

Op de diepzinnige puntdichten van den Engelschen poet John Donne
vertaelt door C. Huigens.

                 De Britse Donn’,
                 Die duistre zon,
       Schijnt niet voor ieders oogen,
       Seit Huigens, ongeloogen.
5               Die taelgeleerde Haegenaer,
                 Die watertant naer Kavejaer,
       Naer snoftobak, en smooken,
       Die raeuwe herssens kooken:
                 Maer dit is ongemeene kost,
10             ’t Is een banketje voor den Drost,
       En voor ons kameraetje,
       Het zoete Tesselschaedtje.
                 O lieve Nymfje Tesselschaê,
                 Verstaeje ’t niet, zoo slaet’er nae,
15    Of laet het u bedieden:
        Want dit zijn hooger lieden,
                 Dan ’t Hooge Liedt van Salomon,
                 Dat geen vernuft ooit vaeten kon,
       Dan hooghgeleerde Smouten,
20   Van langer handt gezouten.
                 Maer waerom of mijn oordeel laekt,
                 Het geen mijn saus, mijn Mostaert, smaekt,
       Die zich niet kan verzaden
       Met zulleke saladen.
25              Nu, mannen, eet u zelve moe;
                 Gebruikt’ er eek en peper toe:
       Want wy dees lekkernyen
       U geenzins en benyen.
[1634][6]
Joost van den Vondel, Govert Flinck, 1653, Rijksmuseum Amsterdam.

Vondel noemt de gedichten van John Donne diepzinnig en de dichter duister. En, zegt hij, de gedichten zijn volgens Huygens, die dat naar waarheid zegt, niet voor iedereen bestemd. Vondel noemt Huygens vervolgens een taalgeleerde die watertandt naar kaviaar, snuiftabak en geuren die onervaren hersenen prikkelen. Dit is namelijk geen alledaagse kost, het is banket voor Hooft en ‘ons kameraetje, het zoete Tesselschaedtje’. En, gaat de dichter verder, als je het niet begrijpt, Tesselschade, sla er dan maar een slag naar of laat het je uitleggen. De liederen van Donne, vindt Vondel, zijn namelijk hogere kunst dan het Hooglied van Salomon, dat niemand ooit heeft kunnen begrijpen, dan uitgezonderd hooggeleerden als dominee Smout [die ‘van langer handt gezouten’ (langzamerhand daarin doorkneed geraakt) op het Hooglied van Salomon enkele liederen had gedicht, die Tesselschade niet wenste te zingen]. En daarom keur ik deze poëzie af, en mijn saus, mijn mostert [mijn vriend Daniël Mostaert], smaakt dat [is het ermee eens]. Hij kan zich niet verzadigen met dergelijke salades. Aan het einde van zijn gedicht roept Vondel de mannen op die de poëzie van Donne wel kunnen verteren, zich er moe aan te eten en er peper en azijn aan toe te voegen. Want zegt hij ‘Wij misgunnen u deze lekkernijen niet.’

Huygens en kaviaar en snuiftabak?

En ook al misgunt Vondel de mannen (zijn collega’s Barlaeus, Hooft en Huygens) de poëzie van Donne in Huygens’ vertaling niet, zelf moet hij er niets van hebben. De kwalificaties die hij Huygens toedicht, als zou hij watertanden naar kaviaar, snuiftabak en de hersenen prikkelende geuren, moeten in dit verband niet letterlijk genomen worden. Het zijn metaforen die staan voor hunkeren naar exquise zaken, die kennelijk voor ‘gewone’ mensen niet zijn weggelegd.

De duistere luister die Huygens’ poetica kenmerkt, ligt Vondel niet.[7] In zijn Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste, een literair-theoretisch geschrift uit 1650, zegt hij: ‘Eenigen schrijven al willens duister, en willen zich zelfs niet verstaen, op dat men zich hierover verwondere, en hun dit tot wijsheid toeschrijve.’[8]

In werkelijkheid zou ik Huygens geen watertandende lekkerbek willen noemen. In de kleine bloemlezing Lust van tafelen. Constantijn Huygens over eten die ik in 2016 uit Huygens’ gedichten samenstelde, komt juist een matig man tevoorschijn.[9] In zijn gedicht Dagh-werck, geschreven in 1628 en voltooid in 1637 dicht hij:

                              ‘kHebb geen’tong te deel gekregen
                              Die sich van gemeenen seghen
                              Fier en weelderigh ontstell:
                              Suer en bitter scheidt sij wel,
                              Sout en honich kan sij keuren;
                              Maer geheimeniss van geuren
                              Die men maer de walgh en biedt
                              Is van haer bekreuning niet. (r. 761-768)

(Ik heb geen tong gekregen die trots en verwend, van gewone goede spijs terugschrikt. Zuur en bitter houdt ze goed uit elkaar, zout en honing kan ze nauwkeurig onderscheiden, maar om geheime geuren (gerechten met een geheime – zeldzame- geur) waarvan men slechts walgt, geeft ze niet.)[10]

