Een Leidse lobby in Den Haag

Frans van Schooten jr. vraagt Huygens’ steun om zijn vader te kunnen opvolgen als professor aan de Leidse universiteit.

Het project Huygens’ Briefwisseling Online van het Huygens ING/NL-Lab blijft nieuwe vondsten opleveren. Zo is in het Germanisches Nationalmuseum in Nürnberg, Duitsland, een brief van 13 december 1645 van Frans van Schooten jr. (1615-1660) aan Constantijn Huygens ontdekt. J.A. Worp kende de brief niet. Hij is dus niet opgenomen in zijn monumentale uitgave. Nu is een scan van dit schrijven met een transcriptie en een vertaling van het zeventiende-eeuwse Nederlands voor iedereen beschikbaar. Het is een interessante brief die duidelijk maakt dat Frans van Schooten jr. de invloed van Huygens op prins Frederik Hendrik en op de curatoren van de Leidse universiteit hoog inschatte. Hij roept Huygens’ hulp in om aan de Leidse universiteit de opvolger te kunnen worden van zijn vader Frans van Schooten sr. (1581-1645) als hoogleraar in de wiskunde. Van Schooten sr. was de drijvende kracht achter de aan de Leidse universiteit gelieerde Leidse Ingenieursschool, oftewel de ‘Duytsche Matematique’, waar hij wiskundecolleges in het Nederlands verzorgde voor een publiek van praktisch ingestelde ambachtslieden als landmeters, timmerlieden, metselaars en ingenieurs.[1] Vader Van Schooten overleed op 11 december 1645 te Leiden en terwijl die ‘nog boven de aarde staat’ richt zijn zoon zich in de nu gevonden brief tot Huygens. Jantien Dopper bespreekt in haar biografie van Frans van Schooten jr. de inhoud van deze brief, waarvan zij veronderstelde dat hij zoek was, aan de hand van een beschrijving ervan in een veilingcatalogus.[2] De brief zelf levert meer interessante informatie op.

Van Schooten jr. en Constantijn Huygens

Frans van Schooten jr, Collectie Universiteit Leiden. Wikimedia Commons

Frans van Schooten jr. en Huygens kenden elkaar. Descartes bracht ze met elkaar in contact. In de marge van een brief van 22 maart 1637 schrijft Descartes aan Huygens: ‘C’est le jeune Schooten qui vous presentera cette lettre, mais je vous prie de ne point juger de lui par sa contenance, car il vaut mieux qu’il ne paroist.’ De jonge Van Schooten schijnt nogal verlegen te zijn geweest. En dat zowel Huygens als Descartes inderdaad van mening waren dat Van Schooten jr. meer in zijn mars had dan op het eerste gezicht leek, blijkt wel uit het feit dat  – op aanraden van Huygens – Van Schooten de illustraties verzorgde in Descartes’ beroemde Discours de la Méthode (1637). Behalve wiskundige was Van Schooten jr. namelijk ook een begenadigd tekenaar. Als wiskundige heeft hij later enorm bijgedragen aan de verspreiding van Descartes’ ideeën via zijn colleges en door de vertaling in het Latijn van La Géometrie, een van de drie essays uit het Discours.[3]

In 1640 ontving Van Schooten jr. via Huygens van Frederik Hendrik een bedrag van 300 gulden voor een door hem getekende kaart van het beleg van Breda.[4] En als Huygens zijn zonen Constantijn en Christiaan in mei 1645 in Leiden laat studeren besteedt hij ze meteen ‘onder den jonghen Schooten,’ die hen de algebra van Descartes leerde, waar Christiaan in uitblonk.[5]

De lobby bij stadhouder en curatoren

Kennelijk heeft Van Schooten jr. nog vóór de nu ontdekte brief van 13 december 1645 Huygens gevraagd voor hem te bemiddelen bij Frederik Hendrik. Hij begint deze brief namelijk door erop te wijzen dat ‘ene meester Pieter Smits,[6] Frans schoolmeester alhier’ ook interesse heeft in de positie van hoogleraar wiskunde en zich ‘op dezelfde manier als ik u heb voorgesteld’ via de hovelingen Heenvliet en André Rivet en diens zoon Claude[7] bij de prins laat aanbevelen. Van Schooten hoopt dat de prins meer geloof hecht aan Huygens’ woorden en diens raad zal opvolgen. In zijn brief geeft hij en passant nog even aan dat hij betere kwaliteiten heeft dan een schoolmeester. Hij is namelijk heel zijn leven geoefend in de wiskunde en kent de praktijk van de oorlog zegt hij. Op advies van professor Golius, hoogleraar oosterse talen en wiskunde aan de Leidse universiteit en een vriend van Huygens,[8] vraagt de jonge Van Schooten of Huygens ook bij de curatoren van de Leidse universiteit die dan in Den Haag zijn, voor hem wil lobbyen. Dat zijn de heren Schaep, Van Wimmenum en Van Wevelichoven.[9] Hij vraagt Huygens met klem om als hij Van Wimmenum en Van Wevelichoven spreekt, niet te beginnen over Descartes’ Discours de la méthode. Bij anderen zou dat een aanbeveling zijn, maar bij hen niet ‘omdat ze daar niet in thuis zijn’, zegt hij. Als de pensionaris van Leiden Van Wevelichoven zich achter zijn kandidatuur stelt, zal ook de Leidse burgemeester Baersdorp wel voor hem stemmen in het college van burgemeesters en curatoren. De stemmen van Van Wevelichoven en Baersdorp zullen de doorslag geven, meent Van Schooten jr.

Een geduchte concurrent

Jan Jansz. Stampioen door Crispijn van den Queborn, 1638, Rijksmuseum

Vier dagen later, op 17 december 1645 schrijft Van Schooten Huygens opnieuw over zijn sollicitatie. Hij maakt zich zorgen over zijn kansen. In Leiden gaat het goed, schrijft hij. Pensionaris Van Wevelichhoven heeft hem inderdaad ook bij de heer Baersdorp gerecommandeerd. En hij gelooft niet dat er ‘eenighe andre van consideratie’ zijn die het professoraat ‘sijn naerstaande’. Maar in Den Haag kon het weleens fout gaan, vreest hij. De heer Van Wimmenum is namelijk Jan Jansz. Stampioen ‘seer toegedaen’.[10] Stampioen was in zijn dienst en geeft nu Willem II les. Van Wimmenum kan hem dus gemakkelijk bij Frederik Hendrik hebben aanbevolen, mogelijk al voor het overlijden van Van Schooten sr. Daarom, schrijft Van Schooten jr., zou het dienstig zijn als bekend wordt dat ik met toestemming van de heren curatoren van de universiteit al ruim tien jaar gedurende de ziekte  van mijn vader diens plaats inneem. Ik heb daar geen officiële schriftelijke benoeming van, maar de curatoren wensten wel dat ik hiervoor examen deed bij professor Golius. Als dit door goede vrienden bij Frederik Hendrik en de heer Van Wimmenum bekend gemaakt zou worden, zullen zij ‘aen niemant anders haer woort wech en geven’, stelt Van Schooten. Hij vraagt vervolgens aan Huygens of hij aan de officieren uit de garde van de prins, ’Monsieur Poulot’ en ‘Mijnheer Gleeser’, de zaak wil voorleggen. Zij zouden dan bij Zijne Hoogheid en de heer Van Wimmenum voor hem kunnen bemiddelen.[11]

Descartes

Elisabeth van de Palts, door G. van Honthorst, 1636, Koninklijke Verzamelingen.

