Op zondag 30 maart 2025 vindt op Kasteel Maurick in Vught een nieuwe aflevering van de succesvolle reeks ‘De Koerier’ plaats. In deze editie staat Constantijn Huygens en zijn muziek centraal. De Koerier is een meeslepende muziektheatervoorstelling over het Beleg van ‘s-Hertogenbosch in 1629, gezien door de ogen van een koerier. Deze fictieve figuur, gespeeld door Victor Lange, verbindt de historische gebeurtenissen met de locatie: Kasteel Maurick. Dit brengt het publiek dicht bij deze ingrijpende periode uit de vaderlandse geschiedenis.
Victor Lange als De Koerier. Foto: @Vincent Nabbe.
De kamer van Constantijn Huygens Deze episode speelt zich af in de kamer van Constantijn Huygens, secretaris van Frederik Hendrik, maar ook dichter en componist. We ontdekken zijn muziek en horen verhalen over zijn reis naar Venetië en zijn beklimming van de kathedraal van Straatsburg. Vanuit zijn kamer kijken we uit over de Dommel en staan stil bij Frederik Hendriks gewaagde oorlogsstrategie: het omleiden van rivieren om ‘s-Hertogenbosch te veroveren.
Live muziek van Huygens, Sweelinck en Monteverdi Onderdeel van de kracht van De Koerier is de live muziek, uitgevoerd door gerenommeerde barokensembles. Eerdere episodes brachten Holland Baroque, Castello Consort en Tra Noi. In deze aflevering verwelkomen we clavecinist Krijn Koetsveld en sopraan Jennifer van der Hart. Zij spelen muziek van Huygens, Sweelinck en Monteverdi. Elke episode van De Koerier heeft een afgerond verhaal waarmee je een goede indruk krijgt van de betekenis van het beleg toen en nu. En je kunt bij elke episode instappen.
Beleef het mee op zondag 30 maart in Kasteel Maurick (11.00 en 15.00 uur). Bestel je kaarten via www.dichtbijmaurick.nl
Zondagmorgen 19 januari 2025 brengt barokensemble La Sfera Armoniosa, samen met Ineke Huysman, o.l.v. Mike Fentross een inspirerende voorstelling in Schouwburg Het Park in Hoorn. Muziek, beeld en geur laten de veelzijdigheid van Constantijn Huygens tot leven komen. Bijzondere aandacht is er voor zijn ‘Hoornse’ connecties. Tickets: https://www.hetpark.nl/programma/la-sfera-armoniosa-en-ineke-huysman
Met rode lijnen heb ik een haag van hulst aangegeven die ik rondom de perken van de kruidentuin heb geplant, en welke goed zijn gegroeid. Langs de smalle binnenpaden staat buxus. Het midden van de grote paden, die 29 voet breed zijn, zou ik gaarne (als Zijne Hoogheid dat wil) afwisselend met mastbomen en hulst beplanten. Deze altijd groene bomen zouden niet alleen het hele jaar een sieraad zijn, maar ook een beschutting tegen zon en wind; er blijft dan aan weerskanten nog genoeg plaats om met een koets te rijden.1
Dit citaat is afkomstig van Johan Brosterhuisen (ca. 1596-1650), een Noord-Nederlandse dichter, kunstenaar, botanicus en muziekkenner. In 1646 werd hij, mede door toedoen van Constantijn Huygens, benoemd tot hoogleraar in de Griekse taal aan de Illustere School te Breda en directeur van de daar opgezette hortus botanicus. Voor Brosterhuisen, die lange tijd zonder inkomsten had gezeten, leek dit het begin van een succesvolle nieuwe fase, maar al snel bleek het tegendeel waar.
Johan Brosterhuisen werd op 14-jarige leeftijd ingeschreven aan de Universiteit van Leiden, waar hij botanie studeerde. De vriendschap tussen hem en Constantijn Huygens ontstond waarschijnlijk tijdens hun studietijd in Leiden. Beide veelzijdige leeftijdsgenoten waren actief in intellectuele en artistieke kringen en deelden een passie voor poëzie en muziek. Naast zijn muzikale en wetenschappelijke activiteiten was Brosterhuisen ook actief als tekenaar en etser. Een belangrijk aspect van zijn relatie met Huygens is hun correspondentie, waarin ze hun interesses, experimenten en persoonlijke zaken bespreken. Van hun brieven zijn er 58 bewaard gebleven, vooral van Brosterhuisen aan Huygens, die een waardevolle bron vormen voor het begrip van hun vriendschap en intellectuele samenwerking.
Muziek
Brosterhuisen was een bekwaam klavecimbelspeler met een fraaie zangstem en vormde in zijn Leidse jaren een muzikaal duo met Jacob van der Burgh (1600-1659), jurist en dichter. Beiden ondertekenden het verzoek dat in 1619 aan de Leidse Universiteit werd aangeboden om Caspar Percovius uit Sachsen als muziekmeester aan te stellen.2 Samen met Huygens verdiepten ze zich in Italiaanse muziek en bewonderden ze componisten als Pomponio Nenna en Carlo Gesualdo, prins van Venosa. Brosterhuisen en zijn vrienden vormden een muziekcollege in Leiden, en tijdens zijn tijd in Breda richtte hij opnieuw een dergelijk college op.
Dubbelportret van Johan Brosterhuisen (links) en Jacob van der Burg (rechts) door David Bailly, 1624, Teylers Museum Haarlem.
Net als Huygens was Brosterhuisen een graag geziene gast op het Muiderslot. Hij nam daar deel aan muzikale bijeenkomsten met prominente figuren zoals Anna en Tesselschade Roemers Visscher, Francisca Duarte, Caspar Barlaeus en Pieter Cornelisz. Hooft. Brosterhuisen beschreef Huygens hoe drost Hooft op een samenzijn in augustus 1633 ‘de kunst had gedagvaard om de duivel een been af te zingen en te rijmen, terwijl Tesselschade en Francisca er al vrolijk zaten te kwinkeleren’. Na afloop schreef Hooft aan Tesselschade dat ‘Brosjen en Burgjen’ [Brosterhuisen en Van den Burgh] meteen waren vertrokken na haar vertrek, en dat de liederen van Fransje [Francisca Duarte] een diepe indruk hadden achtergelaten, alsof hij het zoete geluid nog met zich meedroeg. Hij merkte daarbij ook op dat Tesselschade haar schoenen had laten staan.
In 1639 solliciteerde Brosterhuisen, vermoedelijk op aanraden van Huygens, naar een positie als organist in Den Haag. Hoewel hij goed kon improviseren, was hij technisch niet sterk genoeg om de concurrentie met ervaren beroepsmusici aan te gaan. Hij weigerde een proefspel en werd niet benoemd. De keuze voor zo’n bescheiden functie, met een salaris van hooguit 400 gulden per jaar, wijst op financiële problemen.3
Poëzie
Johan Brosterhuisen en Constantijn Huygens deelden ook hun liefde voor poëzie, wat duidelijk naar voren komt in hun correspondentie en ook in hun samenwerking rond Huygens’ bundelOtiorum libri sex, kortweg deOtiauit 1625. Deze bundel, met de betekenis ‘ledige uren’, weerspiegelt Huygens’ veelzijdigheid en zijn toewijding aan de poëzie, ondanks zijn drukke werkzaamheden als diplomaat. De Otia bevat gedichten in verschillende talen, waaronder Nederlands, Latijn en Frans, en behandelt diverse thema’s zoals religie en satire, wat Huygens’ reputatie als een van de grootste dichters van zijn tijd bevestigt.
Titelgravure uit Otiorum libri sex (1625). Koninklijke Bibliotheek, 759 C 17.