Wanneer de oude Huygens in zijn gedicht Cluyswerck (1681) terugblik op het eind van zijn leven, meldt hij dat hij met ‘drij schotelen’ (…) ‘rijckelijck te vergenoegen’ is.[11]

Huygensmuseum Hofwijck belicht in de tentoonstelling ‘Aan tafel met Huygens’ de keukengeheimen van Huygens’ buitenplaats Hofwijck. Kaviaar of snuiftabak is er niet te vinden. Dat Vondel zich in zijn gedicht een tabak snuivende Huygens voorstelt, die ook naar kaviaar watertandt, duidt er overigens wel op dat het snuiven van tabak in 1634 echt werd gezien als iets uitzonderlijks, iets voor een selecte, elitaire groep.

Ad Leerintveld, 28 december 2023


[1] Joost van den Vondel, ‘Op de diepzinnige puntdichten van den Engelschen poet John Donne. Vertaelt door C. Huigens’. 1634. r. 1-12. De werken van Vondel, III,WB-editie (1929) 415-416.

[2] J.A. Worp, Gedichten van Constantijn Huygens, II, 1893, p. 214-219 – 255-272; N.F. Streekstra, Afbeeldingsrelaties. Een taal- en letterkundig essay over Huygens’ Donne-vertalingen (Groningen 1994) [Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen]; Ad Leerintveld, Nanne Streekstra & Richard Todd, ‘Seventeenth-century versions of Constantijn Huygens’s translations of John Donne in manuscript and in print: authority, coterie and piracy’, in Quaerendo 30/4 (2000), 288-310; Gary Stringer (ed.), The variorum Edition of the Poetry of John Donne . Vol. 2 The Elegies.  (Bloomington and Indianapolis 2000) 441-444; https://donnevariorum.dh.tamu.edu.

[3] Laurens Reaal (1583-1637), Caspar Barlaeus (1584-1648), Joost Baeck (1597-1681) en Joost van den Vondel (1587-1679) horen tot de kring van collega-dichters, c.q. bekenden van Huygens.

[4] Teetgen Crombalch werd geboren op 19 februari 1625. Ze stierf op 28 mei 1634 aan de pokken. Op dezelfde dag overleed haar vader, Tesselschades echtgenoot, Allart Jansz. Crombalch aan bloedbraken. Op 13 juni schreef Huygens het gedicht Op de dood van Tesselschades oudste dochter, ende van haer man strax daeraen doodt gebloedt’, Worp, Gedichten II, 291.

[5] Mieke Smits-Veldt, Maria Tesselschade. Leven met talent en vriendschap. (Zutphen 1994) 72-74.

[6] Zie noot 1.

[7] M.A. Schenkeveld-van der Dussen, Duistere luister. Aspecten van obscuritas. Utrecht 1988 ook opgenomen in: A.J. Gelderblom e.a. (eds.), In de boeken, met de geest. Vijftien studies van M.A. Schenkeveld-van der Dussen over vroegmoderne Nederlandse literatuur, uitgegeven bij haar afscheid als hoogleraar van de Universiteit Utrecht op 31 oktober 2002 (Amsterdam 2002) 153-173.

[8] J. van den Vondel, Aenleidinge ter Nederduitsche dichtkunste. Uitgegeven en toegelicht door een werkgroep van Utrechtse neerlandici. (Utrecht 1977) 46 regel  104-106.

[9] Ad Leerintveld (samenstelling), Lust van tafelen. Constantijn Huygens over eten (Den Haag 2016).

[10] F.L. Zwaan, Dagh-werck van Constantijn Huygens. (Assen 1973) 211-212.

[11] F.L. Zwaan, Constantijn Huygens’ Cluijswerck. (Jeruzalem 1977) 23, r. 232.

Haagse Huygens praatjes

Een reconstructie in woord en geluid.

Constantijn Huygens reisde in zijn lange leven zeven keer naar Engeland, waarvan vier keer als jongeman (zie ook: Sir Constantijn Huygens). Tijdens zijn verblijf daar werd hij door zijn familie uitgebreid op de hoogte gehouden van alles wat er zich op het vasteland – in het bijzonder in de Republiek en in Den Haag – afspeelde. Niet alleen kreeg hij bericht over politieke en andere gewichtige zaken, maar ook over het dagelijkse leven van zijn familie werd hij op de hoogte gehouden. Zo ook door zijn jongere zusje Geertruyd (1599-1680), van wie drie brieven aan haar broer in Londen bewaard zijn gebleven (zie ook: De briefwisseling van Constantijn Huygens: schrijvende zussen). Geertruyd zou in 1632 trouwen met Philips Doubleth senior, maar zover was het op het moment van schrijven nog niet. Een van haar brieven nemen we hier onder de loep. Niet alleen letterlijk, maar we reconstrueren ook hoe Geertruyds uitspraak geklonken moet hebben.

Geertruyd Huygens, 1629, door Michiel van Miereveld, Huygens’ Hofwijck, Voorburg.