Intussen maakt ook Descartes zich sterk voor de jonge Van Schooten. Hij stuurt Van Schooten jr. gewapend met een aanbevelingsbrief naar prinses Elisabeth van de Palts, met wie hij sinds 1643 een vriendschappelijke briefwisseling onderhoudt.[12]  Van Schooten moet haar vragen of zij zijn benoeming bij de curatoren wil bepleiten. Dat heeft zij bij hoge uitzondering uit vriendschap met Descartes ook allereerst gedaan bij de heer Van Wimmenum, schrijft zij Descartes op 27 december 1645. Van Wimmenum zegde haar toe de kandidatuur van Van Schooten te steunen, hoewel hij haar vertelde dat men van plan was de hoogleraarspositie op te heffen. Ook zouden tegenstanders Van Schooten jr. kunnen verwijten dat hij ‘de dwalingen van de arminiaanse leer’ door zijn wiskundelessen zou mengen. In haar brief aan Descartes geeft de prinses een treffende karakteristiek van de verlegen de jonge Van Schooten die in haar ogen teveel ontzag had voor de titels van mensen. Zij schrijft dat hij haar zó snel weer verliet, dat zij ‘tot aan de deur’ achter hem aan moest lopen ‘om te vragen tot wie ik mijn diensten ten behoeve van hem moest richten’.[13]

Bezwaren in Leiden

De wiskundige Jan Jansz. Stampioen was inderdaad een concurrent die door Van Wimmenum naar voren werd geschoven, zoals Van Schooten jr. in een volgende brief aan Huygens verhaalt. Op 4 februari 1646 doet hij aan Huygens verslag van de stand van zaken rond zijn sollicitatie. Men schijnt bezwaar tegen zijn godsdienstige overtuiging te hebben. Hij zou niet van de ware gereformeerde religie zijn. Van Schooten brengt daar tegenin dat tweemaal drie zes is bij iedereen van welke religie dan ook. Bovendien zegt hij dat de professor van de ‘Duytsche Matematique’ niet in de senaat van de universiteit mee vergadert en dus buiten religieuze kwesties blijft. Hij leidt alleen maar ‘kloucke ingenieurs’ voor het land op. Van Schooten doet vervolgens zijn theorie uit de doeken dat Van Wimmenum volgens hem eropuit is om op termijn de ‘Duytsche Matematique’ op te heffen en andere sollicitanten met dat verhaal afschrikt ten gunste van Stampioen die dan al examens afneemt bij de ‘Duytsche Matematique’.[14]

Dat Van Wimmenum op de hand is van Stampioen, is waarschijnlijk ook de reden dat Van Schooten jr. in de hier nu boven water gekomen brief van 13 december 1645 aan Huygens zegt dat hij liever niet heeft dat hij Descartes noemt. Juist in deze jaren maakten de ideeën van Descartes in de Leidse academische wereld opgang, zeer tegen de wil van de curatoren in.[15]

Missie geslaagd

Frans van Schooten jr. werd op 8 februari 1646 door het college van curatoren en burgemeesters van Leiden benoemd tot hoogleraar ‘Nederduyts Professor Mathesos’ in de plaats van wijlen zijn vader.[16] Hij werd buitengewoon hoogleraar tegen een salaris van 400 gulden per jaar.[17] Van Schootens lobby had succes. Met inzet van Huygens, prinses Elisabeth van de Palts en op de achtergrond de medewerking van Descartes verkozen de curatoren en burgemeesters de jonge Van Schooten. Zeer waarschijnlijk heeft ook de stadhouder, prins Frederik Hendrik, invloed gehad op de besluitvorming van de curatoren. Het is namelijk niet goed voorstelbaar dat Van Schooten jr. met Huygens overlegt over het benaderen van Frederik Hendrik via hovelingen en officieren van zijn persoonlijke garde, als zowel hij als Huygens, niet het idee hadden dat dat een kansrijke weg zou zijn.

In zijn geschiedenis van de Leidse universiteit stelt Otterspeer dat Frederik Hendrik zich niet bemoeide met benoemingen aan de Leidse universiteit. Zijn vader, Willem van Oranje, en zijn halfbroer prins Maurits deden dat wel. Ook Sluijter is deze mening toegedaan.[18] De hier uit Huygens’ briefwisseling gepresenteerde lobby doet anders vermoeden.

Huygens’ briefwisseling is een rijke bron, bijvoorbeeld voor zijn contacten met (het hof van) Frederik Hendrik en Amalia, maar ook met geleerden als Descartes. In de bundel Constantijn Huygens. Een Leven in brieven wordt aan deze en andere contacten ruim aandacht besteed.

Ad Leerintveld


[1] Jantien G. Dopper, A life of learning in Leiden. The mathematician Frans van Schooten (1615-1660). Proefschrift Universiteit Utrecht 2014. http://dspace.library.uu.nl/handle/1874/288935  .

[2] Dopper, p. 38, n. 130. Op de originele brief is een knipsel geplakt uit: Catalogue d’une collection importante de lettres autographes et de documents historiques en manuscrit, formée par M. A.G. de Visser à La Haye, ou provevant de diverses successions comme de celle du Professeur F.J. Stamkart etc.. Amsterdam, Frederik Muller, 1822, p. 55, lot 377 (UB Gent, BIB.VC.1882/11/22), met dank aan Dr. Hendrik Defoort.

[3] Mathijs van Otegem, A bibliography of the Works of Descartes (1637-1704). Part I, p. 4-150, met name p. 6-7 (illustraties) en 114-138 (Latijnse edities); Zie ook de correspondentie tussen Huygens en Descartes nu beschikbaar in de database van het project Huygens’ Briefwisseling Online: https://bit.ly/3eHwlJ3; Eric Jorink, ‘Geef zicht aan de blinden’. Constantijn Huygens, René Descartes en het Boek der Natuur. Voorburg, Huygens Museum Hofwijck / Leiden, Primavera Pers, 2008, p. 30-34; Dopper, p. 26-30.

[4] Deze kaart is niet teruggevonden. Dopper, p. 29. Brief van Huygens aan Frans van Schooten sr. 31 jul 1640 Huygens’ Briefwisseling Online, 2468.

[5] Constantijn Huygens, Vervolgh van ‘tLeven mijner sonen(…), in: Arthur Eyffinger (red.), Huygens herdacht. Den Haag 1987, p. 141.

[6] Over Pieter Smits is mij niet meer bekend dan dat hij de auteur is van De Aritmetica […] verdeelt in vier delen, met eenighe tafelen van interest, die voor desen noch by niemandt uyt ghegeven en sijn. Seer nut ende bequaem voor alle liefhebberen der selven Const. Tot Leyden, Ghedruckt voor Iacob Roels, Boeckverkooper wonende over het Wees-huys Anno 1635. (Klaas Hoogendoorn, Bibliography of the Exact Sciences in the Low Countries from ca. 1470 to the golden Age (1700).  Leiden/Boston, Brill 2018, p. 824).

[7] Johan Polyander van den Kerckhove Jr. (1594-1660), Heer van Heenvliet, hoveling en diplomaat, vertrouweling van Frederik Hendrik. André Rivet (Andreas Rivetus) (1572-1651),  theoloog, hoogleraar te Leiden, opvoeder van prins Willem II. Claude Rivet, Heer van Montdevis (1603-1647), hoveling aan het hof van Frederik Hendrik.

[8] Zie: Theo Verbeek, ‘Huygens, Descartes en Golius’, in: Lise Gosseye, Frans Blom, Ad Leerintveld (eds.), Return to Sender: Constantijn Huygens as a Man of Letters. Gent 2013, p. 129-139.