In de Otia reageert Huygens met het gedicht ‘Aen J. van Brosterhuijsen op sijn verlang naer ’t uytkomen mijner dichten‘ op een brief van Brosterhuisen van 28 januari 1625 waarin deze lof uitspreekt over Huygens’ dichtkunst en zijn verlangen uit naar de publicatie van diens werk. Brosterhuisen gebruikt kleurrijke beeldspraak, zoals de ‘Hippocrene-bron’ en ‘de grote Atlas’ om zijn bewondering en hunkering naar Huygens’ poëzie te verwoorden. Huygens’ gedicht speelt speels in op deze bewondering, met humoristische verwijzingen naar de haast die nodig zou zijn om de gedichten te drukken en bezorgen.4 In het voorwerk van de Otia nam Huygens veel lofdichten op van prominente tijdgenoten zoals Hooft, Vondel, Westerbaen en Barlaeus. Ook Brosterhuisen droeg bij met zijn lofdicht ‘Gaet nae den Haech mijn rouw gedicht’. Huygens en Brosterhuisen zouden ook later nog gedichten naar elkaar sturen. Toen Huygens hem zijn vertalingen van de gedichten van John Donne opstuurde, waar Brosterhuisen meermaals om gevraagd had, stuurde hij hem als dank zijn gedicht ‘Lepelblad’, waarin hij de geneeskrachtige eigenschappen van het lepelblad prijst, een plant die bekend staat om zijn hoge gehalte aan vitamine C en vroeger werd gebruikt ter bestrijding van scheurbuik bij zeelieden.
Brosterhuisen en Huygens deelden ook een fascinatie voor wetenschap, in het bijzonder voor botanie en scheikunde. Vanaf 1625 wisselden ze ideeën uit over experimenten zoals het distilleren van oliën en chemische processen. Brosterhuisen adviseerde Huygens een simplicia-verzameling te beginnen: onbewerkte natuurlijke materialen zoals planten, dierlijke stoffen en mineralen, destijds de basis voor medicijnen en chemische bereidingen. Hij verwees naar apotheker/arts Jean de Renou’s Dispensatorium medicum (1608) als leidraad voor het ordenen van simplicia.5Brosterhuisen stelde een systeem van zes kisten voor: zaden, wortels, extracten, dierlijke materialen, fossielen en oliën, met duidelijke naametiketten en afgesloten potten voor zouten.
Simpliciakast van het Collegium Medico-Pharmaceuticum te Delft, 1730.
In zijn brieven aan Huygens sprak Brosterhuisen ook geregeld over zijn fascinatie voor chemische experimenten en de bijbehorende apparatuur. Hij vroeg Huygens om een tekening en beschrijving van diens draagbare oven, zodat hij deze kon nabouwen of verbeteren. Zelf beschikte Brosterhuisen ook over een oven waarmee hij succesvol oliën destilleerde. Hij vermeldde zelfs dat hij er vlees in had gekookt, maar dat deze niet geschikt was om taarten te bakken, iets wat Huygens zich had afgevraagd. Daarnaast stuurde hij Huygens een lampoven en adviseerde een ronde vorm met drie lichten om voldoende warmte te genereren. Voor distillaties gebruikte Brosterhuisen een eenvoudige methode: hij plaatste een glazen bol boven een vuurtje in een aardewerken potje, wat volgens hem efficiënter en schoner werkte.
Het is pas recent bekend geworden hoe intensief Constantijn Huygens zich bezighield met parfumerierecepten. Deze ontwikkelde hij door chemische experimenten te combineren met uitgebreide botanische kennis. Hierbij maakte hij ongetwijfeld gebruik van de expertise van Brosterhuisen.
Wederzijdse hulp
Brosterhuisen voorzag Huygens van boeken over scheikunde en botanie, waaronder de Exoticorum libri decem: quibus animalium, plantarum van Carolus Clusius. In 1627 hielp hij Huygens bij het inrichten van diens tuin aan de Lange Houtstraat in Den Haag, waar Huygens net met zijn kersverse bruid Suzanna van Baerle was gaan wonen. Brosterhuisen stuurde hem een lijst met altijd groene planten, die de tuin zelfs in de winter een aangenaam aanzien zouden geven. Hij voorspelde een overvloed aan bloemen tijdens zachte winters. Die plantenlijst is verloren gegaan, maar Huygens sprak zijn dankbaarheid uit in een Latijns gedicht: Ad J. Brosterhusium, cum hortum floridum perennem praescripsisset (‘Aan J. Brosterhuisen, toen hij een altijd bloeiende tuin had voorgeschreven’).
Poort van de Hortus Medicus te Amsterdam, Jan Goeree, 1680-1731, Rijksmuseum.
Huygens speelde een belangrijke rol in Brosterhuisens poging om aangesteld te worden als hortulanus bij de geplande Hortus Botanicus in Amsterdam. Brosterhuisen diende op 20 februari 1631, met steun van Huygens, een plan in bij de curatoren van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Dit plan was al beoordeeld door hun gemeenschappelijke vriend Jacob van der Burgh, die zijn bevindingen doorspeelde aan de curatoren. Hoewel het voorstel zorgvuldig werd overwogen, meldde Van der Burgh Huygens vier dagen later dat de kansen op een positief resultaat klein waren. Huygens zette zich vervolgens in om invloedrijke stadsbestuurders zoals Laurens Reael, Pieter Hasselaer en P.C. Hooft voor Brosterhuisen te winnen. Ondanks die inspanningen verliepen de beraadslagingen traag, mede doordat ook Augerius Clutius – iemand met veel connecties – naar voren werd geschoven als kandidaat. De zaak bleef onbeslist, en op 14 maart 1633 moedigde Huygens Hooft nogmaals aan om Brosterhuisen te blijven steunen. Uiteindelijk kreeg geen van beiden de positie. Pas in 1646 werd de hortus botanicus in Amsterdam gerealiseerd, met Johannes Snippendal als eerste directeur.6 In dezelfde periode toonde Brosterhuisen ook serieuze interesse in een positie bij een mogelijke hortus van Utrecht, maar omdat de daadwerkelijke oprichting en invulling van functies daar enige tijd op zich lieten wachten, kwam hij niet voor een aanstelling in aanmerking.
Jacob van Campen
‘Wat doet Brosterhuisen op de Veluwse zandvlakten? Niets’, schreef Caspar Barlaeus aan Constantijn Huygens. Brosterhuisen verbleef op dat moment op Randenbroek, het landgoed van Jacob van Campen (1596–1657) bij Amersfoort. Van Campen, bekend als architect en schilder, was al bevriend met Brosterhuisen voordat deze Huygens leerde kennen. Brosterhuisen introduceerde Van Campen bij Huygens, waarbij hij een schilderij van Van Campen aanprees en Huygens vroeg te bemiddelen voor jachtrechten voor Van Campen in Gelderland en Utrecht. In 1633 schreef Brosterhuisen dat Van Campen een licht portret van Huygens wilde schilderen, als tegenhanger van het donkere portret van Jan Lievens. Hij regelde dat dit portret via Amsterdam naar Van Campen werd gestuurd om als voorbeeld te dienen. Een jaar later zond Brosterhuisen het schilderij van Van Campen naar Huygens, met excuses van Van Campen voor de vertraging. Het betreffende werk is verloren gegaan, tenzij dit het duoportret betreft dat Van Campen rond 1635 maakte van Huygens en zijn vrouw Susanna van Baerle.
Susanna van Baerle en Constantijn Huygens, Jacob van Campen, ca. 1635, Mauritshuis.
Tijdens zijn verblijf in Amersfoort kampte Brosterhuisen met grote financiële zorgen. Zijn vaderlijk erfdeel was uitgeput, en hij had moeite om in zijn levensonderhoud te voorzien. Van Campen probeerde hem hierin te ondersteunen door hem opdrachten te geven, voornamelijk op het gebied van vertaalwerk. Een van deze opdrachten was de vertaling van Henry Wotton’s The Elements of Architecture (1624).7 Huygens maakte op 1 september 1639 in Rhijnberck een synopsius uit dit boek.
Synopsis door Constantijn Huygens van Henry Wotton’s The Elements of Architecture (1624), 1 september 1639, KB, KA 48, fol.753v-754r.