De brief van Geertruyd is niet gedateerd, maar Constantijn noteerde op de achterkant dat hij hem op 7 september 1622 in Londen had ontvangen. Constantijns zus doet in de brief een opmerkelijk verslag van de logeerpartij van Suzanna van Baerle (1599-1637) bij de familie Huygens in Den Haag. Men had alles letterlijk uit de kast getrokken om indruk op Suzanna te maken, omdat men haar als een geschikte huwelijkspartner zag voor Maurits Huygens, Constantijns oudste broer [zie ook ‘Maurits Huygens, ‘de broer van’]. Het bleek tevergeefs, het mocht allemaal niet baten en Geertruyd gaat in haar brief dan ook flink tekeer over het ‘apie’, het ‘neuteltje’ (leeghoofd) en ‘de spoeke’ (het spook) zoals ze Suzanna bestempelt. Kosten noch moeite waren gespaard, maar het lukte de familie niet om Suzanna te imponeren. Was Constantijn er maar geweest, die had er wel raad mee geweten, zo schrijft Geertruyd haar broer. Ook Maurits voelde aan dat het niets zou worden met Suzanna en raadde zijn broer Constantijn aan het zelf maar eens te proberen. De brief van 24 augustus 1622 waarin hij dat schreef is gelijktijdig verstuurd met Geertruyds brief. Constantijn volgde, weliswaar pas vier jaar later, Maurits’ raad op en zou zelf (met veel moeite trouwens) Suzanna het hof gaan maken, om tenslotte op 6 april 1627 met zijn ‘Sterre’ te trouwen.

1
Constantijn Huygens en Suzanna van Baerle, ca. 1635, door Jacob van Campen, Mauritshuis Den Haag.

Behalve de toestand rondom de onwillige Suzanna schrijft Geertruyd ook over andere zaken die speelden in en rondom huize Huygens. Ze wekt de indruk dat het er maar saai was, veel vrienden en kennissen hadden Den Haag verlaten en vrijers waren er ook al niet. Verder was het er ook nog heel stil want broer Maurits weigerde mee te zingen! Misschien vond Suzanna hem daarom niet zo leuk? Geertruyds brief, die hieronder in hertaling volgt, is kostelijk. Hij biedt niet alleen een aardig inkijkje in de gedachtegang van een zusje dat haar oudere broer over allerlei ditjes en datjes op de hoogte brengt, ook qua taalgebruik is hij markant, je hoort haar bijna praten. Ze eindigt haar brief dat ze bang is dat ze hem wel erg lang lastig valt met haar geklets. Constantijn zal het vast niet erg gevonden hebben.

Hertaling:


Ik weet niet of je het nu wel of niet meent dat je brieven wilt hebben van ons. Ik weet ook niet wat je ermee wilt doen, aangezien de hele wereld je al schrijft, zoals [Lucretia van] Trello en [Dorothea van] Dorp en anderen, die je toch al op de hoogte houden van wat er hier gebeurt, zowel over de liefde als van andere dingen denk ik wel. Al hebben we tot nu toe weinig bereikt met het aapje [Suzanna van Baerle]. Wat is het geval? Ik ben zo kwaad op dat meisje, ik snap niet dat ze zo’n goeie jongen [Maurits Huygens] afwijst. Ik vrees dat ze van haar kant niet veel beter kan krijgen, ze bekijkt het maar, dat leeghoofd.

We geven trouwens de moed nog niet helemaal op; daarvoor hebben we al te veel kosten en moeite besteed. Wat is het geval? De jongen heeft zichzelf zowat geruïneerd! We spaarden kosten noch moeite. Je hebt van je leven zo’n vertoning nog niet gezien. We lieten alles zien wat er te bekijken was. We deden er niet moeilijk over om grove en grote fooien uit te delen. Als we uit rijden gingen, deden we alsof we nooit anders hadden gedaan. Als we naar Scheveningen reden voor een visje, dan namen we zoveel suikergoed mee alsof het niets was. We twijfelden daar niet eens over; het moest allemaal zo gaan. Ja, men zou er hele verhalen over kunnen schrijven, alleen al over de grote moeite en kosten die moeder [Susanna Hoefnagel] er voorover had. En dan had je het hier eens moeten zien voordat ze kwam, wat een werk en gedraaf hebben we eraan gehad voordat de kamer klaar was waar dat spook zou slapen. Gek zou je zijn geworden! We behingen het bed met nieuwe gordijnen en ook het zijden behangsel in de hele kamer werd niet overgeslagen, zoals je je wel kunt indenken. Het was er tenslotte zo mooi dat we iedereen die bij ons kwam lieten kijken, maar we zeiden er niet bij dat wij het speciaal voor haar hadden gedaan. Het was zogenaamd voor jou. [Dorothea van] Dorp zei: ‘Ik vind de kamer eruitzien alsof men rekent op de komst van een ambassadeur’.