[9] Gerard Schaep (1598-1666), Heer van Kortenhoef, vanaf 1641 tot zijn dood curator van de Leidse universiteit. Amelis van den Bouchorst, Heer van Wimmenum, (1613-1669), president van de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland, sinds 1643 namens de ridderschap curator van de Leidse universiteit. Joachim van Wevelichoven (ca. 1619-?), pensionaris van de stad Leiden en secretaris van de curatoren van de Leidse universiteit.

[10] Jan Jansz. Stampioen (1610-1653) wiskundige met verschillende publicaties op zijn naam (Hoogendoorn, Bibliography, p. 839-840).Hij is bekend geworden door zijn controverse met Descartes. (Dopper, p. 32, 34). Constantijn Huygens trok hem aan als huisleraar voor zijn zonen Constantijn en Christiaan. Een studieadvies van hem voor Christiaan is gepubliceerd door Ad Davidse: https://adcs.home.xs4all.nl/Huygens/01/005-stampioen.html

[11] ‘Pollot’ is Alphonse Pollot (ca. 1602-1668), militair in Staatse dienst, na 1642 lid van de hofhouding van Frederik Hendrik. Zie; Theo Verbeek (2015). In L. Nolan (Ed.), The Cambridge Descartes Lexicon (pp. 603-604). Cambridge: Cambridge University Press. doi:10.1017/CBO9780511894695.207. ‘Gleeser’ is George Gleser († 1652) officier in de garde van Frederik Hendrik; Dopper, p. 38.

[12] Zie: René Descartes en Elisabeth van de Palts, Briefwisseling. Met een inleiding van René Gude. Vertaald en van een nawoord voorzien door Jeanne Holierhoek. Amsterdam 2000.

[13] Dopper, p. 38-39; De citaten zijn genomen uit: René Descartes en Elisabeth van de Palts, Briefwisseling, p. 116-117.

[14] Zie het in noot 16 genoemde rekest.

[15] Dopper, p. 38: W. Otterspeer, Het bolwerk van de vrijheid. De Leidse Universiteit, 1575-1672. Amsterdam 2000, p. 373 vlgg.

[16] Dopper, 39; P.C. Molhuysen, Bronnen tot de geschiedenis der Leidsche universiteit 1574-1811. Deel 2. 1610-1647. ’s-Gravenhage 1916, p. 304. http://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/leidsche_universiteit/#page=315&accessor=toc&source=2&view=  Bij de tekst van de benoeming staat in de notulen dat de curatoren niet ingaan op het rekest  ‘van seeckere mathematici ende landtmeters alhier’ om de ‘candidaten van die konst’ voortaan niet door ‘enen Stampioen’ maar door de ‘Professoren Matheseos’ te laten examineren. Kennelijk was de opheffing van de ‘Duytsche Matematique’ voor even van de baan.

[17] Dopper, p. 172.

[18] Otterspeer, p. 78; Dopper, p. 38-39: Ronald Sluijter, ‘Tot ciraet, vermeerderinge ende heerlyckmaeckinge der universiteyt’. Bestuur, instellingen, personeel en financiën van de Leidse universiteit, 1575-1812. Hilversum 2004, p. 53 [Proefschrift Universiteit Leiden.] https://scholarlypublications.universiteitleiden.nl/access/item%3A2880104/view

Twee Rotterdamse Constanters

Ad Leerintveld en Kees Verduin hebben in de loop der jaren een imposante lijst samengesteld van boeken die blijkens het ex libris Constanter aantoonbaar afkomstig zijn uit de bibliotheek van Constantijn Huygens. Aan deze verzameling kunnen nu twee werken worden toegevoegd die berusten bij het Stadsarchief Rotterdam. Ze werden ontdekt bij de inventarisatie van het archief van de familie Van Mierop. Het gaat om het eerste en tweede deel van het Wapenbuch van Johann Sibmacher (ook wel gespeld als Siebmacher), uitgegeven in Nürnberg in 1605 respectievelijk 1609. Ze bevatten duizenden wapens van vorsten, edelen en andere voorname personen, alsmede van steden en heerlijkheden. Het werk werd vele malen herdrukt en door anderen voortgezet, tot het uiteindelijk 119 delen omvatte en in 1961 werd ontsloten door een index.[1]

Het ex libris Constanter gaat vergezeld van het jaartal 1649, toen Huygens de boeken zal hebben verworven. De vraag rijst waarom hij ze aanschafte – en waarom toen. Kwam hij ze ‘toevallig’ tegen en vond hij dat ze niet mochten ontbreken in de bibliotheek van een intellectueel? Of is er een concrete aanleiding voor deze verwerving op dat moment? Het laatste blijkt het geval, zo ontdekte Ad Leerintveld. Juist in 1649 was Huygens betrokken bij het decoratieprogramma van de Oranjezaal van paleis Huis ten Bosch. Hier werd de legitimiteit van de Oranjedynastie tot in het kleinste detail in beeld gebracht en Huygens had onder meer tot taak de relevante wapenschilden bijeen te brengen.[2] De boeken van Sibmacher waren op dat moment hét standaardwerk, dus het is alleszins verklaarbaar dat hij die juist toen voor zijn bibliotheek wilde verwerven.

Of hij er heel intensief gebruik van heeft gemaakt, mag overigens worden betwijfeld, maar dat gold vast voor meer boeken in zijn bezit. De bladzijden vertonen nauwelijks gebruikssporen en Huygens heeft nooit de moeite genomen de wapens te laten inkleuren, zoals sommige anderen wel deden. De boeken zitten ook nog strak in de originele perkamenten band. Op de rug staat Wapenbuch 1. theil respectievelijk 2. theil, met daaronder enkele onduidelijke tekens, mogelijk plaatskenmerken.

Het is helaas niet gelukt te achterhalen hoe deze werken bij de familie Van Mierop terecht zijn gekomen. Toen Constantijn in 1687 overleed, raakte zijn bibliotheek verspreid. Een deel werd publiek verkocht, maar in de veilingcatalogus komen de boeken van Sibmacher niet voor. Dat hoeft geen verbazing te wekken: zijn zoons besloten pas na enige aarzeling dat de naam van hun vader op de titelpagina mocht komen, want de bibliotheek was al “un peu pillée”.[3] Vooral Constantijn jr schijnt er flink wat boeken uit te hebben overgenomen, zo blijkt uit de veilingcatalogus van diens bibliotheek uit 1701. Ook hierin zijn de Sibmachers echter niet aangetroffen.[4] Ze staan evenmin in de catalogus van de verkoping van de boeken van zoon Christiaan. Van zoon Lodewijk, getrouwd met Jacoba Teding van Berkhout, en van dochter Susanna, gehuwd met Philips Doublet, zijn geen veilingcatalogi bekend, dus we kunnen niet nagaan of zij ze misschien hebben overgenomen. En dan nog is het mogelijk dat de boeken onderhands zijn vererfd of cadeau zijn gegeven, en nooit in een publieke verkoping zijn beland.