Daarnaast kreeg Brosterhuisen de opdracht Vitruvius’ werk over architectuur te vertalen. Met goedkeuring van Huygens zouden enkele delen uit het boek van Andrea Palladio aan deze vertaling worden toegevoegd, met de bedoeling om het gezamenlijk in druk uit te brengen. Van Campen wilde hier een eigen studie over de oorsprong van de bouwkunst aan toevoegen, maar door ziekte werd dit vertraagd. Om onbekende redenen is geen van deze vertalingen uiteindelijk gepubliceerd. Toch boden deze opdrachten Brosterhuisen tijdelijk een broodnodige inkomstenbron waarmee hij in zijn levensonderhoud kon voorzien.
De man in de maan
Hoewel Huygens steeds meer aanzien verwierf en Brosterhuisen worstelde om een stabiele positie te vinden, bleef hun vriendschap standhouden. In 1639 was hij korte tijd werkzaam als secretaris van Jacob van Wassenaar Obdam, die op dat moment gouverneur van Heusden was, vermoedelijk dankzij bemiddeling van Huygens. Hij had het goed, want hij verdreef er zijn tijd door in zijn ‘warme sevenhoeckighe onghelijcksijdighe cabinetje op een fraey clavicymbel te mijmeren’, zo schreef hij Huygens. Tijdens zijn verblijf op het kasteel van Heusden werkte Brosterhuisen aan een vertaling van The Man in the Moone (1638) van Francis Godwin, een vroege sciencefictionroman waarin Domingo Gonsales met behulp van vogels naar de maan reist en daar een utopische samenleving ontdekt. In een brief aan Huygens van 22 november 1639 stuurde hij het manuscript en gaf toe dat zijn vertaling, door het ontbreken van een woordenboek en de invloed van het Engels, niet perfect was. Hij vergeleek de hoofdpersoon humoristisch met de vertaling zelf: bij terugkeer op aarde zou Gonsales een Hollands kostuum nodig hebben, net zoals de vertaling aanpassing vergde.
Hoewel Brosterhuisen in 1639 aan de vertaling werkte, wordt betwijfeld of hij verantwoordelijk was voor de eerste Nederlandse uitgave van De man in de maen. Deze bevat fouten en een voorrede met blunders die niet passen bij Brosterhuisens geleerdheid. Mogelijk verkocht hij zijn manuscript tijdens zijn moeilijke jaren in Amersfoort, waarna het door een ander werd bewerkt en gepubliceerd. Interessant is dat Constantijn Huygens junior een exemplaar van deze uitgave bezat, vermoedelijk afkomstig uit de bibliotheek van zijn vader, wat wijst op een mogelijke link tussen Brosterhuisens werk en deze publicatie.8
Kunst
In Amersfoort legde hij zich behalve vertalingen ook toe op de totstandkoming van illustraties in het boek Rerum per octennium in Brasilia gestarum historiavan Caspar Barlaeus. Dit werk, dat in 1647 door Joannes Blaeu in Amsterdam werd uitgegeven, documenteerde de verwezenlijkingen van Johan Maurits van Nassau-Siegen in Brazilië. Brosterhuisen leverde een aantal prenten voor het boek, die hij etste op basis van tekeningen van Frans Post, gemaakt tijdens diens verblijf in het door Johan Maurits bestuurde gebied.9
Ook uit zijn brieven aan Huygens blijkt dat Brosterhuisen actief bezig was met tekenen, schilderen en etsen, met een focus op landschappen. Brosterhuisen stuurde Huygens een landschapje en had plannen om hem meer en betere werken te leveren zodra zijn gemoed het toeliet. Zo maakte hij de Iani Brosterhusi Praedia, een reeks etsen van landschapjes. Deze etsen zijn niet ondertekend, met uitzondering van de eerste, die de genoemde titel draagt. Het lijkt erop dat hij er weinig belang aan hechtte om als maker herkend te worden, wat volledig in lijn was met zijn karakter.10 Zijn schilderijen zijn niet meer bekend, maar ze komen wel voor in de nalatenschap van Willem Nicolaesz. van Campen, een broer van Jacob.
Brosterhuisen kampte met depressies en een zwakke gezondheid, terwijl zijn werk hem nauwelijks iets opleverde. Toch veranderde zijn situatie ten goede. Belangrijk hierbij was de steun van Huygens, die zich actief bleef inzetten om zijn vriend een betere positie te bieden. Barlaeus schreef op 15 april 1646 aan Huygens dat hij verheugd was te vernemen dat Brosterhuisen zijn penseel en tekenbord zou gaan neerleggen.
DeIllustere School te Breda
Concept benoeming Johan Brosterhuisen tot professor in de botanie en Griekse Taal bij de Illustere School in Breda, 30 juni 1646, Nationaal Archief, Nassause Domeinraad 1.08.11, 7989.
In 1646 speelde Huygens een sleutelrol in het verbeteren van Brosterhuisens situatie door hem als curator van de Illustere School te Breda een professoraat in de Griekse taal en botanie te bezorgen.11 Deze school, opgericht op initiatief van Frederik Hendrik en Amalia van Solms, moest Breda tot een centrum van kunst en wetenschap maken. De officiële opening vond plaats op 17 september 1646 in de Grote Kerk van Breda, gevolgd door festiviteiten op het kasteel. Frederik Hendrik en Huygens waren afwezig vanwege militaire verplichtingen, wat verbazing wekt gezien Huygens’ rol als curator van de school. In de dagen erna werden de inaugurele redevoeringen van de zes professoren gehouden in het klooster St. Catharinadal dat als locatie voor de school was aangewezen. Het gevolg van Amalia van Solms, die de opening bijwoonde, was zo groot dat in de stad kamers moesten worden gehuurd voor haar personeel.12
Kaart van gebouwen en omliggende terreinen van het klooster van St. Catharinadal. Plattegrond van klooster en bijgebouwen. Overgenomen van een oude kaart uit het archief van het klooster te Oosterhout, 1646 fecit. Breda, 12 Januari 1878. Stedelijk Museum Breda, ST00495.
André Rivet (1672-1651), theoloog en rector van de school, hield de openingsrede. De redevoeringen waren erg lang, maar Amalia heeft ze allemaal aangehoord.13 De Engelse miniatuurschilder Edward Norgate was erbij aanwezig en dankzij hem hebben we een rechtstreeks ooggetuigenverslag. Alle professoren kregen hun beurt: de langste rede was van theoloog en predikant Ludovicus Gerardus van Renesse – ‘long, leane and drie as the Speaker’ – en besloeg maar liefst 39 pagina’s , terwijl die van de anderen varieerden van 11 tot 25 pagina’s. Brosterhuisen hield twee korte redevoeringen ’the honestest appeared as yet, and of laudable brevitie’, aldus Norgate. In zijn eerste rede over botanie riep Brosterhuisen op planten te onderzoeken, te waarderen, te proeven en te ruiken, en zag daarin de zoetheid van Gods goedheid. Hij benadrukte hun schoonheid en nut voor lichaam en geest, met voorbeelden uit verleden en heden. In zijn tweede rede betreurde hij het verval van de Griekse taal, die hij beschouwde als onmisbaar voor het begrijpen van de Bijbel, de wetenschap en de filosofie. Hij illustreerde bovendien hoe de Griekse taal een cruciale rol had gespeeld in de vorming van de Romeinse literatuur en cultuur.
Adolphus Vorstius, Paulus Pontius naar Gerard Petri, 1616-1657.
Adolphus Vorstius, directeur van de Leidse Hortus, beschuldigde Brosterhuisen van plagiaat en weigerde naar Breda te komen om ‘zijn eigen rede’ bij te wonen. Huygens’ zwager David De Wilhem suggereerde dat Brosterhuisen mogelijk delen van Vorstius’ oratie had overgenomen, maar betitelde tegelijkertijd Vorstius’ houding als kwaadaardig. Er werd ook verder geen werk van gemaakt. Aangezien de oratie van Vorstius verloren is gegaan, is een vergelijking niet meer mogelijk.