Welbeschouwd, al schreef ik de hele nacht, dan nog zou ik te weinig tijd hebben om je alles te vertellen wat we voor haar hebben gedaan. En als het dan allemaal voor niets zou zijn geweest, dan was het voor ons zinloos, maar voor hem [Maurits] nog meer. Was jij maar hier, me dunkt, jij zou het wel hebben voor elkaar hebben gekregen. Het was maar gerommel [‘hoetel hoetel’] van ons allemaal, en toch willen we haar hebben. Het is echt een meisje dat bij ons past. Het zou jammer zijn als een ander haar voordelen zou ontdekken, maar toch weet ik niet hoe we het moeten aanpakken.

Dat was het verhaal over de vrijster. Wat de vrijers betreft: voor ons verschijnt er tot nu toe nog niemand. Wat er nog zal komen weet ik niet. Wat de jongens aangaat hebben we weinig aandacht, maar niet geklaagd, we zullen er niet om treuren. Wie weet wat er zich nog eens uit onverwachte hoek aandient.

Nu, van dit ga ik even naar iets anders, hopelijk maak ik het niet te lang voor je. [Dorothea van] Dorp is op Kenenburg [kasteel in Schipluiden] en ze is al vrij lang weg. Iedereen gaat maar weg uit Den Haag; ik weet niet wie er thuis is. De juffrouwen Van Tilburch [vermoedelijk dochters van Johan van Tilburch, solliciteur], moet je weten, daar zijn we heel bevriend mee. Wanneer ze hier zijn, komen ze ons trouwens plechtig bezoeken. Maar nu ze zijn vertrokken. Ze gaan in de buurt van Den Bosch wonen, op een neutrale plaats. Ik had het wel fijn gevonden als ze hier waren gebleven; het zijn lieve meisjes.

Verder, wat de muziek betreft, we zingen geen enkele noot. Ik heb nog nooit zo’n jongen gezien als onze Maurits; hoezeer ik hem ook smeek om toch eens te willen zingen, nee, hij wil niet. Zo’n saaiheid heeft men nog nooit van zijn leven meegemaakt: je hoort hier helemaal geen geluid; men zou bijna vergeten wat zingen is. Als hij zou willen, zouden we wel wat uit de kleine boekjes kunnen zingen; maar zo gaat het, als de jongen zo is, dan moet hij maar zo blijven. Maar ik heb in mijn leven nog nooit zoveel zin gehad om muziek te horen spelen of om te zingen als nu, en toch hoort men niets dat op gezang lijkt.

En hiermee zeg ik je gedag, ik krijg vreselijke slaap – het is al half twaalf geweest en iedereen is naar bed, en ik zou je ook te lang bezighouden met mijn geklets.


Geertruyd Huygens

P.S. De heer [Andries de] Huybert heeft me gevraagd je namens hem heel veel groeten te doen.

Hoe klonk Geertruyd?

Omdat de brief haast leest alsof je Geertruyd hoort praten, vroegen we ons af hoe dat geklonken moet hebben. Naar dit fenomeen, hoe mensen in het verleden spraken, wordt wetenschappelijk onderzoek gedaan. We vroegen dr. Peter-Alexander Kerkhof, historisch taalkundige bij de Fryske Akademy en een expert op het gebied van de historische fonologie van het Nederlands, of hij zou kunnen reconstrueren hoe Geertruyd moet hebben gesproken. Daar ging een gedegen onderzoek aan vooraf. Peter-Alexander:

Taalkundig is de schrijftaal van Geertruid uitgesproken Hollands met vormen zoals warelt voor werelt, benne voor zijn en houwen in plaats van huwen. Ik stel me zo voor dat Geertruid en Constantijn tijdens hun opvoeding de gangbare Haagse uitspraak-norm hebben meegekregen, met af en toe een karakteristieke zuidelijke uitspraak, die in het huishouden van Huygens van ouders’ kant mee was gekregen, zoals spoek voor spook.

Al eerder deed Peter-Alexander onderzoek naar de uitspraak van een bekende 17e-eeuwse Nederlander: Johan de Witt. In een uitgebreide podcast is te beluisteren hoe hij dat onderzoek verricht en waarom het belangrijk is dat dit soort reconstructies worden gedaan. Uiteraard is ook De Witt zelf te horen.

Maar nu aandacht voor Geertruyd Huygens met de stem van Peter-Alexander die de eerste twee alinea’s uit de brief voorleest.

Lees mee met de oorspronkelijke tekst:

Ick weet niet, of j’et meent of niet, dat je van onse brieve begeert. Ick weet niet, wat j’er me doen wilt, daer je van al de warelt soo beschreve woort, as van den Trello, den Dorp, en andre die ’t je toch al vercombeenen datter omgaet, soo van vryje as van andre dinge, denck ick wel, al hebe we wynich uutgerecht tot noch toe mettet apie. Wat, ick ben soo quaet op ’t mysie. Quet niet, hoe dat se sulken goen knecht versmaet. Ick vrees van heurentwege dat se niet veel beter doen sel, se mach er soo qualyck houwe as se wil, ’t neuteltje.