Dit spoor loopt dus dood en ook de omgekeerde route levert geen uitsluitsel. De familie Van Mierop was wijdvertakt, maar er zijn geen verbanden gevonden met de geslachten Doublet en Teding van Berkhout. Behalve aan vererving kunnen we natuurlijk ook denken aan aankoop. We weten dat Johan Gerbrand van Mierop (1733-1807) grote belangstelling had voor genealogie en heraldiek – de vorming van het familiearchief is voor een groot deel aan hem te danken. Bij de beoefening van zijn liefhebberij werkte hij samen met de bekende Rotterdamse genealoog Hartman de Custer (1687-1760) en hij verwierf uit diens nalatenschap een collectie boeken en handschriften. Zou daar wellicht ook het Wapenbuch van Sibmacher bij hebben gezeten? Wie weet, maar dit is uiteraard een verschuiving van het probleem: de volgende vraag is dan hoe De Custer de boeken heeft verworven. Ook zijn familie kan niet worden gelinkt aan de nazaten van Huygens, maar er is wel een ander interessant spoortje. Hartmans grootmoeder van moederszijde was Barbara Elsevier, een telg uit het beroemde geslacht van uitgevers en boekhandelaren. Die kochten soms hele bibliotheken en collecties op om ze als geheel of in delen verder te verkopen, dus ook dit boek kan door hun handen zijn gegaan.

Verder komen we helaas ook langs deze weg niet. We zullen tevreden moeten zijn met de vondst van weer twee ‘nieuwe’ Constanters, met als extraatje dat we precies weten waarom Huygens ze aanschafte.

Gerrit Verhoeven, Stadsarchief Rotterdam, 28 december 2021.


[1] https://web.archive.org/web/20150923223750/http://www.dr-bernhard-peter.de/Heraldik/seite53-sieb.htm (geraadpleegd 15/12/2021)

[2] Margriet van Eikema Hommes en Elmer Kolfin, De Oranjezaal in Huis ten Bosch. Een zaal uit louter liefde (Zwolle 2013) 57.

[3] Zie de voorrede bij de heruitgave door Van Stockum, 1903: Catalogus Const. Huygens, Voorrede (xs4all.nl) (geraadpleegd 15/12/2021)

[4] Zie ook De Navorscher 27, 330.

De Orde van de Vrolijkheid

Verborgen in een voetnoot in een negentiende-eeuwse uitgave over Christina van Zweden staat een opmerkelijke verwijzing naar een archiefstuk.[1] Het document met de titel Institution de l’Ordre de l’Union de la Joye bevindt zich bij Koninklijke Verzamelingen in het archief van Amalia von Solms (1602-1675), echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647). Het heeft echter niets met Amalia van doen, want het was bedoeld voor haar schoonzoon Willem Frederik van Nassau-Dietz (1613-1664), de stadhouder van Friesland. De statuten van de Ordre de l’Union de la Joye (de Orde van de Vrolijkheid) vormen een belangrijke aanwinst voor onze kennis van het culturele leven in Holland omstreeks 1650. Er was van deze orde tot dusverre niet meer bekend dan enige verwijzingen ernaar in de correspondentie van Constantijn Huygens en Johan de Witt. Deze verwijzingen werden reeds in de negentiende en begin twintigste eeuw door J.L. ter Gouw, C.A. van Sypestein, R. Fruin en J.A. Worp gepubliceerd, maar zij wisten van het bestaan van de statuten niets af.

De stichtster van de Orde

In 1867 maakte J.L. ter Gouw in het Jaarboekje voor Nederlandsche Vrijmetselaren voor het eerst melding van de Ordre de l’Union de la Joye.[2] Ter Gouw vermoedde dat de stichtster van de Orde, een zekere Madame de Slavata, een Boheemse dame was. C.A. van Sypestein identificeerde haar echter twee jaar later terecht als Amélie van Brederode, barones van Slavata.[3] Amalia Margaretha van Brederode (geb. 1625 of 1626 – 1665) was een van de vijf dochters van Johan Wolfert van Brederode (1599-1655), voorzitter van de Ridderschap van Holland, en Anna Johanna van Nassau-Siegen (1594-1636). Na het overlijden van Amélie’s moeder hertrouwde Johan Wolfert in 1638 met Louise Christine van Solms (1606-1669), een zuster van Amalia van Solms. Het bruiloftsfeest – waarbij de ongeveer dertienjarige Amélie ongetwijfeld aanwezig zal zijn geweest – duurde twee weken. Het werd opgeluisterd met toernooien, balletten, toneelvoorstellingen, maskerades en andere feestelijkheden. Door dit tweede huwelijk van haar vader kreeg Amélie nog eens zeven halfbroers en –zusters.[4]

De familie Van Brederode woonde afwisselend op het huis ter Cleef bij Haarlem, op het kasteel Batestein in Vianen, op de kastelen Petershem en Fauquemberg bij Maastricht, en in Den Haag, eerst aan de Lange Vijverberg en vanaf 1652 in de Hof van Brederode. Zij kreeg voortdurend logees uit de hoogste kringen: hoge adellijke militairen uit binnen- en buitenland en andere edelen en vooraanstaande personen. Ook prins Willem II (1626-1650) en de Friese stadhouder Willem Frederik van Nassau-Dietz kwamen er graag over de vloer. Er werd gejaagd en gevist, gezongen en gedanst, maar ook veel gedronken, gekaart, zwaar gegokt, gebabbeld en geroddeld. Nadat Willem Frederik eerst een relatie met de oudste zuster Sophie (1620-1678) had gehad, kreeg hij in 1648 een verhouding met Amélie’s jongste zusje Anna Trajectina (1629-1672), ook wel ‘Treesje’ genoemd. Hij maakte zich in zijn dagboek geregeld zorgen dat hij ‘L’ – dit was de codenaam die hij haar had gegeven – zwanger had gemaakt en voelde zich daarover schuldig: ‘ick heb het niet kunnen laeten te doen’.[5]

In 1645 trouwde Amélie van Brederode met Albrecht Hendrik, baron van Slavata (gestorven 1660), wiens vader in het gevolg van de uit Bohemen verdreven Winterkoning in 1620 naar de Republiek was gekomen. In 1646 kreeg Slavata een aanstelling als majoor in het regiment cavalerie van de burggraaf van Machault en in 1651 werd hij benoemd tot commandeur van Geertruidenberg. Met haar echtgenoot verbleef Amélie vaak bij haar vader en stiefmoeder in de Hof van Brederode, op de hoek van de Lange Houtstraat en het Korte Voorhout in Den Haag, waar nu de Koninklijke Schouwburg staat. Dit huis werd in 1652 in gebruik genomen met een luisterrijk, acht dagen durend feest, waarbij de gehele elite aanwezig was. Van Sypestein vermoedt dat bij deze gelegenheid het idee is geboren om de Ordre de l’Union de la Joye op te richten.[6] Dat lijkt bij gebrek aan andere aanwijzingen een plausibele datering.

Kaart van Den Haag met in het omcirkelde gebied de locatie van de Hof van Brederode

Afgaand op een gedicht van Mathieu de Montreuil (1620-1692) had Amélie van Brederode kennelijk ook een reputatie buiten de grenzen van de Republiek. Deze Franse dichter en geestelijke schreef galante, soms pikante verzen. In één daarvan waarschuwt hij zijn publiek voor de Madame de Slavata, oftewel Amélie van Brederode:

Ma Mère, en partant de Paris
Pour m’en venir dans la Hollande
Me dit: Savez vous bien, mon fils,
En vous disant adieu, ce que je vous commande?
Gardez-vous bien de jeux, de dez et de pipeurs,
De vin, de maladie, et de gens querelleurs;
Ce sont là tous les maux capables de vous nuire
A deux fois par ses doigts elles les raconta
Hélas! Elle oublia le pire:
Gardez-vous bien surtout, me devoit-elle dire,
De Madame de Slavata.[7]

‘Ze had me moeten zeggen: kijk uit voor mevrouw van Slavata’. Van Sypestein wilde de laatste zinnen van dit gedicht niet geloven, volgens hem omdat Amélie zich in haar brieven aan Johan de Witt ‘in de meest hartelijke bewoordingen over haren man uitlaat’. [8]

Amalia Margaretha van Brederode, door Gerard van Honthorst, ca. 1650, Museum Schloss Mosigkau

Na 1655 zwijgen de bronnen over Amélie van Brederode en haar Orde. Er is nog een brief van Johan de Witt van 3 november 1660 waarin hij haar condoleert met het overlijden van haar man, de baron van Slavata.[9] Eind 1662 hertrouwde zij met Karl Gottlieb Amadeus (1630-1695) rijksgraaf van Windischgrätz, en vertrok naar Bohemen. Amélie overleed in 1665 na een val van haar paard.