De taak van Brosterhuisen als professor in de botanica en Grieks werd vastgelegd in het reglement van de Illustere School te Breda waarin stond dat hij ’s zomers studenten buiten in de hortus zou onderwijzen over planten, hun namen, eigenschappen en toepassingen, en ’s winters binnen lessen zou geven over medicijnen en Griekse auteurs. De tuin werd aangelegd op het terrein van het voormalige klooster St. Catharinadal, waar van oudsher een boomgaard en hopveld lagen. Onder leiding van Brosterhuisen en hovenier Michiel Coenraets werd de grond geëgaliseerd en voorbereid. Op 8 november 1646 meldde Brosterhuisen aan Huygens dat de tuinstructuur met perken en paden al zichtbaar begon te worden. De tuin was vergelijkbaar met die van de Leidse hortus, met grote perken, brede paden en plannen voor decoratieve beplanting zoals hulst en mastbomen, die beschutting tegen zon en wind zouden bieden. De tuin bevatte niet alleen geneeskrachtige kruiden maar ook groenten, fruitbomen en sierplanten, waardoor deze meer leek op een botanische tuin dan een traditionele kruidentuin. Een innovatief aspect van zijn ontwerp was een kanaal voor waterplanten, dat zijn botanische expertise onderstreepte.
Titelblad van de Catalogus Plantarum, 1647.
Met zijn lessen in de tuin wist Brosterhuisen veel belangstelling te trekken, wat bijdroeg aan het prestige van de Illustere School. Dit moest echter met grote zuinigheid worden gerealiseerd, omdat na de dood van Frederik Hendrik in maart 1647 de belangstelling en financiële steun van de nieuwe stadhouder, prins Willem II, afnam. In 1647 publiceerde hij deCatalogus Plantarum Horti Medici Illustris Scholae Auriaceae, een overzicht van de collectie planten die hij in de tuin had aangelegd. De catalogus bevat 823 plantennamen, waaronder geneeskrachtige kruiden, exotische soorten en lokale flora. Deze publicatie benadrukt zijn ambitie om de hortus medicus tot een toonaangevende botanische tuin te maken. Brosterhuisen stuurde in september 1647 een exemplaar van zijn Catalogus Plantarum naar Huygens, met het voorstel om dit aan de prins te presenteren, in de hoop zijn interesse voor het project te wekken.
Schandaal
Een controverse ontstond in 1648 toen bleek dat Brosterhuisen samenwoonde met de 35-jarige Emilia de Rhoda, weduwe van Johan de Wit (geen familie van de raadpensionaris), een vrouw van goede afkomst die hij als huishoudster had aangenomen. Dit leidde tot geruchten over ongepaste omgang en klachten van curator André Rivet en de kerkeraden. Rivet schreef Huygens (vrij vertaald):
Blijft over Monsieur Brosterhuisen, over wie ik u in detail moet spreken. Ik hoorde van Monsieur de Zuylichem [IH: Christiaan], toen hij hier was, dat Brosterhuisen in zijn woonruimte een vrouw van 35 jaar heeft die hem volledig bestuurt, zowel zijn huishouden als zijn portemonnee. Men zegt dat zij al lange tijd samenleven alsof ze man en vrouw zijn, en zelfs zijn familie heeft hierover geklaagd. Hij beweert weliswaar dat hij haar de leiding over zijn huishouden heeft gegeven, maar dat dit niet betekent dat zij een intieme relatie hebben, hoewel zij onder hetzelfde dak wonen. Niemand gelooft echter dat er geen concubinaat is.
Ik heb hem daarom onder vier ogen aangespoord het schandaal op te lossen door deze vrouw weg te sturen. Na veel uitvluchten en tegenwerpingen beloofde hij dit. […] Hij beweerde dat er veel ongetrouwde predikanten zijn die door dienstmeiden worden bediend en verwees zelfs naar dat van u, die zijn huishouden laat beheren door een nicht. [IH: Huygens’ nicht Catharina Zuerius]. Deze vrouw [IH: Emilia de Rhoda] pronkt ermee dat hij haar niet weg kan sturen. Hij heeft intussen de gemeenschap van de Vlaamse en Franse kerken verlaten. In plaats daarvan sluit hij zich aan bij de Engelsen, die geen discipline kennen. Met hen rookt hij tabak, wat zijn voornaamste bezigheid lijkt te zijn. Ondertussen geeft zij jaarlijks grote sommen uit aan wijn en tabak, naar verluidt wel 400 gulden, terwijl Brosterhuisen zelf weinig doet, behalve wat kruiden zaaien in de tuin. Aan het Grieks doet hij niets en zegt dat hij geen leerlingen heeft, wat deels aan hemzelf ligt. In plaats van de taal te onderwijzen, spreekt hij over Achilleus en dergelijke. Ook over zijn beloofde lessen over medicijnen is niets meer vernomen. […]
…
André Rivet, Jonas Suyderhoef, ca. 1645, UB Leiden.
Brosterhuisen werd de keuze gesteld: of hij moest Emilia wegsturen of met haar trouwen. Huygens, die zich verantwoordelijk voelde voor Brosterhuisens aanstelling en natuurlijk ook met hem bevriend was, stuurde hem een vermanende brief, zo liet hij Rivet weten; en hij had Van Campen had gevraagd dit ook te doen. Hij liet weten dat bij verdere ongehoorzaamheid alle steun aan Brosterhuisen zou worden stopgezet. In reactie hierop schreef Brosterhuisen aan Huygens [vrij vertaald]:
Ik dank u zeer voor die scherpe en gunstige vermaning, maar het deed mij verdriet dat ik in mijn onschuld bij u zo in twijfel ben getrokken. Wat betreft de Griekse professie: die heb ik door gebrek aan toehoorders enige tijd niet kunnen uitoefenen; desalniettemin heb ik mij altijd bereid gehouden om te lezen, al was er maar één toehoorder gekomen. Ja, ik heb meerdere keren voor slechts één toehoorder [IH: dat was Huygens’ zoon Lodewijk] lesgegeven – terwijl niemand van mijn collega’s dat zou willen doen voor minder dan drie. Toen er daarna echter niemand meer verscheen, was ik genoodzaakt om tijdelijk te stoppen, tot nu, dat ik door uw bevel weer toehoorders heb gekregen.
Wat betreft de geruchten over mijn huishouden: die zijn alleen gebaseerd op ongegronde achterdocht, verspreid door enkele mensen die mij of mijn huishoudster kwaad willen doen en afgunstig zijn. Er zijn vele predikanten die ongetrouwd zijn en op deze manier een huishouden voeren, en niemand zegt daar iets van. Toch heeft de heer Rivet mij aangespoord haar te laten gaan, of haar te trouwen. Zij heeft anderhalf jaar bij mij gewoond, in welke tijd ik volledig heb kunnen leren dat zij zeer eerbaar, oprecht godvruchtig, verstandig en zuinig in het huishouden is. Daardoor kan ik elk jaar een aanzienlijk bedrag van mijn traktement apart zetten om mijn schuld af te lossen. Haar wegsturen zou mij schade berokkenen en haar in diskrediet brengen, wat – omdat ik de schijn zou wekken daartoe aanleiding te hebben gegeven – mijn gemoed voor eeuwig in onrust zou brengen. Daarom heb ik met haar afgesproken te trouwen.
Zij komt uit een net zo goede familie als ik en kan zichzelf onderhouden; bovendien heeft zij meer te erven. Zij is bescheiden en rustig van aard. Ik ben oud en heb, gezien de normale gang van sterfelijkheid, maar weinig jaren meer te leven. Ik word soms getroffen door nierstenen, waardoor ik voortaan niets anders nodig heb dan in rust, stilte en eerlijkheid te leven. Ik ben ervan overtuigd dat God, in wie ik van jongs af aan mijn vertrouwen heb gesteld, mij op mijn oude dag niet in de steek zal laten. En naast God, dat u mij in mijn onschuld zult verdedigen en mij in Zijn gunst en die van Hare Hoogheden zult behouden. Graag verzoek ik u dit de heer Van Campen te laten lezen, aan wie ik mijn nederige groeten doe. Ik weet zeker dat ik u hier in persoon volledig zal kunnen overtuigen van mijn doen en laten.