We geve trouens de moet noch niet heel verlore, daer hebe we seker te veel moeite en koste toe gehadt, wat de knecht hyt sen selve bekans geruwineert. We ontsagen ons toch geen kosete. Je saecht je leven sulken spul niet. We liete al sien watter te sien was, we ontsagen ons niet drinckgelt te geve grof in te groot. Re we uut speule, we dete anders niet dan off we ’t alom niet gehat hade. Ginge we rys te Scheveling om en visje, de konfiture woorde megenome, oft niet geweest hadt. Me sloech dar niet eens twyfel an, ’t most al soo weese. Ja, cronycke sou m’er af schryve, behalve al de groote moete en koste die ‘r moeder noch van hadt. En had je dan ’t spul eens gesien, eer se quame, wat en gedril en wat en gedraef, date we hade, eer de kamer gereet was, daer de spoeke op slape soue; geck had je woorde. Me hinckt ’t nieue behangsel an ’t ledekant, et syie behangsel rondom de kamer en woorden oock niet vergete, ken je wel denke. Ommers ’t was er soo moy, date we ’t al de luy liete kycke die ’r quame, maer we swege wel, dattet om heurluy wil gedaen was. ’t Hiet al voor jou. Den Dorp sy: ‘’t Schynt datter en ambassadeur sel kome, soo komt me hier de kamer kyke.

En tenslotte het hertaalde fragement:


Ineke Huysman

27 april 2023

Mijn zoete voedster

In Mijn leven verteld aan mijn kinderen in twee boeken (1678) schrijft Constantijn dat zijn moeder Susanna Hoefnagel (1561-1633) hem als enige van haar kinderen zelf aan de borst heeft gevoed. Sterker nog, hij beschrijft dit meer dan één keer. Aan het begin van zijn biografie stelt hij nog: ‘Op grond van dit laatste feit hebben sommige mensen gedacht dat mijn moeder voor mij een heel speciale genegenheid voelde, ofschoon zij als geen andere vrouw al haar kinderen gelijkelijk met haar liefde omringde.’[1] Maar aan het einde van zijn biografie lijkt hij hierover van mening veranderd. Wanneer Constantijn beschrijft dat zijn moeder op hoge leeftijd is overleden (waarbij hij overigens tot zijn grote verdriet zelf niet aanwezig was), vervolgt hij met: ‘O, met recht prijs ik mijzelf gelukkig, mijn zoete voedster, want hoe bevoorrecht was ik boven mijn broer en vier zussen, dat ik als zuigeling niet de melk van een ander heb gekregen!’[2] Hij erkent dat zij evenveel van al haar kinderen hield, maar ‘toch is het geen verbeelding dat u als een welhaast dubbele moeder een iets sterkere binding had met het kind dat u gedragen en zelf gevoed had. Voor zulke liefde hoeven ook geen duistere verklaringen gezocht te worden. De kracht ervan zit evenzeer in het bloed als in de voeding.’[3] Constantijn lijkt zichzelf hier de rol van moeders lievelingetje toe te bedelen.

Zeer geëerde ouders

Tijdens de reizen die Constantijn als jongeman aflegt, verschillende malen naar Engeland en eenmaal naar Venetië, blijft hij via brieven contact houden met zijn ouders. Hij opent deze telkens met ‘très honnorez parents’. Een enkele keer schrijft hij alleen aan zijn moeder (‘très honnorez mère’), zoals op 27 april 1622, wanneer hij klaagt dat hij geen antwoord krijgt op zijn brieven en dat hij een nieuwe mantel nodig heeft.[4] Van de brieven die zijn ouders terugschrijven, zijn er maar weinig bewaard gebleven. De openingszin van een van die brieven, geschreven door zijn moeder Susanna, doet echter vermoeden dat deze veelal door zijn vader werden geschreven: ‘Breur, Vader geeft mij desen brief om te sluyten, soo moet ick er noch wat bij setten’.[5] Constantijns vader Christiaan wilde misschien dat ze liet weten hoe het met haar gezondheid stond. Een week eerder schrijft Constantijn al aan zijn ouders dat hij opgelucht is dat ‘moeder weer beter is’.[6] Susanna laat hem dan ook weten: ‘het is met mij nu redelijck, Godt lof, maer noch niet ter degen; het hoesten en fluymen en wil niet ophouden, maer tsal eens eynden, believet Godt.’[7]

Journael

Fragment van Susanna’s brief aan Christiaan van 6 maart 1624. Bovenaan staat ‘Journael’.

Een paar weken na het overlijden van vader Christiaan op 7 februari 1624 moet Constantijn opnieuw naar Londen met een gezantschap van Van Aerssen.[8] Vanaf dat moment begint hij lange brieven uit te wisselen met zijn moeder. De brieven van Constantijn zijn, voor zover we weten, helaas niet bewaard gebleven, maar de brieven van Susanna wel. Ze zijn aan de lange kant en hebben een bijna dagboekachtige vorm. Bovenaan haar eerste brief schrijft zij dan ook ‘Journael’ (verslag van dag tot dag van iemands leven[9]).[10] Susanna schrijft gedurende ongeveer een week elke dag een stukje aan haar brief. Elk nieuw stukje begint zij met ‘adi’ (van het Latijnse ad diem), gevolgd door de datum van die dag. In totaal hebben we zo’n veertien brieven van haar uit deze periode.