De statuten van de Orde

De Ordre de l’Union de la Joye stond blijkens de statuten open voor mannen én vrouwen. Amélie van Brederode vervulde de rol van grootmeesteres (Grande Maîtresse) en haar jongste zus Anna Trajectina (Treesje) – de ‘L’ van de Friese stadhouder Willem Frederik – die van assistente (Coadjutrice). De chevaliers en chevalières van het genootschap hadden hun eigen reglement, medailles, ceremonieën en diploma’s.

Kort samengevat en uit het Frans in het Nederlands vertaald verliep de toelatingsceremonie als volgt:

Het aspirant-lid kreeg, staand op één been, een knip voor de neus van de grootmeesteres of haar assistente, terwijl met een opgestoken linkerpink de eed werd afgelegd. Terug op twee benen maakte hij of zij vervolgens een buiging naar voren en naar achteren. Terwijl ze de betrokkene in de beide wangen kneep om de toelating tot de Ordre de l’Union de la Joye te bevestigen, kuste de grootmeesteres of haar assistente de chevalier of chevalière. Ten slotte maakten zij samen een sprongetje en sloten zij al trippend als een mus de ceremonie af.

De statuten bevatten elf artikelen die Vrolijkheid (Joye) moesten waarborgen:

  1. Het is van het allergrootste belang dat de Vrolijkheid onder alle omstandigheden wordt gehandhaafd.
  2. Men hoort dagelijks een liedje te zingen, desnoods heel zachtjes.
  3. Iedereen wordt geacht, wanneer men althans niet verder dan 20 mijl van haar vandaan woont, de grootmeesteres minstens één keer per jaar te bezoeken en haar op de hoogte te brengen van recente komische voorvallen.
  4. Iedereen die het kan, behoort te dichten om er de anderen mee te vermaken.
  5. Indien mogelijk moet men de grootmeesteres minimaal één keer per semester schrijven.
  6. Zodra er ergens vier of meer chevaliers bijeen zijn, moeten zij minimaal een keer een tricotets (een vrolijke snelle dans) dansen.
  7. Men dient elkaar broederlijk op de hoogte houden van alle vermakelijke nieuwtjes.
  8. Men mag alleen maar zaken te berde brengen die schaterlach zullen veroorzaken, en alleen de grootmeesteres bepaalt of dat inderdaad zo is.
  9. Slechte herinneringen, huidige ongemakken en de vrees voor toekomstige tegenslagen moeten uit ieders hoofd worden gebannen.
  10. Ruzies, geschillen, wrok, jaloezie en geroddel die alle strijdig zijn met de beginselen van de Orde zijn verboden.
  11. Verdriet om het overlijden van een chevalier of chevalière mag men slechts uiten door het slaken van een zacht ‘helaas!’. Ten teken van rouw mag men niet langer dan negen dagen een zwart met roze afgezet lintje dragen.

Degene die deze wetten belooft te gehoorzamen zal worden vereerd met een bijzonder privilege. Maar degene die de wetten niet naleeft, zal op een stoel bij een open deur worden gezet, opdat hij of zij een flinke verkoudheid zal oplopen. Aldus de statuten van de Orde.

Vermaak en scherts waren blijkbaar het hoofddoel van de Orde: dansen, lachen, lol en plezier in plaats van ruzie, conflict, chagrijn en weemoedigheid. De Tachtigjarige oorlog was net voorbij, een tijd van bloedige strijd die internationaal was uitgevochten. Er was een besef van: dat nooit meer, en wellicht lag dit besef mede ten grondslag aan de oprichting en de bezigheden van de Orde. Over de feesten van de Orde zijn weinig gegevens beschikbaar, alleen een brief van Johan de Witt – over zijn lidmaatschap van de Orde hierna meer – aan Sophia Margaretha van Nassau-Siegen (1610-1665) biedt mogelijk een aanknopingspunt. Johan de Witt (1625-1672) was als raadpensionaris van Holland een van de machtigste mannen in de Republiek. Sophia Margaretha was een zuster van Johan Maurits van Nassau-Siegen, bijgenaamd ‘de Braziliaan’, en een halfzuster van de moeder van Amélie van Brederode. De Witt en Margaretha correspondeerden in de periode 1653-1654 geregeld, en het onbekende voorwerp dat De Witt aan Margaretha ontfutselde, wijst wel enigszins in de richting van een intiemere relatie: ‘ … dat, waarvan ik u beroofde in de nacht van plezier [‘nuict de joye’] die wij onlangs samen doorbrachten, zal ik altijd bewaren en koesteren’ .[10] Men zou uit deze zinsnede kunnen concluderen dat De Witt hier op een feestavondje van de Ordre de l’Union de la Joye doelt.

Chevalier Constantijn Huygens

Ook Constantijn Huygens heeft zich tot Amélie van Brederode gewend met een verzoek om toelating tot haar Orde. In een brief van 5 juli 1653 installeert zij hem – met een gedicht en een medaille – als ‘très digne Chevalier’ van haar Orde. Het is dat Constantijns zoon Christiaan (1622-1693) op de brief aantekende ‘Lettre de Mme Slavata à mon père en luy envoyant l’Ordre’, anders had men niet zo snel gedacht aan de vader als de ontvanger van de brief. Van Sypestein meent – ons inziens ten onrechte, omdat vader Constantijn op zijn tijd ook best van een verzetje hield – dat men:

… anders eer zou denken, dat zijn oudste zoon Constantijn de gelukkige was, daar deze toen 25 jaren oud, een vrolijke gast, een goed danser en een trouwer bezoeker was van de feesten bij Brederode, dan zijn vader, die toen reeds 57 jaren oud, bovendien overstelpt was met werkzaamheden.[11]

Huygens bedankt Amélie nog dezelfde dag met een gedicht waarin hij zijn diensten aanbiedt als knechtje van de koksjongen (‘valet du marmiton de l’Ordre’), het laagste van het laagste. [12]

À sa Gayeté la Grande Maistresse’ Constantijn Huygens, Geertruidenberg 5 juli 1653, Koninklijke Bibliotheek, KA 41, 204.