Uw ootmoedige en onderdanige dienaar,
J. Brosterhuisen
In Breda, 2 maart 1648
Op 7 maart 1648 werd het huwelijk ingeschreven in de registers van de Gereformeerde Kerk. Hiermee waren de geruchten gesust, maar ook andere de spanningen binnen de Illustere School kwamen bloot te liggen. Zo schreef Huygens in dezelfde brief aan Rivet dat het de spuigaten uitliep met de dronken schermmeester van de Illustere School tegen wie opgetreden moest worden.
Nalatenschap
Ondanks zijn botanische kennis en bijdrage aan de Hortus Medicus slaagde Brosterhuisen er niet in zich als docent te handhaven. Toch bleef Huygens hem steunen, ook na het huishoudsterschandaal. Op 5 augustus 1650 vroeg Brosterhuisen hem nog om hulp bij de benoeming van een familielid tot secretaris van Rijnland en grapte dat Huygens, ‘hoewel niet Rooms, daarmee een plaats in de hemel zou verdienen’. Een maand later overleed hij op 10 september 1650, vermoedelijk aan een kwaadaardige koorts. Volgens Rivet was hij slechts acht dagen ziek, maar vanaf het begin zwak en moedeloos. Brosterhuisen werd op 14 september met alle eer begraven in het Hoogkoor van de Grote Kerk in Breda, en de medicus Albertus Kyperus sprak enkele dagen later een herdenkingsrede uit. Rivet meldde Huygens spottend dat Brosterhuisen diep in de schulden was overleden, zijn bibliotheek voor duizend gulden verpand was, en dat zijn vrouw dankzij hun tussenkomst uiteindelijk van minnares tot echtgenote was opgeklommen.
Na de dood van Brosterhuisen verloor de Bredase Hortus zijn functie als onderwijsinstrument. De tuin bleef nog enkele jaren bestaan als kruidentuin, maar verdween toen in 1669 de Illustere School definitief werd opgeheven.14 Toch getuigt zijn vriendschap met Huygens, evenals die met tijdgenoten als Hooft, Van Campen en Barlaeus, van de waardering die zijn intellect en persoonlijkheid opriepen. Ondanks zijn neerslachtige aard en gebrek aan zelfdiscipline werd hij gezien als een veelzijdig Renaissancemens, gedreven door een liefde voor kennis, kunst, muziek en poëzie. Huygens bleef hem steunen, niet alleen vanwege hun gedeelde idealen, maar ook omdat Brosterhuisen, bovenal, een beminnelijk en innemend mens was die zijn vrienden wist te inspireren.
In het late voorjaar van 1648 vernam Constantijn Huygens dat de Franse operazangeres Anne de La Barre (1628-1688) spoedig van Parijs naar Stockholm zou reizen. Ondanks haar jonge leeftijd was Anne de La Barres reputatie al zo groot dat koningin Christina van Zweden haar aan haar hof had uitgenodigd. Huygens achtte de kans groot dat de zangeres op doorreis naar Zweden in de buurt van Den Haag zou zijn, de perfecte aanleiding om haar in de hofstad uit te nodigen en haar te horen zingen.
Anne de La Barre
Anne de La Barre kwam uit een familie van musici: haar overgrootvader Pierre (I) stond al in 1567 te boek als organist. Haar vader, Pierre (III) was organist en klavecinist aan het hof van Lodewijk XIII, en ook haar broers zouden succesvolle musici en componisten worden. Omstreeks 1646-1647 oogstte de jonge Anne zelf roem met haar uitvoeringen van de muziek van Luigi Rossi. Die laatste was door kardinaal Mazarin, de Franse eerste minister, in Parijs uitgenodigd om het operaleven op gang te trekken. In Frankrijk ontstond er echter steeds meer protest tegen het beleid van Mazarin, en dat protest zou in 1648 in een opstand uitmonden. Stockholm oogde dus een stuk aantrekkelijker dan het woelige Parijs.[1]
Cornelis Visscher (II), Portret van Christina van Zweden, koningin van Zweden, 1650(Rijksmuseum, Amsterdam).
Huygens greep zijn kans en schreef Anne de La Barre voor het eerst op 21 juli 1648 (nadat hij eerder al contact had gehad met haar vader, maar die brieven zijn verloren gegaan). Hij nodigde haar uit om bij hem thuis te logeren:
[ik zou] u willen uitnodigen om enkele weken in mijn huis te verblijven, dat wellicht niet het meest oncomfortabele huis in Den Haag is. Daar vindt u in elk geval luiten, theorbes, violen, spinetten, klavecimbels en orgels om u te vermaken, bijna evenveel als Zweden u kan bieden. En … u zult mij daar vinden, zo niet als een bekwame beoordelaar van uw grote talent, dan toch zeker als een gepassioneerde bewonderaar van wat u creëert …
Constantijn Huygens had ondertussen ook zijn zopas verschenen muziekbundel Pathodia sacra et profana aan Annes vader laten bezorgen.[2] In haar antwoord op Huygens’ brief van 21 juli liet Anne de La Barre hem weten dat ze er alvast een selectie uit had gezongen voor de componist Michel Lambert. Maar er was ook minder goed nieuws: de reis naar Stockholm werd uitgesteld. Pierre de La Barre hoopte niettemin dat er misschien mogelijkheden waren voor zijn kinderen om in dienst te treden aan het stadhouderlijke hof – de politieke situatie in Parijs was allesbehalve stabiel. Maar die mogelijkheden waren er helaas niet.
Afscheid
In de daaropvolgende jaren, en nadat de rust was teruggekeerd in Frankijk, groeide Annes reputatie als zangeres verder en trad ze regelmatig op aan het hof en in de hofkapel. In 1652 hernieuwde Christina van Zweden, die het muziekleven aan haar hof wilde uitbouwen, haar uitnodiging aan Anne. En dit keer ging de reis door.
In Parijs treurden muziekliefhebbers om Annes vertrek. ‘Mademoiselle de La Barre, / wiens stem zo zuiver en zo zeldzaam / in zachtheid overtrof de keel / van een nachtegaal op een rozenstruik / vertrekt naar Zweden’, schreef Jean Loret.[3] Waarschijnlijk was het bij haar vertrek dat ook Tristan l’Hermite een gedicht schreef dat hij aan haar opdroeg.
I. Allez où le sort vous conduit; Il faut partir, adorable Amarante; Bien loin, comme une étoile errante, Vous brillerez au milieu de la nuit; Pour moi, je veux jusqu’au trépas Avoir l’honneur d’accompagner vos pas, Et de chanter en tous lieux vos louanges, Lorsque d’une voix, Comme celle des anges, Vous ferez des lois. (eerste strofe, uit: Recueil des plus beaux vers, Parijs, 1661, p.16-17)
Ga waar het lot u leidt; U moet vertrekken, lieve Amaranthe; Ver weg, als een dwalende ster, Zult u stralen in het midden van de nacht; Voor mezelf wens ik tot aan mijn dood De eer te hebben om uw stappen te volgen, En overal uw lof te zingen Wanneer u, met een stem Als die van engelen, wetten zult stellen.
Denkbaar was het Annes broer, de klavierspeler en componist Joseph de La Barre, die de tekst op muziek zou zetten met het dansante ritme van een courante. De oorspronkelijke compositie ging verloren, maar wellicht gebruikte Joseph de La Barre de relatief eenvoudige vorm van de Franse air sérieux, met een zanglijn en met bas bedoeld voor begeleiding door bijvoorbeeld een luit (of een theorbe of een klavecimbel).[4] Anne en Joseph brachten die muziek vermoedelijk mee naar de Lage Landen waar de melodie van de zanglijn snel erg populair werd. De Nederlandse Liederenbank vermeldt ruim 200 liederen (contrafacten), gepubliceerd tussen 1654 en het einde van de 18de eeuw, die gebruik maken van de melodie van Allez où le sort vous conduit, vaak aangeduid als Courante La Bare [sic]. De zanglijn, zonder bas, werd overgeleverd in het geestelijke liedboek Den singende swaen (Antwerpen, 1664). [5]
Het lied S. Gregorius den Grooten, met als wijsaanduiding Eylaes mijn suchten is om niet (Allez où le sort vous conduit), uit: Willem de Swaen, Den singende swaen (Antwerpen, 1664)(Universiteit Utrecht).