Lees verder “Mijn zoete voedster”

Droevige berichten

Constantijn en zijn vrouw Susanna van Baerle (1599-1637) krijgen samen vijf kinderen, vier jongens en een meisje, die (op zoon Philips na) allen nog in leven zijn als hij zijn autobiografie Mijn leven verteld aan mijn kinderen in twee boeken (1678) schrijft. Hij draagt het werk dan ook op aan zijn (mannelijke) nakomelingen.[1] Constantijn komt zelf ook uit een groot gezin met zes kinderen, twee jongens en vier meisjes. Hij schrijft in Mijn leven echter weinig over hen. Alleen zijn broer Maurits (1595-1642) komt af en toe aan bod. Het wordt hieruit dan ook helemaal niet duidelijk dat het gezin tweemaal afscheid heeft moeten nemen van een zusje. Zo overleed in 1612 Constantijns zusje Elizabeth (1598-1612) en in 1618 stierf Catharina (1601-1618). Hier rept hij totaal niet over in Mijn leven.

Adriaen Hanneman, Portret van Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, Mauritshuis Den Haag.

Elizabeth

In Constantijns andere autobiografie, Mijn jeugd (1629-1631), die gedetailleerder ingaat op zijn jonge jaren en die hij op een stuk jongere leeftijd schrijft, komt Elizabeths overlijden wel aan bod. Mogelijk herinnert hij het zich nog beter omdat het niet zo lang geleden is, of vindt hij het belangrijk om het hier wel op te nemen omdat het alleen over zijn jeugd gaat. Constantijn schrijft: ‘De maand mei, waarin vanouds de Haagse jaarmarkt, de zogenaamde kermis, gevierd werd, werd voor ons gebrandmerkt door een uiterst rampzalige familiegebeurtenis.’[2] Elizabeth, dan veertien jaar oud, overlijdt aan ‘fatale buikkrampen’. Constantijn schrijft dat het binnen een paar uur gedaan was en dat de artsen niets hadden kunnen betekenen.[3] In Vileine hippocraten schrijft Barend Haseker dat de diagnose ‘stangulatio uteri’ luidde, maar dat het waarschijnlijk is dat het om een ‘steeldraai of torsie (draaiing) van het ovarium (eierstokken) of mesenterium (buikvlies)’ ging, of mogelijk ‘een destijds nog onbekende ziekte als een appendicitis (blindedarmontsteking) […] vergezeld van een buikvliesontsteking’.[4]

Constantijn schrijft in Mijn jeugd over Elizabeth: ‘in zekere zin was zij meer dan de andere het lievelingskind geweest van haar ouders’.[5] Deze waren dan ook niet te troosten toen bleek dat zij overleden was. Constantijn vindt zelf dat zij daarbij ‘de Algoede en Allerhoogste God eigenlijk onrecht’ aandeden, omdat deze Elizabeths ziel slechts weer tot zich had genomen. Hij heeft echter ook begrip voor hun verdriet. Zo vraagt hij God om de last, mocht deze ooit ook hem ten deel vallen, draaglijk te maken en hem te leren de slagen te verduren die zijn ‘vaderhart’ nog zullen treffen.[6] Over Catharina’s overlijden, zes jaar later, schrijft Constantijn niet in Mijn jeugd. Hij beëindigt het werk voor hij bij 1618 is aangekomen. Er zijn echter wel verschillende brieven bewaard gebleven uit deze periode, die een veel persoonlijkere kant van Constantijn weergeven.

Catharina

In 1618 bevindt Constantijn zich gedurende enkele maanden in Engeland, waar hij via een brief te horen moet krijgen dat zijn zusje Catharina (1601-1618) is overleden op 17-jarige leeftijd. Over haar doodsoorzaak is niets bekend.[7] Het is echter wel duidelijk dat zij al geruime tijd ziek was. In zijn eerste brief aan zijn ouders vanuit Engeland, van 16 juni, schrijft Constantijn al dat hij graag hoort hoe het met zijn arme zusje gaat en dat hij haar met veel verdriet heeft achtergelaten: ‘Je désire grandement d’entendre comment il va de ma povre soeur Catherine que j’ay quitté avec beaucoup de regret.’ Op 22 juni schrijft Constantijn dat hij ondertussen een brief van zijn ouders heeft ontvangen die al op 11 juni is verstuurd. Hieruit blijkt dat er nog geen verbetering in Catharina’s gezondheid te melden viel: ‘Pour Catelyntgen, j’en suis tousjours en peine et ne sçay ce que la longueur du temps pourroit apporter. Je désire que ce soyent tousjours les premières nouvelles quand on me fera ce bien de m’escrire. Constantijn vraagt om op de hoogte gehouden te worden, maar Catharina is in de tussentijd al overleden, op 18 juni.[8]