Ook Christiaan en Constantijn junior, de zonen van Constantijn Huygens, waren lid van de Orde. Omdat de portretten van Amélie en haar zusje Anna Trajectina deel uitmaken van de ‘schoonhedengalerij’ van Maurits Lodewijk van Nassau-Beverweerd (1602-1665), de buitenechtelijke zoon van prins Maurits en Margaretha van Mechelen, is het niet denkbeeldig dat ook Nassau-Beverweerd lid van de Orde was. Als dat inderdaad het geval is, zou deze portrettencollectie de sleutel kunnen zijn voor de identificatie van de leden van de Orde.[13]

Chevalier Johan de Witt

Diploma van Johan de Witt van de Ordre de l’Union de la Joye , NA, Collectie De Witt-Gevaerts 3.20.66.02, 7

Johan de Witt behoorde eveneens tot de leden van de Orde, want hij heeft op 23 februari 1653 het diploma met het lidmaatschap gekregen.[14] Van Sypestein meldt in dit verband over De Witt:

Gewoonlijk stelt men zich den grooten Raadpensionaris de Witt voor, als een bij uitnemendheid stijf, ongezellig, deftig en ingetogen geleerde, die zich uitsluitend met staatszaken bezig hield, en wien het te gering was, zich met de dagelijksche zaken en de genoegens van het gezellig verkeer in te laten. Die opvatting is echter ten eenemale onjuist, want, ofschoon de jeugdige Johann de Witt, toen reeds in 1652, werd geroemd als een bij uitstek kundig Advocaat en zich ook als wiskunstenaar grooten naam had weten te verwerven, was hij tevens een alleraangenaamst gezellig mensch, die zooveel mogelijk bij de feesten, waarop hij werd genoodigd, tegenwoordig was, die iedereen innam door zijne wellevend en aangename vormen, en wiens gezelschap, zoowel om zijne hoedanigheid van goed danser, als van ervaren beoefenaar der muzijk – hij bespeelde de viool – zeer gezocht was. In 1653, toen hij reeds Raadpensionaris was, schreef hij onder anderen, als antwoord op eene uitnoodiging om eene bruiloft bij te wonen, dat hij vreesde, door zijne ‘serieuse occupatien’ daarin te worden belet en dit zeer betreurde, daar hij naar zulk een feest ‘snackte als een vischje naer ’t waeter’.[15]

Er bevinden zich twee brieven van Amélie van Brederode aan Johan de Witt in diens archief. [16] In de eerste brief van 30 september 1653 vraagt zij om voorspraak voor een niet nader genoemd persoon. Op 10 oktober 1653 antwoordt De Witt gespeeld onderdanig dat hij vereerd is met het geluk dat hem is overkomen dat hij ridder van haar Orde mocht worden en dat hij al haar bevelen gehoorzaam zal opvolgen. In het naschrift doet hij de speciale groeten aan haar zusjes, en wel speciaal aan Anna Trajectina, de assistent-grootmeesteres. In haar tweede brief van 16 januari 1654 vraagt Amélie De Witt of hij het verlof van haar man, de baron van Slavata, wil verlengen. Nog dezelfde dag antwoordt De Witt positief. Misschien aangemoedigd door het naschrift dat Amélie er aan toevoegt waarin ze Johan de handkussen van haar zusje en van haarzelf aan hem overbrengt, antwoordt De Witt geheimzinnig in zijn naschrift dat het niet nodig is dat Amélie zijn handkussen aan haar zusje stuurt. In gedachten is hij namelijk altijd bij haar, hoewel zijn lichaam door een krachtig obstakel van haar verwijderd blijft. [17]

Amalia Margaretha van Brederode aan Johan de Witt, 10 januari 1654, NA, Archief Johan de Witt 3.01.17, 2232

De brieven zijn een bevestiging van het feit dat Johan de Witt, ook toen hij al raadpensionaris was, nog steeds banden had met deze Orde. Amélie maakt hier immers melding van en vraagt zich tegelijkertijd af of dat eigenlijk wel is toegestaan gezien zijn functie.[18] We moeten niet vergeten dat Johan op dat moment een 27-jarige jongeman was en het vast erg leuk vond om in de aandacht te staan bij de twee aantrekkelijke dames. Bovendien waren zijn lidmaatschap en deelname aan de activiteiten van Orde voor hem een manier om op een informele manier te ‘netwerken’ met de elite van de Republiek.

Chevalière Christina van Zweden

De Ordre de l’Union de la Joye telde zelfs een voormalige koningin onder haar leden, namelijk Christina van Zweden (1628-1689). Toen Christina in 1655 te Brussel verbleef – ze had het jaar ervoor afstand gedaan van de Zweedse kroon – was Amélie van Brederode enige dagen haar gast. Raimundo vorst van Montecuccoli (1608-1681), keizerlijk ambassadeur bij Christina, deed hierover verslag in zijn dagboek, en hij schreef zelfs enkele gedichten over de wonderschone ogen van de barones van Slavata.[19]

Christina van Zweden door Robert Nanteuil naar Sébastien Bourdon, 1654, Rijksmuseum

Amélie zelf bericht op 20 augustus 1655 uit Den Haag over haar kennismaking met Christina in een lange brief aan haar ‘neef’ Christophe Delphicus, graaf van Dohna (1628-1668), ook ridder van haar Orde.[20] Eerst wijst Amélie Dohna terecht omdat hij zich niet aan de regel van de Orde heeft gehouden haar één keer per semester te schrijven. Vervolgens vertelt ze hem dat ze Christina van Zweden eerst heimelijk vanuit het struikgewas had bespied om later te worden opgehaald en aan haar te worden voorgesteld. Daarna nodigde de koningin Amélie uit haar enkele dagen gezelschap te houden. De dames waren zo ingenomen met elkaar dat ze tot elkaars Orde toetraden: Christina was namelijk grootmeesteres van de Ordre de l’Amarante. Ook liet de koningin een schilder – een zekere Ventier – komen om ter plekke een portret van Amélie te maken en zij schonk haar twee portretten van zichzelf. Christina wil Amélie zelfs mee naar Rome nemen en haar voor altijd bij zich houden. Het speet Amélie Christina te moeten zeggen dat dat echt niet mogelijk was, en de koningin had er gelukkig alle begrip voor dat de barones in haar eigen land ook veel verplichtingen had. Na een gezamenlijk bezoek aan een theatervoorstelling vertrok Amélie weer huiswaarts.[21]

Navolging

Béatrix de Cusance, door Justus van Egmont, ca. 1655, Wikimedia Commons.

De Ordre de l’Union de la Joye kreeg al snel navolging, want in 1653 richtte Béatrix de Cusance hertogin van Lotharingen (1615-1663) ook een orde op, namelijk de Ordre du Marteau de Clavecin (de Orde van de Klavecimbelhamer). Béatrix was een goede vriendin van Constantijn Huygens. Constantijn had haar over de Orde van Amélie geschreven en haar kopieën van de stukken van de Orde gezonden en in zijn brieven verslag gedaan van wat men daar zoal deed. Op 24 juli 1653 schrijft hij

U zult hierin grappige schertsgedichten aantreffen, en zodanig in overeenstemming met uw mooie inborst dat het naar mijn mening heel jammer is dat anderen u met dit plan zijn voor geweest, aangezien er niemand is aan wie het grootmeesteresseschap van deze orde meer toebehoort dan aan u en er niemand is die beter in staat is de bijbehorende voorschriften met welwillendheid te handhaven.

Béatrix liet Huygens vervolgens door hun wederzijdse muziekvriend Diego Duarte, koopman te Antwerpen (1612-1691), met haar brief van 17 augustus 1653 een gouden klavecimbelhamertje bezorgen en zij benoemde hem tot lid van haar eigen Orde.