Antwerpen en Den Haag
Einde september of begin oktober 1652 ving Anne, begeleid door haar broer en haar moeder, de reis naar Zweden aan. Op 21 oktober kon Béatrix de Cusance vanuit Antwerpen aan Huygens schrijven: ‘We hebben hier juffrouw La Barre, die goddelijk zingt. Ze zal hier deze winter zijn; ik hoop vurig dat u haar zult horen’.[6] Eerder dat jaar hadden Huygens en Béatrix de Cusance, die voor langere tijd in Antwerpen verbleef, er elkaar bij de familie Duarte ontmoet. Wellicht was het ook bij de Duartes dat Anne de La Barre nu optrad. Samen met Gaspar Duarte en zijn kinderen – zangeres Leonora, klaveciniste Francisca en de anderen – konden Anne en haar broer een uitgebreid muziekensemble vormen. Het was de ideale gelegenheid om repertoire uit te wisselen en door te nemen: de composities van Huygens en van de Duartes zelf, de klaviermuziek en airs van de familie De La Barre, en werk van tijdgenoten, vooral uit Parijs. Huygens stond te popelen om Anne de La Barre te horen en wellicht reisde hij in november naar Antwerpen.[7]In januari 1653 vertrok Anne de La Barre, ‘la divine Amaranthe’ (de goddelijke Amaranthe, een verwijzing naar de gelijknamige herderin), zoals Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens haar omschreven, dan eindelijk naar Den Haag.
Ook in Den Haag snelde Annes reputatie haar vooruit en trad ze meteen na haar aankomst op voor Elizabeth Stuart (de verbannen koningin van Bohemen en de zus van Karel I van Engeland), Maria Henriëtta Stuart (de weduwe van stadhouder Willem II van Oranje) en Amalia van Solms (de weduwe van stadhouder Frederik Hendrik van Oranje). Huygens probeerde Anne de La Barre al dichtend te overtuigen langer te blijven: ‘Nog maar net ben je in onze streken verschenen, en je zoekt al de weg naar de bergen … Begrijp je niet hoe Christina zich vergist, door jou haar vorstelijke koude, sneeuw en ijs aan te bieden? … Blijf, prachtige vogel’ (origineel in het Frans; bijlage bij een brief van Huygens aan Pierre Chanut). Maar Annes verblijf zou slechts van korte duur zijn: haar nieuwe werkgeefster wachtte op haar. De schilder David Beck passeerde overigens ook in Den Haag, en toonde Huygens (en Anne de La Barre) het portret dat hij van Christina had gemaakt.
David Beck, Portret van Christina van Zweden, ca.1650(Nationalmuseum, Stockholm).
Een verloren portret herontdekt
Van koningin Christina van Zweden zijn talloze portretten bewaard. Maar hoe zag la divine Amaranthe er eigenlijk uit? Vreemd genoeg was er tot nog toe geen enkel portret bekend waarop Anne de La Barre met enige zekerheid is afgebeeld.
In 2023 werd bij een Belgisch veilinghuis een damesportret door Adriaen Hanneman aangeboden, afkomstig uit privébezit. De familie Devaux-Plovie verwierf het schilderij, waarna Sofie Plovie aan een onderzoek begon in de hoop de identiteit van de geportretteerde jonge vrouw te achterhalen.[8]
Adriaen Hanneman, Portret van een dame [Anne de La Barre], 1657. (Verzameling familie Devaux-Plovie /foto: Veilinghuis Carlo Bonte).
Adriaen Hanneman werd omstreeks 1604 in Den Haag geboren. Zijn opleiding kreeg hij in zijn geboortestad bij Anthonie en Jan Antonisz. van Ravesteyn. Van 1626 tot 1638 was hij in Londen waar hij mogelijk achtereenvolgens in de ateliers van Daniël Mijtens en Anthony van Dyck aan de slag ging. Vanaf 1638 was hij terug in Den Haag waar hij tot zijn dood in 1671 bleef. Hanneman maakte naam als portretschilder en werkte in de modieuze en flatterende stijl van Anthony van Dyck. Het leverde hem opdrachten op van de Haagse high-society. Beroemd is het portret van Constantijn Huygens en zijn kinderen. En er zijn portretten van leden van de stadhouderlijke familie en de Engelse koninklijke familie, en van raadspensionairs Johan de Witt.
Adriaen Hanneman, Zelfportret, 1656(Rijksmuseum, Amsterdam).Adriaen Hanneman, Portret van Constantijn Huygens en zijn vijf kinderen, 1640(Mauritshuis, Dan Haag).
Het zou dan ook in Den Haag zijn dat Hanneman in 1657 – dat jaartal staat op het schilderij vermeld – de anonieme vrouw portretteerde. De muziekpartituur die de vrouw in haar rechterhand houdt, bleek de sleutel te zijn tot haar identiteit. Hoewel de tekst op de partituur gedeeltelijk was vervaagd en daardoor slecht leesbaar was, kon Plovie essentiële passages identificeren: ‘Allez où le sort vous conduit’ en de daaropvolgende regels van Tristan l’Hermites gedicht aan Anne de La Barre, en in de marge ‘Courante La Barre [Joseph?]’. Ook op de basis van de zuil waarop de vrouw leunt kon Plovie voorzichtig de woorden ‘Madame de La Barre’ ontcijferen. Met erg grote waarschijnlijkheid is de geportretteerde dus Anne de la Barre die daarmee voor het eerst een gezicht krijgt. Daarnaast vormt de afgebeelde partituur, hoe beschadigd ook, een belangrijke aanvulling op ons begrip van de in de Nederlanden zo populaire ‘Courante La Bare’: naast de melodielijn (die in grote lijnen overeenkomt met de melodie die in Den singende swaen is gepubliceerd) bevat de geschilderde partituur immers ook een tot nog toe onbekende begeleiding.
Adriaen Hanneman, Portret van een dame [Anne de la Barre] (detail), 1657(Verzameling familie Devaux-Plovie/foto: Veilinghuis Carlo Bonte).
Het jaartal 1657 blijft niettemin mysterieus. In juni 1654 deed koningin Christina van Zweden troonsafstand en begon ze aan een lange reisweg naar Rome. In augustus bereikte ze Antwerpen waar ze Gaspar Duartes dochters hoorde zingen (brief 5366 van David le Leu de Wilhem aan Constantijn Huygens). Anne de la Barre keerde ondertussen, via Kopenhagen en Kassel, in december 1655 terug naar Parijs en het Franse hof waar ze de daaropvolgende jaren zou blijven. Tijd voor een reis naar Den Haag lijkt er in 1657 niet te zijn geweest. Annes enige bekende verblijf in Den Haag dateert van begin 1653.