Een vreemde reactie

Constantijn bevindt zich ver van zijn familie en vrienden in een vreemd land als hij uiteindelijk op 25 juni het bericht krijgt dat zijn zusje niet meer in leven is. Uit zijn brief van 26 juni is op te maken dat hij niet halsoverkop terugkomt naar de Republiek, maar zijn verdriet alleen zal moeten verwerken. Constantijn zou immers nooit op tijd terug kunnen zijn voor de begrafenis. Wanneer afgegaan wordt op de transcriptie van zijn brief, die is opgenomen in de vroeg twintigste-eeuwse editie van de brieven van Constantijn Huygens, bewerkt door J.A. Worp, lijkt het bovendien alsof Constantijn er niet teveel woorden aan vuil wil maken. De editie vermeldt slechts een kort briefje van Constantijn, waarin hij schrijft dat hij zich goed probeert te houden voor zijn omgeving en dat hij niet in Engeland in de rouw wil gaan. Dit lijkt een ietwat koele reactie, zeker gezien de bezorgdheid die blijkt uit zijn eerdere brieven aan het thuisfront. Wanneer de scan van de originele brief (te vinden in de Koninklijke Bibliotheek) erbij wordt gepakt, blijkt de situatie toch iets anders te liggen.

Nooit aan tafel een brief openen

In Constantijns originele brief is te lezen dat hij de brief van zijn ouders rond 8 uur ’s avonds tijdens het diner heeft ontvangen, en dat hij hiervan heeft geleerd nooit meer brieven te openen aan tafel: ‘Pour m’enseigner, je croy, de n’ouvrir jamais plus des lettres à table.’ Ook schrijft hij dat het nieuws hem ontzettend zwaar valt, zeker nu hij in een ‘vreemd land’ en zo ver van zijn ‘trouwe vrienden’ is, maar dat hij zichzelf probeert voor te houden dat het Gods wil is: ‘j’ay dit à par moi sa volonté soit faicte o Eternel’. Ook laat Constantijn weten dat hij wat tijd voor zichzelf heeft moeten nemen omdat hij weer hevige aanvallen van melancholie heeft gekregen: ‘Cependant Dieu sçait la résolution que j’ay prise de bon heure de faire teste aux plus violents assauts de la mélancholie à laquelle naturellement je me trouve fort enclin, quelque mine extérieure que je face devant le monde.’ Uit zijn oorspronkelijke brief blijkt dus duidelijk dat Constantijn helemaal niet koeltjes reageert op het droeve nieuws, maar dat het overlijden van Catharina hem zeer heeft geraakt.

Fragment brief Constantijn Huygens aan zijn ouders, 1 juli 1618, Koninklijke Bibliotheek, KA 49-1, 41.

Bijzonder ongepast

Toch zit de ietwat selectieve transcriptie in J.A. Worp’s editie er niet helemaal naast. Constantijn probeert zich inderdaad goed te houden tegenover zijn omgeving en wil wachten met het in de rouw gaan: ‘jusqu’à tant que je revienne au Pays Bas […] ou au moins jusqu’à sur la fin de mon partiment’. In de originele brief legt hij echter wel uit waarom hij hiervoor kiest. Hij schrijft dat hij het bijzonder ongepast (‘entièrement hors de propos’) zou vinden om in rouwkleding te paard door Engeland zou reizen. Bovendien, merkt hij op, zou hij zo de hele wereld laten weten dat hij vijftig mijlen (een mijl is een ‘klein uur gaans, rond de vier kilometer) verderop een dode zuster heeft: ‘Aussi bien qu’est-il besoin que tout le monde sçache par deça que j’ay une sœur morte à cinquante lieues d’ici.’ Uit een brief van een kleine week later, 1 juli, blijkt dat zijn nieuwe vrienden in Engeland het daarmee eens zijn: ‘Pour des habits de dueil, chascun me conseille de ne m’en donner peine tant que je seray ici, mais bien qu’au partir je me pourvoye de quelque honeste accoustrement, à quoy les estofes se trouvent icy fort propres.’ Wanneer hij vertrekt, zal Constantijn alsnog zijn rouwkleding aantrekken.

Roosje Peeters, 4 maart 2022

In de bundel Constantijn Huygens. Een leven in brieven wordt veel aandacht besteed aan Constantijns verblijf in Engeland en ook aan zijn hechte familierelaties.


[1] Constantijn Huygens, Mijn leven verteld aan mijn kinderen, F.R.E. Blom ed., 2 delen (Amsterdam 2003) 63.

[2] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103.

[3] Ibidem.

[4] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 23.

[5] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103.

[6] Constantijn Huygens, Mijn jeugd, Chr. Heesakkers ed. (Amsterdam 1987) 103-104.

 [7] B. Haeseker, Constantijn Huygens ‘Vileine hippocraten’ (Rotterdam 2010) 23.