Wat de hamer betreft die ik u heb gezonden via de zoon van de waarde [Gaspar] Duarte, deze is voor uw dierbare vriendin mejuffrouw [Maria] Casembroot [in het oorspronkelijke Frans gespeld als Guaissenbrote]. Ik weet niet of u deze zo slecht gespelde naam goed begrijpt, maar ik ken het Vlaams niet beter. Tenslotte is het voldoende dat u instaat voor haar verdienste om daaraan te geloven zonder die te hebben gezien; en de bijgevoegde hamer is voor u. Aldus ontvangt u deze rechtstreeks van mij zoals u wilde, met de verzekering dat ik met vreugde tekenen van herinnering aan u en de nieuwtjes van uw hof ontvang, terwijl ik gelegenheden zal scheppen om u te betuigen dat ik zeer dankbaar ben en voldaan over alle goedheden die u bewijst aan haar, die u deze hamer zendt als teken van de blijvende vriendschap-tot-de-dood voor de muziek.

Daar moest Constantijn natuurlijk weer overheen met een gedicht, getiteld: À Madame de Lorraine sur son Ordre du Marteau de clavecin. Raillerie.[22] Vervolgens bedankt hij haar in zijn brief van 28 augustus 1653 nogmaals voor het hamertje.

Beatrix vond het prachtig en schrijft Constantijn op 6 september 1653:

U zult wel weten dat ik veel verschillende narigheden heb gehad sedert uw vertrek van hier, waardoor ik geen tijd heb gehad om u te zeggen dat ik uw brieven met al die zaken betreffende uw Orde van de Vrolijkheid heb ontvangen, die ik met veel genoegen en luid lachend heb gelezen, alsof ik die hele mooie ceremonie had gezien, die zo goed gevonden is en uitgedacht als maar mogelijk is.

Béatrix de Cusance aan Constantijn Huygens, 6 september 1653, Koninklijke Verzamelingen Den Haag, Archief Constantijn Huygens, G1-9.1

Tot besluit

Historici hebben tot nog toe niet bepaald gunstig geoordeeld over Amélie van Brederode en haar Orde van de Vrolijkheid. Fruin noemde het gezelschap weinig complimenteus ‘Haagsche pretmakers uit de groote wereld’ en sprak het vermoeden uit dat De Witt vooral tot de Orde is toegelaten

… dankzij zijn invloed in de Statenvergadering. Herhaaldelijk riepen de dames zijne voorspraak in, wanneer zij zich voor zich zelve of voor een beschermeling een gunstbetoon van de Staten verlangden. [23]

Verder merkte hij bij de brieven van De Witt aan Sophia Margaretha van Nassau op:

Deze brieven doen ons den jongen Raadpensionaris als hoveling en hofmaker kennen. Van Sijpesteyn […] houdt het niet voor onmogelijk, dat De Witt aan een huwelijk met Margaretha van Nassau gedacht heeft! Wij achten deze onderstelling ten enenmale verwerpelijk. De galante toon zijner brieven was in de kringen der ‘Union de la Joye’ gebruikelijke. De Witt bewees er mede, dat hij, zooals de freule van Nassau schrijft, was ‘aussy parfait courtisan que polecticque’. Zoodra hij eene vrouw zocht, sloeg hij het oog niet op eene arme gravin van Nassau, die vijftien jaren ouder was dan hij en wier familie hem van weinig dienst kon zijn, maar op eene jonge, rijke, Amsterdamsche patricische, verwant aan de regeerende families der hoofdstad.[24]

Dat Fruin niet alle correspondentie tussen Amélie van Brederode en De Witt heeft opgenomen, zegt genoeg over zijn houding ten opzichte van dit type geschiedschrijving. Van Sypestein had duidelijk meer interesse voor het alledaagse vermaak en nam de hem bekende correspondentie over de Orde dan ook volledig op. Ook in de modernere historiografie wordt doorgaans niet bijster positief over de Orde geoordeeld. Zo merkt Jacob Smit in zijn publicatie op dat een dergelijk gezelschap de toen 57-jarige Constantijn Huygens noch raadpensionaris De Witt echt paste. [25] Elisabeth Keesing laat zich eveneens laatdunkend uit over de Ordre de l’Union de la Joye. Zij noemt Amélie van Brederode een vrouw van het ‘krampachtiger soort’ en vermoedt dat achter ‘die dik opgelegde vrolijkheid’ wanhoop school, omdat het land in oorlog was en de handel stil lag.[26]

Op de hedendaagse lezer zal het reglement tamelijk oubollig en gekunsteld overkomen. Als we onszelf proberen voor te stellen hoe het er aan toe is gegaan, komen er Monty Python-achtige taferelen voor de geest, waarbij we ons mensen als Johan de Witt en Constantijn Huygens voorstellen die, op één been staande met opgestoken linkerpink de gelofte afleggen om tot de Orde te mogen worden toegelaten. Het gaat echter te ver om Amélie van Brederode en haar Orde negatief te beoordelen. Zij toont ons met haar activiteiten juist een geheel nieuw aspect van het sociale leven van de elite in Holland omstreeks 1650. Er kan zich in Holland een vervrouwelijking van de omgangsvormen hebben voorgedaan, misschien overgewaaid uit Parijs. Een generatie eerder, ten tijde van militaire houwdegens als stadhouder prins Maurits, had een dergelijke orde niet kunnen bestaan. Ook leren we grootheden als Huygens en De Witt door de Orde juist nu eens van een geheel andere, meer persoonlijke kant kennen. Bovendien bewijzen Christina van Zweden en Béatrix de Cusance met hun Ordes dat het oprichten en onderhouden van een eigen orde bon ton was onder adellijke vrouwen in het midden van de zeventiende eeuw.

De opgedoken statuten hebben onze kennis over de Ordre de l’Union de la Joye enigszins vergroot, al het blijft door gebrek aan aanvullende gegevens onzeker in hoeverre de regels ook werkelijk werden toegepast. Het beschikbare bronnenmateriaal is te schaars om op deze vraag afdoende antwoord te kunnen geven. Er is dan ook meer onderzoek nodig. De archieven met correspondenties van de Hollandse elite en wellicht daarbuiten zouden systematisch moeten worden doorgenomen. Ook zou moeten worden nagegaan of Amélie’s eigen archief zich wellicht ergens in Duitsland of in een voormalig Oostblokland bevindt. Pas dan kan een vergelijkend onderzoek van de Ordre de l’Union de la Joye met de activiteiten van andere elitaire genootschappen in West-Europa in het midden van de zeventiende eeuw worden uitgevoerd. [27]

Ineke Huysman, 14 juni 2020


[1] Charles de Burenstam, La reine Christine de Suède à Bruxelles et à Anvers (Brussel 1891) 121.

[2] J.L. ter Gouw, ‘Eene merkwaardigheid betreffende Constantijn Huygens’, in: Jaarboekje voor Nederlandsche vrijmetselaren 1867 5867 (Amsterdam 1867) 271-275.

[3] C.A. van Sypestein, ‘Johan de Witt in zijne betrekking tot den veldmaarschalk Brederode, tot de freule Margaretha van Nassau en tot l’Ordre de l’Union de la Joye (1653-1655)’, Vaderlandsche Letteroefeningen (1869) 431-434.

[4] A.W.E. Dek, ‘Genealogie der Heren van Brederode’, Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie (1959) 139-142.

[5]  Gloria Parendi. Dagboeken van Willem Frederik stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe 1643-1649, 1651-1654, J. Visser ed. (Den Haag 1995) 685.

[6] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 431.

[7] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 435.

[8] Ibidem.

[9] Nationaal Archief (NA), Archief Johan de Witt 3.01.17, 9, fol. 426.

[10] Brief van Johan de Witt aan Sophia Margaretha van Nassau 14 maart 1654 ,NA, Archief Johan de Witt, 3.01.17, 3, fol. 174.