In welke omstandigheden Adriaen Hanneman het vermoedelijke portret van Anne de La Barre schilderde, is dus niet duidelijk. En ook voor wie hij dat deed weten we niet. Hanneman lijkt toch vooral een Hollands (Haags) publiek te hebben bediend. Wilde Constantijn Huygens een aandenken aan la divine Amaranthe? Was het bestemd voor een van de andere Haagse bewonderaars van Anne de La Barre, of, via Huygens, voor Béatrix de Cusance of de familie Duarte? Constantijn Huygens’ brieven bieden in ieder geval geen verdere aanwijzingen. Niettemin bleef hij de familie De La Barre met veel interesse volgen. De laatste overgeleverde brief van Huygens aan de familie, gericht aan Annes broer Joseph, dateert van februari 1654 . Maar zijn zoon Christiaan had contact met de familie tijdens zijn Parijse verblijven in 1655 en vanaf 1661. En toen Constantijn Huygens zelf in 1661 in Parijs was, schreef hij enkele gedichten op een portret dat de schilders Henri en Charles Beaubrun van Anne de La Barre hadden gemaakt en hem hadden geschonken.[9]
De laatste vermelding van de familie De La Barre in een brief dateert uit december 1680, wanneer Christiaan Huygens zijn vader laten weten dat hij in Parijs vruchteloos op zoek is gegaan naar muziek van Pierre de La Barre, een broer van Anne. Anne de La Barre was op dat ogenblik al 13 jaar gehuwd en gaf geen optredens meer. Ze overleed in 1688.
Het portret dat Adriaen Hanneman van, naar alle waarschijnlijkheid, van Anne de La Barre maakte, heeft nog niet al zijn geheimen prijsgegeven. Dit blogbericht is dan ook meteen een oproep tot meer onderzoek.
Timothy De Paepe, in samenwerking met en met dank aan Sofie Plovie, 18 november 2024
[1] Voor meer biografische gegevens over Anne de La Barre, zie Lisandro Abadie, ‘Anne de La Barre (1628-1688): Biographie d’une chanteuse de cour’, Revue de Musicologie 98 (2008) 1, 5-44.
[2] Ook aan Christina van Zweden had hij een exemplaar gestuurd. Zie onder meer brief 5036.
[3] ‘Mademoizelle de La Barre, / Dont la voix si nette e si rare / Passoit en douceur le gozier / D’un Rossignol sur un rozier. / S’en va porter dans la Suéde’.
[4] Wellicht is slechts een klein deel van Joseph de La Barres oeuvre overgeleverd. In 1669 verscheen de bundel Airs à deux parties, en in diverse verzamelbundels zijn ook Franse en Italiaanse airs van hem terug te vinden. Het zogenaamde Bauyn handschrift bevat een handvol klavecimbelwerken die aan hem worden toegeschreven. Andere toeschrijvingen zijn eerder twijfelachtig.
[5] Op het muziekalbum Top of the Pops: Dutch Golden Age Edition brengt Margot Kalse, begeleid door luitspeler Earl Christy, een uitvoering van Allez où le sort vous conduit gebaseerd op de versie zoals overgeleverd in Den singende swaen.
[6] ‘Nous avons ycy Madamoiselle la Bare qui chante divinemant. Elle cerat ycy l’iver; je soytte fort que vous l’oyez.’
[7] Ineke Huysman en Rudolf Rasch, Béatrix en Constantijn. De briefwisseling tussen Béatrix de Cusance en Constantijn Huygens 1652-1662, 2009, 86.
[8] Sofie Plovie, Unveiling Anne de La Barre: A Lost Portrait and Musical Score Rediscovered (ongepubliceerde onderzoeksnota), 2024.
[9] Het portret dat Henri en Charles Beaubrun vervaardigden is schijnbaar verloren gegaan. ‘In de documenten over Huygens’ kunstbezit wordt Anna de la Barre niet expliciet genoemd als geportretteerde, maar in de catalogus van Susanna Doublet Huygens (1725) komen veel niet nader gespecificeerde Franse en Engelse adellijke vrouwen voor’ (Inge Broekman, Constantijn Huygens, de kunst en het hof, 103).
Componisten o.a.: Hildegard von Bingen, Elisabeth Jacquet de la Guerre, Constantijn Huygens, Claudio Monteverdi en Georg Friedrich Händel.
Een unieke avond in de Amsterdamse Waalse Kerk waarin geschiedenis en muziek samensmelten. Historici Femke Deen en Ineke Huysman, samenstellers van Moeders des Vaderlands (Atlas Contact 2024), brengen samen met La Sfera Armoniosa de verhalen tot leven van invloedrijke vrouwen uit de politieke geschiedenis van de Nederlanden. Margaretha van Oostenrijk, Amalia van Solms, Anna van Hannover en andere machtige vrouwen krijgen een stem in woord, beeld en muziek.
Deen en Huysman vertellen over hun politieke en muzikale invloed, afgewisseld door het ensemble La Sfera Armoniosa dat muziek uitvoert van vrouwelijke componisten als Hildegard van Bingen en Barbara Strozzi en hofmuziek uit hun tijd van Constantijn Huygens, Monteverdi en Händel. Een bijzondere audiovisuele belevenis die de wereld van de vorstinnen tot leven wekt.
———————-
Femke Deen is historicus en auteur. Zij doet onderzoek naar vrouwen van adel in de vroegmoderne tijd en schreef onder meer de biografie Anna van Saksen. Verstoten bruid van Willem van Oranje (Atlas Contact 2018). Momenteel werkt ze aan een biografie van Charlotte de Bourbon, de derde vrouw van Oranje.
Ineke Huysman werkt als senior onderzoeker bij het Huygens Instituut/NL-Lab. Zij is onder andere projectleider van de digitale editie van de briefwisseling van de Hollandse en Friese stadhoudersvrouwen. Onlangs was zij een van de samenstellers van de bundel Vrouwen rondom Johan de Witt.
Het Nederlandse barokgezelschap La Sfera Armoniosa, opgericht in 1992, is gespecialiseerd in het uitvoeren van zeventiende- en achttiende-eeuwse muziek en staat onder leiding van de luitist en dirigent Mike Fentross. Naast muziek van beroemde componisten als Monteverdi, Händel en Vivaldi, voert het ensemble ook minder bekende muziek uit die na uitvoerig zoekwerk is gedistilleerd uit vroegmoderne muziekdrukken en manuscripten. Met: Lette Vos, Paulina van Laarhoven en Mike Fentross.
Moeders des Vaderlands! met La Sfera Armoniosa Locatie: Waalse Kerk Amsterdam, Walenpleintje 159, 1012 JZ Amsterdam Datum: 18 december 2024 Deur open: 19.30 uur Start: 20.15 uur Einde 21.30 uur
Borrel en boek- en CD-verkoop voorafgaand en na afloop
De vijf zintuigen (Quinque sensus hominum) door Cornelis Galle, naar een prent van Johann Liss, ca. 1610 – ca. 1678, Rijksmuseum Amsterdam,RP-P-1902-A-22485.
De vele activiteiten die Constantijn Huygens (1596-1687) er op na hield, zouden we nu als nevenwerkzaamheden of hobby’s omschrijven. Naast zijn professionele taken als diplomaat en secretaris van prinsen van Oranje Frederik Hendrik en Willem II, was Huygens bepaald niet onverdienstelijk als architect, musicus, componist, geleerde en polyglot. Echt beroemd werd hij om zijn dichtkunst, zijn poëzie wordt nog altijd in diverse talen uitgegeven en gelezen.[1] Maar of dit nog niet genoeg was, hield Huygens zich ook bezig met geur: hij was een enthousiast amateur-parfumeur.[2] Zo zijn er van zijn hand meer dan 150 parfum-recepten bewaard gebleven, waar momenteel onderzoek naar wordt gedaan door het Jonge Akademie project Geheugen van Geur.[3] Van de vijf klassieke zintuigen kon de reukzin op zijn bovengemiddelde interesse rekenen. In zijn uitgebreide correspondentie bevinden zich dan ook meerdere brieven waarin geur een belangrijke component vormt.[4]
Portret van Caspar Barlaeus door Joachim von Sandrart, 1637-1643, Rijksmuseum Amsterdam, RP-T-1885-A-480.
Huygens’ veelzijdigheid ontging ook zijn tijdgenoten niet. In december 1639 schrijft zijn vriend Caspar Barlæus hem een brief in het Latijn. Hierin prijst hij Huygens om zijn ‘verheven voorkeuren’. Zo beschrijft hij Huygens’ reukzin door te zeggen dat hij zijn neus ‘niets anders voorhoudt dan balletjes van verzen die smakelijk zijn door geurstoffen en besprenkeld met sesam’. Als Huygens twee jaar later gebukt gaat onder problemen met zijn gehoor, troost Barlæus Huygens door hem eraan te herinneren dat hij nog altijd een scherpe neus heeft.