[8] J.A. Worp, De briefwisseling van Constantijn Huygens, Eerste deel, Rijks Geschiedkundige Publicatieën 15 (Den Haag 1911) 24.

Maurits Huygens, ‘de broer van’

Maurits Huygens (1595-1642) is de net iets oudere broer van Constantijn, ze schelen niet veel meer dan anderhalf jaar. Ze zijn niet alleen broers, maar ook vrienden voor het leven. Die innige band dateert uit hun jeugd waarin ze veel op elkaar aangewezen zijn. De broertjes Huygens gaan niet naar school, maar hun vader Christiaan (1551-1624) stelt gouverneurs aan om ze thuis te onderwijzen. Ze krijgen een brede opvoeding waarbij ze niet alleen lessen volgen in rekenen, Frans, Latijn en Grieks, maar ook praktische lessen als paardrijden, schermen, tekenen en boetseren, en natuurlijk muziek- en dansles. Maurits en Constantijn gaan beiden rechten studeren in Leiden, maar daarna scheiden hun wegen: Constantijn gaat in eerste instantie de diplomatie in en Maurits zal in 1624 zijn vader Christiaan opvolgen als secretaris bij de Raad van State.

Huwelijkspartners

In mei 1633 zal Maurits met Petronella Campe (?-1669) trouwen, met wie hij vijf kinderen krijgt. Hoe anders had het allemaal kunnen lopen als moeder Susanna Hoefnagel (1561-1633) in 1622 haar zin had gekregen. Zij probeert in dat jaar haar achternichtje Suzanna van Baerle (1599-1637) aan haar zoon Maurits te koppelen. Terwijl Constantijn op gezantschapsreis in Engeland verblijft, houden zijn zussen Geertruid (1599-1680) en Constantia (1602-1667) hem daar op de hoogte van Maurits’ vorderingen bij het ‘Apie’, zoals ze Suzanna in hun brieven noemen. Suzanna wijst Maurits echter af omdat ze aan een huwelijk nog niet toe is. Hierop dicht Constantijn plagerig een tekst op de melodie van een bestaand lied, Susanne un jour: als zij zo doorgaat, zal ze net als de Bijbelse Suzanna alleen nog maar oude mannen kunnen krijgen. Het duurt overigens nog tot 6 april 1627 tot het Constantijn zelf lukt om Suzanna van Baerle, zijn ‘Sterre’, te trouwen.

Correspondentie

Brief van Maurits Huygens aan Constantijn Huygens, 20 mei 1622, BHIC, collectie Cuypers 2241, 76; http://resources.huygens.knaw.nl/briefwisselingconstantijnhuygens/brief/nr/151

Van de correspondentie tussen Maurits en Constantijn zijn maar 29 brieven bewaard gebleven: negen brieven van Constantijn aan Maurits, en twintig brieven van Maurits aan Constantijn. Ze dateren allemaal uit de periode 1617-1625, wat erop wijst dat er veel van hun correspondentie verloren is gegaan, hoewel ze elkaar ook vaak gesproken zullen hebben, en er dus geen noodzaak tot schrijven was. 13 brieven van Maurits worden bewaard in het Brabants Historisch Informatiecentrum in de Collectie-Cuypers (inv. nr. 2241). J.A. Worp, editeur van de oude Huygens-brieven editie, geeft in zijn annotatie aan dat deze brieven vermoedelijk verloren zijn gegaan. Hij heeft wel zeven transcripties kunnen overnemen uit De Militaire Spectator, 2e serie IV, 1852. Van het bestaan van de overige zes brieven was Worp zich niet bewust, en deze zijn nu als nieuwe brieven aan de database toegevoegd. Die brieven van Maurits aan Constantijn zijn heel onderhoudend: hij houdt Constantijn, die dan in Engeland verblijft, niet alleen op de hoogte over de actuele politieke en militaire gebeurtenissen zoals het beleg van Bergen op Zoom, maar hij vertelt ook over allerlei alledaagse zaken, zoals de logeerpartij van Suzanna van Baerle en haar zusjes bij de familie Huygens in Den Haag. De dertien ‘Brabantse’ brieven van Maurits aan Constantijn zijn in de brievendatabase gekoppeld aan een transcriptie die M. de Haas in 1929 publiceerde in de BMHG (50) 1929.

Van Constantijn aan Maurits zijn slechts acht brieven (in conceptvorm) bewaard gebleven. Er moeten er beslist meer zijn geweest, wat ook valt af te leiden uit de brieven van Maurits zelf. Zo feliciteert hij zijn broer Constantijn met de ridderorde die deze laatste op 27 oktober 1622 uit handen van de Schots-Engelse koning Jacobus I ontving op voorspraak van François van Aerssen.

Wapen en motto van Constantijn Huygens van zijn Engelse ridderorde in het album amicorum van Cornelis de Glarges, KB | nationale bibliotheek, 75J 48, 80.
Lees verder “Maurits Huygens, ‘de broer van’”