[11] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 431.

[12] J.A. Worp (ed.), De gedichten van Constantijn Huygens (1607-1687) V (Groningen 1895) 43-44.

[13] M.E. Tiethoff-Spliethoff, ‘Twee zeventiende-eeuwse schilderijenreeksen van Beverweerd’, Antiek (1981) 383-390.

[14] NA, Collectie De Witt-Gevaerts 3.20.66.02, 7.

[15] Van Sypestein, ‘Johan de Witt’, 426.

[16] NA, 3.01.17, 2232.

[17] NA, 3.01.17, 3, fol. 42.

[18] NA, 3.01.17, 2232.

[19] Raimundo Montecuccoli, Alois Veltzé (ed.),  Ausgewaehlte Schriften des Raimund Fürsten Montecuccoli III (Wenen-Leipzig 1899-1900) 194.e Witt, I, 270.

[20] Charles de Burenstam, La reine Christine de Suède à Bruxelles et à Anvers (Brussel 1891), 121-139.

[21] Ibidem.

[22] Worp, Gedichten Huygens V, 45.

[23] Fruin, Brieven van Johan de Witt, I, 268.

[24] Ibidem.

[25] Jacob Smit, De grootmeester van woord- en snarenspel. Het leven van Constantijn Huygens 1596-1687 (Den Haag 1980) 246.

[26] Elisabeth Keesing, Het volk met de lange rokken. Vrouwen rondom Constantijn Huygens (Amsterdam 1987) 136.

[27] Dit artikel is een bewerking van een artikel dat eerder in uitgebreidere vorm verscheen in: ‘Haagse pretmakers uit de groote wereld’. L’Ordre de l’Union de la Joye omstreeks 1650″, gepubliceerd in Eef Dijkhof, Michel van Gent (red.) Uit diverse bronnen gelicht. Opstellen aangeboden aan Hans Smit. Met dank aan Jos Gabriëls voor de vertaling van de statuten van de Ordre de l’Union de la Joye.

Een bijzondere brief: Constantijn Huygens als secondant van André Rivet

Een opmerkelijke vondst

Bij de verwerking van de gedigitaliseerde brieven van Constantijn Huygens troffen we een heel opmerkelijke brief aan, die veel vragen oproept. Het is een brief van Huygens vanuit het legerkamp voor Hulst van 2 november 1645 (no. n0293) en gericht aan André Rivet (ca. 1572-1651).[1] De brief komt niet voor in de oude editie van J.A. Worp. Wat meteen opvalt, is dat hij niet in Huygens’ eigen handschrift is. Ook bevat de brief twee Latijnse gedichtjes die Rivet in zijn laatste strijdschrift tegen Hugo Grotius (1583-1645) zou opnemen. In hoeverre bevat deze brief nieuwe informatie over die strijd tussen Rivet en Grotius, wat was de rol van Huygens hierin en wat is de reden dat de brief in een ander handschrift geschreven is?

Huygens en Rivet

André Rivet, Jacob van Meurs, 1650, Rijksmuseum

Huygens correspondeerde veel met André Rivet,[2] die in zijn lange leven diverse functies bekleedde. Zo was hij professor in de theologie te Leiden, gouverneur van de jonge prins Willem II en curator van de Illustere School te Breda, een functie die hij samen met Huygens en Johan Polyander genaamd van den Kerckhove(n) (1594-1660), heer van Heenvliet, bekleedde. Huygens’ zonen Christiaan (1629-1695), Lodewijk (1631-1699) en Philips (1633-1657) zouden er onderwijs volgen en Rivet en Huygens zouden ook daarover geregeld corresponderen. Huygens begint zijn brief aan Rivet met de mededeling dat hij al twee maanden last heeft van een pijnlijke ontsteking aan beide ogen en dat hij daardoor zijn correspondentie, die doorgaans honderd brieven per maand bedraagt, heeft moeten beperken. Gelukkig gaat het nu weer beter en de kort daarvoor ontvangen brief van Rivet van 25 oktober 1645 (no. 4171) heeft hem aangemoedigd de pen weer op te pakken, wat ook noodzakelijk is voor zijn functie. Omdat er nu een database is met gegevens van de correspondentie van Huygens, kunnen we zien dat Huygens toch nog wel wat had geschreven in de afgelopen twee maanden: 39 brieven in totaal, vooral aan Amalia von Solms (1602-1675), de echtgenote van stadhouder Frederik Hendrik (1584-1647) .

Huygens ging jaarlijks mee op veldtocht met de stadhouder en een van zijn taken was Amalia op afstand te informeren over de vorderingen van het leger, maar ook over de gezondheid van haar echtgenoot. In 1645 was Frederik Hendriks gezondheid maar matig, hij leed aan jicht en werd daarvoor met een speciaal drankje behandeld door Andreas Cnoffelius (?-1658), lijfarts van de Poolse koning, die daarvoor duizend rijksdaalders betaald kreeg.[3] Cnoffelius was een expert op het gebied van jicht en heeft daarover ook gepubliceerd.[4] De arts was op doortocht naar Parijs, waar de huwelijkssluiting met de handschoen tussen Marie-Louise de Gonzague (1611-1667) en de Poolse koning Wladislaw IV (1595-1648) zou plaatsvinden. Rivet had Huygens in zijn brief van 25 oktober laten weten dat Gerard, graaf van Denhof (1589-1648), ook op doortocht naar de Parijse trouwerij, helaas geen bezoek aan de stadhouder kon brengen, maar hem wel zijn hoffelijke groeten overbracht. Huygens antwoordt hem dat de stadhouder de groeten van de graaf in ontvangst heeft genomen, zonder aan de Poolse dokter Cnoffelius veel aandacht te besteden. Ook meldt hij dat de Prins gestopt is met het innemen van zijn medicatie, maar dat er geen verschil te merken valt. Hij hoopt er maar het beste van, want het zijn spannende tijden.

Het beleg van Hulst

Hendrick de Meijer, Verovering van Hulst, 1645, Rijksmuseum

In dat verband bericht Huygens Rivet over de stand van zaken rond het beleg van Hulst dat Frederik Hendrik op 8 oktober 1645 was begonnen. De Prins sloeg het beleg voor Hulst omdat hij hoopte uiteindelijk toch Antwerpen te kunnen innemen, wat hem nooit gelukt is. Hulst werd met 305 compagnieën aangevallen. Vanuit het zuiden onder leiding van de Prins en vanuit het noordwesten door veldmaarschalk Johan Wolfert van Brederode (1599-1655). Zoals Huygens schrijft, stuurt Frederik Hendrik op 2 november een onderhandelaar om de stad op te eisen. Vanaf 1 november zijn mineurs al bezig de stadswal te ondermijnen. De gouverneur van de stad, Jacques d’Haynin du Cornet (ca. 1587-1666), wijst het verzoek beleefd af, waarna een stormloop begint. Op 4 november capituleert de stad. Met de inname van Hulst heeft Frederik Hendrik, de stedendwinger, de verdedigingslinie van strategisch gelegen steden om de de Noordelijke Nederlanden voltooid.  De Prins heeft de tuin van de Zeven Verenigde Nederlanden gesloten. Hulst is zijn laatste overwinning en zij wordt uitbundig gevierd. Ook Huygens laat zich niet onbetuigd en schrijft een aantal lofdichten in het Latijn en het Nederlands.[5]

Lees verder “Een bijzondere brief: Constantijn Huygens als secondant van André Rivet”