Met diverse correspondenten wisselt Huygens recepten uit. Zoals met Eleonore de Volvire, markiezin van Ruffec. In 1645 ontvangt hij van haar een recept om amberwater te maken. Op de achterzijde voegt zij toe dat het recept geheim moet blijven. Op haar beurt heeft ze het recept weer gekregen van François de Bassompiere, maarschalk in dienst van het Franse hof. Het geparfumeerde water moet goed afgesloten worden bewaard, zodat er geen lucht bij kan komen. Liefst met Spaanse was, aldus het recept.[5] Dat taal geen beletsel vormde in de correspondentie, blijkt uit Huygens brief in het Engels, aan Henry Oldenburg, eind januari 1677. Hij stuurt de befaamde secretaris van de Royal Society in Londen een recept voor ‘true Hungary water’, rozemarijnwater, vernoemd naar een Hongaarse koningin die het in de 14e eeuw voor het eerst gebruikt zou hebben. Het resultaat zou beter zijn als men de bloemen van de rozemarijn gebruikt in plaats van de naalden. Zie ook het blog hierover van Ineke Huysman: Hongaars koninginnewater.
Portret van Andreas Colvius door Salomon Savery, naar een schilderij van Albert Cuyp, 1646-1665, Rijksmuseum Amsterdam, RP-P-1898-A-20715.
Het vinden van de juiste ingrediënten was essentieel voor het creëren van geuren en veel van de correspondentie was op deze zoektocht gericht. Huygens stuurt zijn vriend, de predikant en natuurkundige Andreas Colvius meerdere keren het kostbare ambergris toe, getuige de bedankbrieven die Huygens in 1649 van hem ontvangt. De twee corresponderen vaker over bestanddelen, zoals ook blijkt uit een brief van Huygens aan Colvius uit 1653, waarin hij hem op verzoek een monster van Ben’s olie toestuurt, verkregen uit de hars van de tropische boom Styrax benzoin, en enkele stukken Beaume en Roche. Over die laatste maken parfumeurs veel ophef, aldus Huygens. Omdat de substantie in noten met een zeer harde schil zit, die door de plakkerigheid moeilijk los te krijgen is, stuurt Huygens stukken met schil en al. De toepassing betreft niet alleen een aromatische. De Fransen bereiden beaume en roche ook in een cassoulet, een aardewerken pot, die lang op het vuur kan staan. Verder kan Huygens melden dat zodra je een stuk in je mond stopt, het zacht wordt en een aangename geur aan de adem geeft. Zie ook het blog hierover van Ad Leerintveld: Geurende geschenken en meer.
Het lukt niet elke correspondent om de hand te leggen op de juiste grondstoffen. Fréderic Rivet, secretaris van Amalia van Solms, rapporteert vanuit Londen dat hij meermalen de Thames is overgestoken om geurstoffen bij een scheikundige te bemachtigen. Tevergeefs: hij treft de niet bij naam genoemde persoon steeds niet thuis aan.
Dubbelportret van Johan Brosterhuisen (links) en Jacob van der Burg (rechts) door David Bailly, 1624, Teylers Museum Haarlem
Ook met zijn boezemvriend, de schrijver, vertaler en botanist Johan Brosterhuisen correspondeerde Huygens over geur. De briefwisseling tussen de twee heeft vooral een technisch karakter. Zo behandelt Brosterhuisen in een brief uit 1629 het werk van de Engelse filosoof en wetenschapsbeoefenaar Francis Bacon, die schrijft over de verschillende manieren waarop geur zich in een ruimte verspreidt. De vrienden theoretiseren over hoe dat (technisch) kan. Een jaar later moet Brosterhuisen bekennen dat hij geen ‘taartpannetje’ in zijn fornuis heeft: hij gebruikt zijn fornuis alleen om te distilleren. Dat is hem heel goed gelukt, zelfs om olie te extraheren.
Dat ook het geneeskundige aspect van geurstoffen Huygens interesseerde blijkt uit zijn briefwisseling met Moïse Charas, apotheker in Orange. Later maakte hij ook deel uit van de magistraat van Orange. Vanaf 1659 vestigde hij zich als apotheker van ‘Monsieur’ (de broer van Lodewijk XIV) in Parijs, waar hij vanaf 1671 ook docent in de chemie was aan de Jardin des Plantes. Daarna bracht hij enige tijd door aan het hof van de Engelse koning Karel II. [6] In 1666 meldt Huygens Charas dat hij heeft gehoord dat sommigen bij de vervaardiging van essence de Corail menselijk bloed als oplosmiddel gebruiken, waarschijnlijk om de kenmerkende rode kleur van (bloed-)koraal te verkrijgen. Huygens betoont zich geen aanhanger van deze methode.[7]
Portret van Louise Marie Gonzaga de Nevers, Koningin van Polen, door Justus van Egmont, 1646, Wikimedia Commons.
Geur als metafoor was nooit ver uit Huygens’ gedachten. Zelfs als een brief niet rechtstreeks betrekking had op de reukzin. Nadat de Poolse koningin Marie-Louise van Gonzaga Nevers begin januari 1648 de Republiek heeft aangedaan, stuurt hij haar een brief vergezeld van een van zijn eigen composities. Complimenteus schrijft Huygens haar dat haar doortocht alleen al de lucht van deze provincies welriekend heeft gemaakt.[8] Dat is een opvallende woordkeuze voor een brief die niet een geurwerk als bijlage heeft, maar een muziekstuk.
De correspondentie van Constantijn Huygens onthult een fascinerend, maar tot nu toe onderbelicht aspect van zijn intellectuele leven: zijn diepe interesse in geur. Naast zijn uitgebreide kennis van andere disciplines experimenteerde Huygens ook met het creëren van parfums, wat blijkt uit de vele recepten die hij ontwikkelde. Hoewel zijn brieven vaak verwijzen naar deze geurige experimenten en de zoektocht naar zeldzame ingrediënten, is er tot op heden weinig onderzoek gedaan naar deze kant van zijn werk. Dankzij recente projecten zoals Geheugen van Geur waar een van Huygens’ recepten is gereconstrueerd, begint deze bijzondere dimensie van Huygens’ nalatenschap echter eindelijk de aandacht te krijgen die het verdient.
Hanna de Lange, Geheugen van Geur, 13 augustus 2024
[1] Een voorbeeld van een recente, in het Engels vertaalde, uitgave is A Selection of the Poems of Sir Constantijn Huygens (1596-1687), onder redactie van Adriaan van der Weel en Peter Davidson (Amsterdam University Press, 2015).
[2] Zie ook: Ineke Huysman, Constantijn Huygens as Amateur Parfumer”, in Ariane van Suchtelen et Lizzy Marx (eds.), Fleeting – Scents in Colour: Scent and smell in Dutch and Flemish 17th century art (Den Haag, Zwolle 2021) 109–114.
[3]Verzameling musica, medica, etc. bijeengebracht door Constantijn Huygens, 1616-1684, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, KA 47.
[4] Zie ook de uitgebreide bloemlezing onder redactie van Ineke Huysman en Ad Leerintveld, Constantijn Huygens. Een leven in brieven (Soest 2022).
[5]Verzameling musica, medica, etc. bijeengebracht door Constantijn Huygens, 1616-1684, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag, KA 47, folio 461r.
[6] Beroemdheid verwierf Charas door de publicatie van zijn medische werk Pharmacopée royale, galénique et chymique in 1676. Het werd meermalen herdrukt en in vele talen vertaald, onder andere in het Chinees.
[7] Huygens schrijft ‘les disciples de Helmont’, doelend op volgelingen van Jan Baptist van Helmont, alchemist en chemicus die volgens veel tijdgenoten omstreden ideeën had.
[8] ‘Le seul passage de Votre Majesté a tellement parfumé l’air de ces provinces’.
Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.